woord OT NT apo Bijbel
hij79702630197012570

Vindplaatsen van hij in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 1970 keer voor, in 1384 verzen; getoond worden vers 1 t/m 500.

3 Ezra 1:3
En hij zeide tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden heiligen, om de heilige ark des Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd had;

3 Ezra 1:6
En slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de offeranden voor uw broederen; en houdt het Pascha naar het bevel des Heren, dat hij Mozes heeft gegeven.

3 Ezra 1:28
En Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des Heren.

3 Ezra 1:29
Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen de koning Josia.

3 Ezra 1:31
En hij klom op zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem wedergebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf.

3 Ezra 1:34
En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaren oud was.

3 Ezra 1:35
En hij was koning in Israël en Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning zou zijn.

3 Ezra 1:38
En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broeder Saracus nam hij, en bracht hem weder in Egypte.

3 Ezra 1:39
Jojakim nu was vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Here.

3 Ezra 1:43
En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud toen hij koning gemaakt werd;

3 Ezra 1:48
En hoewel hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij de naam des Heren, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de inzettingen des Heren, des Gods van Israël.

3 Ezra 1:50
En de God hunner vaderen zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat hij hen zou verschonen, en zijn woning.

3 Ezra 1:52
Totdat hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid, de koningen der Chaldeeën tegen hen deed optrekken.

3 Ezra 1:54
Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige vaten des Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.

3 Ezra 2:1
ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord des Heren vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had;

3 Ezra 2:5
Indien er dan iemand van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren van Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.

3 Ezra 3:6
Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals;

3 Ezra 3:7
En hij zal de tweede naast Darius zitten vanwege zijn wijsheid, en zal een bloedvriend van Darius genoemd worden.

3 Ezra 3:13
En als de koning opgestaan was, namen zij het geschrift, en gaven het hem, en hij las het.

3 Ezra 3:14
En uitgezonden hebbende liet hij roepen al de groten van Perzië en Medië, en de vorsten, en de krijgsoversten, en oversten der landen, en de burgemeesters.

3 Ezra 3:15
En hij zette zich neder in zijn Raad, en het geschrift werd voor hen gelezen en hij zeide:

3 Ezra 3:19
O mannen, hoe oversterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken;

3 Ezra 3:20
Hij maakt het verstand des konings en van de wees enerlei verstand, gelijk ook het verstand des dienstknechts en des vrijen, het verstand des armen en des rijken;

3 Ezra 3:21
En hij verandert alle verstand in vreugde en vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen droefheid, en aan geen schuld;

3 Ezra 3:22
Hij maakt alle harten rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij maakt dat een ieder van talenten spreekt.

3 Ezra 3:25
O mannen, is de wijn niet de sterkste, dewijl hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij zo gesproken had.

3 Ezra 4:3
De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij.

3 Ezra 4:4
Indien hij hun zegt dat zij de een de anderen zullen oorlog aandoen, zij doen het; en indien hij uitzendt tegen hun vijanden, zij gaan; zij slechten de bergen, en de muren, en de torens;

3 Ezra 4:7
Indien hij zegt dat men dode, zo doden zij; indien hij zegt dat men aflate, zo laten zij af.

3 Ezra 4:8
Zegt hij dat men sla, zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, zo bouwen zij.

3 Ezra 4:9
Zegt hij dat men afbreke, zo breken zij af; zegt hij dat men plante, zo planten zij;

3 Ezra 4:11
Daarenboven zit hij neder, eet hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan, noch zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.

3 Ezra 4:12
O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.

3 Ezra 4:21
En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land.

3 Ezra 4:24
En ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, zo brengt hij dat tot zijn beminde.

3 Ezra 4:31
En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.

3 Ezra 4:33
Toen zagen de koning en de groten op elkander. En hij, begon te spreken van de waarheid.

3 Ezra 4:41
En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en sprak toen: Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal.

3 Ezra 4:43
Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen hebt.

3 Ezra 4:44
En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem genomen zijn, terug zoudt zenden, welke Cyrus afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts te zenden.

3 Ezra 4:48
En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.

3 Ezra 4:49
En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd, noch vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan.

3 Ezra 4:54
En hij schreef ook van het onderhoud der priesters, en van de priesterlijke kleding waarin zij dienst doen.

3 Ezra 4:55
En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou geven, tot de dag toe dat het huis Gods zou voleindigd, en Jeruzalem zou herbouwd zijn.

3 Ezra 4:57
En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.

3 Ezra 4:58
En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:

3 Ezra 4:61
En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn broederen.

3 Ezra 4:62
En zij loofden de God hunner vaderen, dat hij hun verkwikking en verlossing gegeven had.

3 Ezra 5:56
En in het tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen.

3 Ezra 6:6
Het afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft geschreven en gezonden, is dit:

3 Ezra 6:15
En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,

3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.

3 Ezra 6:19
En hem werd bevolen, dat hij al die vaten zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, en dat de tempel des Heren zou gebouwd worden op zijn plaats.

3 Ezra 6:20
Toen nu Sabanasser daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.

3 Ezra 6:27
Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen, op zijn plaats.

3 Ezra 6:28
En ik ook schreef hij heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis des Heren voltooid is.

3 Ezra 7:15
Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen te sterken in de werken des Heren, de God Israëls.

3 Ezra 8:4
En de koning had hem heerlijkheid gegeven, dewijl hij genade bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.

3 Ezra 8:8
Want Ezra had grote wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet der dingen die van de wet des Heren waren, en van de geboden om gans Israël al de rechten en gerichten te leren.

3 Ezra 8:28
En Ezra de schriftgeleerde zeide: Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen, die dit in het hart des konings heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken zou.

3 Ezra 8:63
En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.

3 Ezra 8:81
Ja, toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Here onze God, maar hij heeft ons in genade gesteld voor de koningen der Perzen, om ons spijs te geven.

3 Ezra 9:39
En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls was gegeven.

3 Ezra 9:41
En hij las die in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde hun zinnen tot de wet.

3 Ezra 9:46
En als hij de wet uitlegde, zo stonden zij rechtop. En Ezra loofde de Here, de hoogste God, de God der heerscharen, de almachtige;

4 Ezra 2:34
Daarom zeg ik tot u, gij heidenen, die dat hoort en verstaat: Verwacht uw Herder, hij zal u een eeuwige rust geven, want hij is nabij, die aan het einde der wereld zal komen.

4 Ezra 2:43
En in het midden van hen was een jongeling van aanzienlijke grootte, hoger dan die allen, en hij zette een kroon op een ieder van hun hoofden, en hij werd meer verhoogd: zodat ik mij zeer verwonderde.

4 Ezra 2:47
En hij antwoordde mij en zeide: Het is de Zoon Gods, die zij in de wereld hebben beleden. Toen begon ik hen hogelijk te verheffen, die zo kloekmoedig voor de naam des Heren gestaan hadden.

4 Ezra 3:5
En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had doch het was ook een maaksel uwer handen, en gij hebt hem een geest des levens ingeblazen en hij is levend voor u geworden.

4 Ezra 3:6
En hebt hem in het Paradijs gezet hetwelk uw rechterhand gemaakt had, eer hij uit de aarde was gekomen.

4 Ezra 3:7
En hebt hem geboden uw weg lief te hebben, maar hij heeft die overtreden; en gij hebt de dood over hem doen komen en over zijn nakomelingen. En daar zijn volken voortgekomen, en stammen, en lieden, en geslachten, welker getal niet is te tellen.

4 Ezra 3:24
En gij hebt hem gezegd, dat hij uw naam een stad zou bouwen, en dat men u daarin wierook en offeranden zou offeren.

4 Ezra 4:3
En ik zeide: Ja mijn Here. En hij antwoordde mij en sprak: Ik ben tot u gezonden om drie wegen aan te wijzen, en om drie gelijkenissen u voor te stellen,

4 Ezra 4:5
Toen sprak ik: Zeg aan mij Here; en hij zeide tot mij: Ga heen, en weeg mij het gewicht des vuurs, of meet me het geblaas van de wind, of roep mij de dag weer, die voorbijgegaan is.

4 Ezra 4:7
Toen zeide hij tot mij: Indien ik u vroeg en zeide: Hoeveel woningen zijn er in het hart der zee? of hoeveel aderen zijn er in het begin des afgronds? of hoeveel aderen zijn er boven het firmament? of welke zijn de uitgangen van het Paradijs?

4 Ezra 4:10
En hij zeide tot mij: Uw eigen dingen, die met u zijn opgewassen, kunt gij niet kennen,

4 Ezra 4:13
Toen antwoordde hij mij, en zeide: Ik ging eens in een bos van bomen des velds, welke maakten een aanslag,

4 Ezra 4:20
En hij antwoordde mij en zeide: Gij hebt wèl geoordeeld, doch waarom hebt gij ook niet geoordeeld voor u zelf?

4 Ezra 4:25
Maar wat zal hij doen met zijn naam, die over ons aangeroepen is? Van deze dingen dan heb ik gevraagd.

4 Ezra 4:26
Toen antwoordde hij mij, en zeide: Indien gij veel onderzoekt, zo zult gij u dikwijls verwonderen, want de tijd dezer wereld loopt zeer haastig heen,

4 Ezra 4:34
Toen antwoordde hij, en zeide tot mij: Haast u niet om over de Allerhoogste te zijn; want gij haast u tevergeefs om over hem te zijn, en gij gaat u veel te buiten.

4 Ezra 4:36
En Jeremiël de archangel antwoordde daarop, en zeide: Als dan, wanneer het getal der zaden onder u zal vervuld zijn; want hij heeft de wereld gewogen in een balans,

4 Ezra 4:37
En hij heeft de tijden met een maat gemeten, en heeft de tijden met een getal geteld, en hij beweegt en roert het niet, totdat de voorzegde maat vervuld is.

4 Ezra 4:40
En hij antwoordde, en zeide tot mij: Ga, en vraag een zwangere vrouw, wanneer zij haar negen maanden vervuld heeft, of haar baarmoeder de vrucht nog zal kunnen bij zich houden.

4 Ezra 4:41
En ik zeide: Neen, zij kan niet Here; en hij zeide tot mij: In de hel zijn de binnenkameren der zielen aan de baarmoeder gelijk.

4 Ezra 4:47
En hij zeide tot mij: Sta aan de rechterzijde, en ik zal u de verklaring daarvan door een gelijkenis voorstellen.

4 Ezra 4:50
En hij zeide tot mij: Denk bij u zelf, gelijk de regen meer aanwast dan de druppelen, en het vuur dan de rook, zo is de maat, die voorbij is, overvloediger, doch de druppelen en de rook zijn nog overgebleven.

4 Ezra 4:52
Toen antwoordde hij mij en zeide: Van de tekenen waarvan gij mij vraagt, kan ik u ten dele zeggen, maar van uw leven ben ik niet gezonden u te zeggen, want ik weet het ook niet.

4 Ezra 5:6
En hij zal heersen, die niet verwachten die op de aarde wonen, en het gevogelte zal wegtrekken.

4 Ezra 5:19
En ik zeide tot hem: Ga van mij, en nader niet tot mij. En hij hoorde mij, naar ik gezegd had, en hij week van mij.

4 Ezra 5:32
En hij zeide tot mij: Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en luister naar mij, en ik wil u verder zeggen.

4 Ezra 5:33
Toen zeide ik: Spreek mijn Here. En hij zeide tot mij: Uw geest is te zeer bekommerd over Israël; hebt gij dat volk liever, dan degene die het gemaakt heeft?

4 Ezra 5:35
En hij zeide tot mij: Dat kunt gij niet. Doch ik sprak: Waarom Here? Waartoe ben ik dan geboren, of waarom was mij de schoot van mijn moeder niet een graf, opdat ik de kommer Jakobs niet zou zien, en de moeite van het geslacht Israëls?

4 Ezra 5:36
En hij zeide tot mij: Vertel mij de dingen die nog niet zijn gekomen: en vergader mij de verstrooide druppelen, en maak mij de verdorde bloemen wederom groen.

4 Ezra 5:40
Toen zeide hij tot mij: Gelijk gij niet doen kunt een der dingen, die gezegd zijn, zo zult gij ook mijn oordeel niet vinden, noch de eigenlijke liefde, die ik mijn volk toegezegd heb.

4 Ezra 5:42
En hij zeide tot mij: Ik wil mijn oordeel met een cirkel vergelijken; gelijk de laatste geen vertraging is, alzo is de eerste geen verhaasting.

4 Ezra 5:44
En hij antwoordde en zeide: Het schepsel kan de Schepper niet voorkomen, noch de wereld op eenmaal dragen, die daarin geschapen zullen worden.

4 Ezra 5:46
En hij zeide tot mij: Vraag de baarmoeder ener vrouw, en zeg tot haar: Zo gij baart, waarom doet gij dat op verscheiden tijd? Bid haar dan dat zij er tien op eenmaal geve.

4 Ezra 5:48
Toen zeide hij: Ik heb ook de baarmoeder der aarde gegeven, voor degenen die daarop gezaaid zijn tot verscheiden tijden.

4 Ezra 5:51
Toen antwoordde hij, en zeide tot mij: Vraag degene die baart, en zij zal het u zeggen;

4 Ezra 6:1
EN hij zeide tot mij: Van toen af dat de aardbodem zijn begin had, en eer de einden der wereld vaststonden, en eer de winden tezamen bliezen,

4 Ezra 6:8
En hij zeide tot mij: Van Abraham tot op Izaäk, toen Jakob en Ezau van hem geboren zijn, zo hield de hand Jakobs van het begin de verzenen van Ezau;

4 Ezra 6:13
En hij antwoordde en zeide tot mij: Sta op uw voeten, en hoor de volkomen stem des geluids.

4 Ezra 6:15
Daarom als hij spreekt, zo verschrikt niet, want het woord zal zijn van het einde, en het fundament der aarde wordt daarbij ook verstaan;

4 Ezra 6:29
En het geschiedde, toen hij met mij sprak, dat ik hem allengskens aanzag, voor wie ik stond.

4 Ezra 6:30
En hij sprak tot mij: Ik ben gekomen om u te tonen de tijd van de toekomende nacht.

4 Ezra 6:33
En daarom heeft hij mij gezonden, om dit alles aan te tonen, en u te zeggen: Heb goede moed en vrees niet,

4 Ezra 6:51
En gij hebt aan Behemoth het ene deel gegeven, dat op de derde dag was gedroogd, opdat hij daarin zou wonen, waar duizend bergen zijn.

4 Ezra 6:52
De Leviathan nu hebt gij het zevende deel des waters gegeven, en hebt hem bewaard, opdat hij zij tot een verslinding degene, die gij wilt, en wanneer gij wilt.

4 Ezra 7:2
En hij zeide tot mij: Sta op Ezra, en hoor de woorden, die ik gekomen ben tot u te spreken.

4 Ezra 7:3
En ik zeide: Spreek mijn God! en hij zeide tot mij: De zee is in een diepe plaats gesteld, opdat zij diep en groot zij,

4 Ezra 7:5
Want wie zou gaarne in de zee willen gaan, en ze zien en beheersen; indien hij niet door het enge ging, hoe zou hij in de wijdte kunnen komen?

4 Ezra 7:9
Indien nu deze stad iemand tot een erve gegeven werd, en hij nooit het voorgestelde gevaar zou doorgaan, hoe zal hij zijn erve verkrijgen?

4 Ezra 7:10
En ik sprak: Het is zo Here; en hij zeide tot mij: Zo is ook het deel Israëls:

4 Ezra 7:19
En hij zeide tot mij: Daar is geen rechter boven God, en geen verstandige boven de Allerhoogste.

4 Ezra 7:23
En hebben zichzelf bedriegerijen der zonde voorgesteld, en hebben bovendien tot de Allerhoogste gezegd, dat hij niet is, en hebben zijn wegen niet gekend.

4 Ezra 7:39
En Elia voor degenen, die de regen ontvingen, en voor degene, die dood was, dat hij leven mocht;

4 Ezra 7:42
En hij antwoordde en zeide tot mij: De tegenwoordige eeuw is niet het einde, veel heerlijkheid blijft nog in deze; daarom hebben zij voor de zwakken gebeden.

4 Ezra 7:46
Toen antwoordde ik, en zeide: Dit is mijn eerste en laatste reden, dat het beter ware geweest aan Adam het aardrijk niet te geven, of als hij het hem gegeven had, hem te beletten dat hij niet zou zondigen.

4 Ezra 7:57
En hij antwoordde en zeide: Dit is de bedenking des strijds, die de mens op aarde geboren, moet strijden,

4 Ezra 7:58
Opdat hij lijde hetgeen gij gezegd hebt, indien hij overwonnen wordt, maar indien hij overwint, zo zal hij ontvangen hetgeen ik zeg.

4 Ezra 7:59
Want dit is dat leven, waarvan Mozes sprak tot het volk, toen hij leefde, en zeide: Verkiest u het leven, opdat gij leeft.

4 Ezra 7:62
En ik antwoordde en zeide: Ik weet Here dat de Allerhoogste daarom barmhartig genoemd is, omdat hij zich hunner ontfermt, die nog in de wereld niet zijn gekomen,

4 Ezra 7:63
En dat hij zich die ontfermt, die zich bekeren tot zijn wet.

4 Ezra 7:64
En dat hij lankmoedig is; want hij bewijst lankmoedigheid aan degenen, die gezondigd hebben, als zijn schepselen.

4 Ezra 7:65
En dat hij weldadig is; want hij wil geven naar dat nodig is.

4 Ezra 7:66
En dat hij van grote barmhartigheid is, want hij bewijst menigvuldige barmhartigheid degenen die tegenwoordig zijn, en die voorbij zijn, en nog zijn zullen.

4 Ezra 7:67
Want zo hij zijn menigvuldige barmhartigheid niet bewees, zo zou de wereld niet levend worden gemaakt, met degenen, die daarin erfenis zullen hebben.

4 Ezra 7:68
En hij vergeeft; want indien hij niet vergaf naar zijn goedheid, opdat degenen, die ongerechtigheid gedaan hebben, van hun ongerechtigheden werden verlicht, zo zou het tienduizendste deel der mensen niet levend gemaakt worden.

4 Ezra 8:1
EN hij antwoordde en zeide tot mij: De Allerhoogste heeft deze wereld gemaakt voor velen, maar de toekomende voor weinigen.

4 Ezra 8:20
Het begin der woorden van Ezra, eer hij werd opgenomen. En ik zeide: Here, die de eeuwigheid bewoont, wiens ogen in de hoogte verheven zijn, en in de lucht nederzien;

4 Ezra 8:37
En hij antwoordde en zeide tot mij: Gij hebt sommige dingen recht gesproken, en naar uw redenen zal het ook geschieden.

4 Ezra 8:46
En hij antwoordde en zeide tot mij: De tegenwoordige dingen zijn voor de tegenwoordige, maar de toekomstige voor de toekomstige.

4 Ezra 8:59
Want gelijk ulieden zal wedervaren hetgeen tevoren gezegd is, zo zal hun dorst en smart wedervaren, welke hun toebereid zijn. Want hij heeft niet gewild, dat de mens teniet zou worden.

4 Ezra 9:1
TOEN antwoordde hij, en zeide tot mij: Meet vlijtig de tijd in zich zelf, en het zal geschieden, wanneer een deel der tekenen, die voorzegd zijn, zal voorbij gegaan zijn,

4 Ezra 9:8
Dat hij (zeg ik) zal bevrijd worden van de voorzegde gevaren, en hij zal mijn zaligheid zien in mijn land, en in mijn palen; want ik heb mij die geheiligd van de eeuwen aan.

4 Ezra 9:16
En hij antwoordde en sprak tot mij:

4 Ezra 9:26
En ik ben heengegaan, gelijk hij mij gezegd had, in het veld hetwelk Ardath heet, en ik zat aldaar in de bloemen; en ik at van het kruid des akkers, en ik werd van zijn spijs verzadigd.

4 Ezra 9:45
En het is geschied na dertig jaren, dat God mij, uw dienst maagd verhoord heeft, en hij heeft mijn vernedering gezien, en hij heeft mijn angst aangemerkt, en hij heeft mij een zoon gegeven, en wij hebben grote vreugde over hem gehad, ik en mijn man, en al mijn medeburgers, en wij vereerden de almachtige God zeer.

4 Ezra 9:47
En toen hij opgewassen was, en, de tijd gekomen was, dat hij een vrouw zou nemen, zo heb ik een maaltijd toebereid.

4 Ezra 10:1
EN het is geschied, toen mijn zoon in zijn slaapkamer ging, dat hij neergevallen en gestorven is.

4 Ezra 10:28
Waar is Uriël de engel, die van den beginne tot mij gekomen is? Want hij heeft gemaakt, dat ik door vele gedachten tot deze verrukking van zinnen gekomen ben, en mijn einde is geworden tot verderfenis, en mijn gebed tot smaadheid.

4 Ezra 10:29
En als ik dit gesproken had, ziet, zo kwam hij tot mij en zag mij.

4 Ezra 10:30
En ik lag als een dode, en mijn verstand was mij benomen, en hij nam mij bij de rechterhand, en sterkte mij, en stelde mij op mijn benen, en zeide tot mij:

4 Ezra 10:33
En hij zeide tot mij: Sta als een man, en ik zal u onderrichten. En ik zeide:

4 Ezra 10:37
Nu dan, zo bid ik u, dat gij uw knecht toont wat deze verrukking van zinnen is. En hij antwoordde mij, en zeide:

4 Ezra 10:39
Hij heeft gezien dat uw weg recht is, want gij waart zonder ophouden beroerd over uw volk, en waart zeer treurig over Sion.

4 Ezra 10:50
En nu ziet de Allerhoogste, dat gij van harte bedroefd zijt, en omdat gij van ganser harte bekommerd zijt over haar, zo heeft hij u de klaarheid van haar heerlijkheid getoond, en de schoonheid van haar versiersel.

4 Ezra 10:60
En ik sliep die nacht, en de volgende, gelijk hij mij gezegd had.

4 Ezra 11:2
En ik zag, en ziet, hij strekte zijn vleugelen uit over de gehele aarde, en al de winden des hemels woeien daarop, en werden vergaderd.

4 Ezra 11:4
Want zijn hoofden waren in rust, en het middelste hoofd was groter dan de andere hoofden, en hij was met deze ook in rust.

4 Ezra 11:37
En ik zag, en ziet, een leeuw, als een leeuw die brult, van het bos snel lopende, en ik zag dat hij een mensenstem uitgaf tot de arend, en zeide:

4 Ezra 12:6
Nu dan, ik zal de Allerhoogste bidden, dat hij mij versterke tot het einde.

4 Ezra 12:10
En hij zeide tot mij: Dit is de verklaring van dit gezicht:

4 Ezra 12:28
Want het zwaard des enen zal verslinden hem die met hem is, maar nochtans zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen.

4 Ezra 12:32
Deze is de wind, die de Allerhoogste tot het einde toe behouden heeft, tegen hen en hun goddeloosheid, en hij zal hen bestraffen, en hij zal over henzelf hun verscheuring brengen.

4 Ezra 12:33
Want hij zal hen levend voor het gericht stellen, en het zal geschieden, als hij hen zal overtuigd hebben, dat hij hen zal straffen.

4 Ezra 12:34
Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn palen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag des oordeels komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb.

4 Ezra 12:40
En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was wedergekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste vergaderd, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende:

4 Ezra 12:51
Doch ik zat nog zeven dagen in het veld, gelijk hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen des akkers, en uit de kruiden is mij spijs geworden in die dagen.

4 Ezra 13:3
En ik zag, en ziet, een man werd gesterkt met de duizenden des hemels, en waar hij zijn aangezicht keerde om op te merken, daar verschrikte alles wat onder hem gezien werd.

4 Ezra 13:6
En ik zag, en ziet, hij had zichzelf een grote berg uitgesneden, en hij vloog daarop.

4 Ezra 13:9
En zie, zodra als hij het geweld der aankomende menigte zag, zo hief hij zijn hand niet op, en hield geen zwaard noch enig krijgsgeweer, maar alleen zag ik dit,

4 Ezra 13:10
Dat hij uit zijn mond liet gaan als een vurige wind, en uit zijn lippen een vlammende adem, en van zijn tong liet hij uitgaan vonken en onweder, en deze allen zijn te zamen vermengd geworden, namelijk de vurige wind, en de vlammende adem, en het groot onweder.

4 Ezra 13:20
Maar nochtans, is het verdragelijker dat men hierin kome met gevaar, en nu zie de dingen die in het laatste geschieden zullen, dan dat men door de wereld ga als een wolk. En hij antwoordde en zeide tot mij:

4 Ezra 13:26
Deze is het, die de Allerhoogste nu vele tijden bewaart, die door zichzelf zijn schepsel zal verlossen, en hij zal tot orde brengen degenen, die overgelaten zijn.

4 Ezra 13:28
En dat hij geen zwaard hield, noch enig krijgsgeweer, en zijn geweld nochtans verdierf de ganse menigte die gekomen was om hem te bestrijden, daarvan is dit de verklaring:

4 Ezra 13:30
En hij zal in een verrukking van zinnen komen over degenen, die de aarde bewonen.

4 Ezra 13:33
En wanneer alle volken zijn stem zullen horen, zo zal een ieder in zijn land zijn krijg, die hij tegen de andere had, laten varen.

4 Ezra 13:35
Doch hij zal staan op de spits van de berg Sion.

4 Ezra 13:38
Die met de vlam worden vergeleken; en hij zal hen verderven zonder arbeid, door de wet, die met vuur wordt vergeleken.

4 Ezra 13:39
En dat gij gezien hebt, dat hij een andere vreedzame menigte tot zich vergaderd heeft;

4 Ezra 13:49
Het zal dan geschieden, wanneer hij zal beginnen te verderven de menigte dergenen, die uit de volken vergaderd zijn, dat hij zal beschermen het volk hetwelk overgebleven is.

4 Ezra 13:50
En alsdan zal hij hun vele wondertekenen tonen.

4 Ezra 13:51
Toen zeide ik: O heersende Here, toon mij toch dit, waarom ik gezien heb, dat de man van het midden der zee opkwam. En hij zeide tot mij:

4 Ezra 13:57
Toen ben ik in het veld heengegaan, de Allerhoogste zeer lovende en prijzende, vanwege de wonderen die hij van tijd tot tijd deed;

4 Ezra 13:58
En dat hij de tijd, met hetgeen in de tijden teweeggebracht werd, regeert. En ik zat aldaar drie dagen.

4 Ezra 14:2
En zie een stem kwam tegen mij uit van het doornbos, en zeide: Ezra, Ezra! En ik zeide: Zie hier ben ik Here, en ik stond op, op mijn voeten, en hij zeide tot mij:

4 Ezra 14:23
En hij antwoordde mij en zeide: Ga en verzamel het volk, en zeg tot hen, dat zij u in veertig dagen niet zoeken.

4 Ezra 14:27
Toen ging ik heen, gelijk hij mij beval, en ik vergaderde al het volk, en zeide:

4 Ezra 14:32
En alzo hij een rechtvaardig rechter is, zo heeft hij van ulieden indertijd genomen, hetgeen hij gegeven had.

4 Ezra 14:37
En ik nam de vijf mannen tot mij, gelijk hij mij bevolen had. en wij gingen naar het veld, en bleven daar.

4 Ezra 15:17
Want een mens zal begeren in een stad te gaan, en hij zal niet kunnen.

4 Ezra 15:26
Want de Here kent al degenen, die tegen hem zondigen, daarom heeft hij hen overgegeven ter dood en ter slachting.

4 Ezra 16:10
Hij zal bliksemen, en wie zal niet vrezen? Hij zal donderen, en wie zal niet beven?

4 Ezra 16:54
De zondaar zegge niet, dat hij niet heeft gezondigd, want vurige kolen zal hij op het hoofd desgenen branden, die zegt: Ik heb niet gezondigd voor God de Here en voor zijn heerlijkheid.

4 Ezra 16:56
Want hij heeft gezegd: De aarde worde, en zij is geworden, en de hemel worde, en hij is geworden.

4 Ezra 16:57
En door zijn woord zijn de sterren gefundeerd, en hij weet haar getal.

4 Ezra 16:58
Hij is het die de afgrond doorgrondt, en zijn schatten; die de zee afmeet, en haar begrip.

Tobias (Tobit) 1:21
En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

Tobias (Tobit) 1:24
En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.

Tobias (Tobit) 1:25
En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.

Tobias (Tobit) 2:3
En hij weder komende zeide: Vader, een uit ons geslacht ligt verworgd en geworpen op de markt.

Tobias (Tobit) 2:6
En ik werd gedachtig der profetie van Amos gelijk hij gezegd had:

Tobias (Tobit) 2:9
En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig geweest, en ziet, wederom begraaft hij de dode.

Tobias (Tobit) 3:19
Ik ben een eniggeborene mijns vaders, en hij heeft geen kind dat zijn erfgenaam zijn zal;

Tobias (Tobit) 4:1
OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië, in bewaring gegeven had.

Tobias (Tobit) 4:2
En hij zeide bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden, waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve, eer ik sterf? En hem geroepen hebbende, zeide hij:

Tobias (Tobit) 4:16
Kind, heb acht op uzelf in al uw werken, en zijt voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand hetgeen hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat geen dronkenschap met u reizen op uw weg.

Tobias (Tobit) 4:20
Loof de Here te allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang mogen hebben. Want geen volk heeft raad bij zich; maar de Here zelf geeft al het goed, en zo wie hij wil vernedert hij, gelijk het hem belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden, en laat die uit uw hart niet uitgewist worden.

Tobias (Tobit) 5:3
En toen gaf hij hem het handschrift, en zeide tot hem:

Tobias (Tobit) 5:5
En hij ging heen om een man te zoeken, en hij vond Rafaël,

Tobias (Tobit) 5:6
Welke was een engel, maar hij wist het niet.

Tobias (Tobit) 5:7
En hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen trekken tot Ragis in Medië?

Tobias (Tobit) 5:10
En Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, en vertoef niet.

Tobias (Tobit) 5:11
En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.

Tobias (Tobit) 5:12
En hij kwam in, en zij groetten elkander.

Tobias (Tobit) 5:14
En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.

Tobias (Tobit) 5:15
Hij dan zeide: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een uwer broederen.

Tobias (Tobit) 5:23
En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden wel.

Tobias (Tobit) 5:25
En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?

Tobias (Tobit) 5:28
En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg, zuster, hij zal gezond weder komen, en uw ogen zullen hem zien.

Tobias (Tobit) 5:29
Want een goede engel zal met hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weder keren; en zij hield op van schreien.

Tobias (Tobit) 6:3
En hij wilde de jongeling verslinden.

Tobias (Tobit) 6:9
En hij zeide tot hem: Wat het hart en de lever betreft, indien iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest, moet gij roken die voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.

Tobias (Tobit) 6:10
En bestrijk met de gal een mens, die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.

Tobias (Tobit) 6:12
Zo zeide de engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen heden te Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.

Tobias (Tobit) 6:14
En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen meer dan enig man.

Tobias (Tobit) 6:21
Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich uwer ontfermen.

Tobias (Tobit) 6:23
En als Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.

Tobias (Tobit) 7:5
En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem wel.

Tobias (Tobit) 7:6
En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.

Tobias (Tobit) 7:7
En Raguël sprong op en kuste hem, en weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren, werd hij bedroefd en weende.

Tobias (Tobit) 7:9
En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.

Tobias (Tobit) 7:14
En hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.

Tobias (Tobit) 7:15
En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.

Tobias (Tobit) 7:16
En hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift en verzegelde dat.

Tobias (Tobit) 7:19
En zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, en zij weende, en ontving ook de tranen van haar dochter,

Tobias (Tobit) 8:2
En als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël, en nam de as der reukofferen, en legde het hart en de lever van de vis daarop en maakte rook.

Tobias (Tobit) 8:3
En als de duivel de reuk rook, zo vlood hij naar de bovenste delen van Egypte, en de engel bond hem daar.

Tobias (Tobit) 8:11
Zend een der dienstmaagden, en laat haar zien of hij leeft; en indien niet, dat ik hem mag begraven, en het niemand wete.

Tobias (Tobit) 8:13
En zij kwam weder uit, en boodschapte hun, dat hij leefde.

Tobias (Tobit) 8:16
En hij beval de huisknechten het graf te stoppen.

Tobias (Tobit) 8:17
En hij bereidde hun een bruiloft van veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met ede, eer de dagen der bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij de veertien dagen der bruiloft volbracht zouden zijn.

Tobias (Tobit) 8:18
En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan zijn,

Tobias (Tobit) 9:5
En indien ik lang vertoef, zo zal hij zeer bedroefd worden.

Tobias (Tobit) 10:3
En hij werd zeer bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen, dewijl hij zo lang vertoeft.

Tobias (Tobit) 10:6
En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil, en bekommer u niet, hij is gezond.

Tobias (Tobit) 10:7
Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken was.

Tobias (Tobit) 10:9
Totdat de veertien dagen der bruiloft voleindigd waren, welke Raguël gezworen had dat hij daar moest doorbrengen.

Tobias (Tobit) 10:12
En als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God des hemels geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws mans ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar.

Tobias (Tobit) 10:13
En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.

Tobias (Tobit) 11:1
EN hij reisde voort totdat zij kwamen te Nineve.

Tobias (Tobit) 11:6
En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:

Tobias (Tobit) 11:8
Strijk gij de gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.

Tobias (Tobit) 11:10
En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.

Tobias (Tobit) 11:11
En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en weende en zeide:

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Tobias (Tobit) 12:3
Want hij heeft mij u gezond wedergebracht en mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald, en u insgelijks genezen; en de oude man zeide: Hem zal recht geschieden.

Tobias (Tobit) 12:4
En hij riep de engel, en zeide tot hem:

Tobias (Tobit) 12:7
Toen riep hij hen beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God, en dankt hem, en geeft hem heerlijkheid, en dankt hem voor het aanschijn aller levenden, vanwege de dingen die hij u gedaan heeft. Het is goed dat men God love en zijn naam verheffe, en de redenen der werken Gods eerbiedig aanwijze; daarom vertraagt niet hem te danken.

Tobias (Tobit) 12:17
Doch hij zeide tot hen: Vreest niet, want vrede zal u zijn, maar looft God.

Tobias (Tobit) 13:2
Geloofd zij God die in der eeuwigheid leeft, en geloofd zij zijn koninkrijk. Want hij kastijdt en ontfermt; hij legt neder in de hel, en brengt er weder uit, en daar is niemand die zijn hand zal ontvluchten.

Tobias (Tobit) 13:3
Dankt hem, gij kinderen Israëls, voor de heidenen, dewijl hij ons onder deze heeft verstrooid; vertoont daar zijn grote heerlijkheid, en verheft hem voor het aanschijn van alles wat leeft, gelijk hij onze Here is, en God onze Vader is in alle eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 13:4
Hij zal ons kastijden in onze ongerechtigheden, en zal zich weder onzer ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder welke hij ons verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid voor zijn aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren, en zal zijn aangezicht voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;

Tobias (Tobit) 13:7
Keert weder gij zondaars, en doet gerechtigheid voor zijn aanschijn; wie weet het, of hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid bewees?

Tobias (Tobit) 13:10
Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u kastijden over de werken uwer kinderen, en hij zal zich weder ontfermen over de kinderen der rechtvaardigen.

Tobias (Tobit) 13:11
Dankt de Here, want hij is goed, en looft de Koning der eeuwigheid, opdat zijn tabernakel weder met vreugde in u mag gebouwd worden;

Tobias (Tobit) 13:12
En hij de gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, in alle geslachten der wereld.

Tobias (Tobit) 14:2
En was acht en vijftig jaren oud, toen hij het gezicht verloor.

Tobias (Tobit) 14:3
En na acht jaren werd hij weder ziende,

Tobias (Tobit) 14:5
En hij voer voort God de Here te vrezen, en beleed hem openlijk.

Tobias (Tobit) 14:6
En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar Medië, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in Medië zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.

Tobias (Tobit) 14:10
Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan heeft aan Achiachar, die hem opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.

Tobias (Tobit) 14:13
En als hij dit zeide, begaf hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig jaren oud; en hij begroef hem heerlijk.

Tobias (Tobit) 14:14
En als Anna, zijn moeder, gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader.

Tobias (Tobit) 14:15
En kwam tot een goede ouderdom met ere, en hij begroef zijn schoonvader en schoonmoeder heerlijk, en erfde hun goed, en het goed zijns vaders Tobias.

Tobias (Tobit) 14:16
En hij stierf, oud zijnde honderdenzevenentwintig jaren te Ecbatana in Medië.

Tobias (Tobit) 14:17
En eer hij stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve, welke Nabuchodonosor en Assuërus ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over Nineve, eer hij stierf.

Judith 1:11
Doch al de inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.

Judith 1:12
En Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al de landpalen van Cilicië, en Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat men komt aan de landpalen van de twee zeeën.

Judith 1:13
En hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde zijn steden.

Judith 1:14
En kwam tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij tot schande.

Judith 1:15
En hij ving Arfaxad in de gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.

Judith 1:16
En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.

Judith 2:1
EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag der eerste maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk hij gezegd had.

Judith 2:2
En hij riep al zijn dienstknechten, en al zijn groten bijeen, en hij stelde hun voor de verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat land.

Judith 2:4
En het geschiedde, als hij zijn raadslag geëindigd had, zo riep Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, Holofernes, de veldoverste zijns legers, die de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:

Judith 2:8
En heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een zeer grote menigte; mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal.

Judith 2:10
En hij nam goud en zilver uit des konings huis, zeer veel.

Judith 2:11
En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.

Judith 2:12
En zij trokken uit van Nineve drie dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth; en hij sloeg zijn leger van Bektileth af, bij de berg die aan de linkerzijde ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen, en trok van daar naar het gebergte.

Judith 2:13
En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, die daar woonden aan de woestijn tegen het zuiden des lands Chellon, en hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië,

Judith 2:15
En hij nam de landpalen van Cilicië in, en versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam tot aan de landpalen van Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen.

Judith 2:16
En hij omringde al de kinderen van Midian, en verbrandde hun woonhutten, en beroofde hun stallingen,

Judith 2:17
En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.

Judith 3:7
En hij met zijn heerkracht trok af naar de zeekant,

Judith 3:10
En hij verstoorde al hun landpalen en hieuw hun bossen af.

Judith 3:11
En het was bij hem besloten, dat hij al de goden des lands zou vernielen,

Judith 3:13
En hij kwam in het gezicht van die van Esdrelon bij Dothea, welke ligt tegenover de grote engte van Judea.

Judith 3:14
En hij sloeg zijn leger tussen Gaba en Scythopolis, en hij was daar een ganse maand stil, opdat hij al de bagage zijns legers bijeenvergaderde.

Judith 4:1
EN de kinderen Israëls, die in Judea woonden, hoorden al wat Holofernes, de krijgsoverste des konings van Assyrië, aan die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om te vernielen.

Judith 4:13
En zij riepen eendrachtig en met ernst tot de God Israëls, dat hij toch hun jonge kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot buit, noch de steden hunner erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde.

Judith 4:17
En zij riepen tot de Here van ganser kracht, dat hij het gehele huis Israëls ten goede bezoeken wilde.

Judith 5:2
En hij werd zeer toornig, en hij riep al de oversten der Moabieten, en de krijgsoversten der Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee.

Judith 5:3
En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.

Judith 5:11
En zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland met plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.

Judith 5:20
Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die hij hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer verwoest geworden.

Judith 6:4
En hun bergen zullen dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen vervuld worden met hun doden, en niet een voetstap hunner voeten zal bestaan voor ons aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks, want hij heeft het gezegd, en de woorden zijner rede zullen niet ijdel zijn.

Judith 6:13
En hij, antwoordende, verhaalde hun de woorden van de raad van Holofernes en al de woorden die hij gesproken had in het midden van de oversten der kinderen van Assur; wat hoogmoedige taal Holofernes had gesproken tegen het huis Israëls.

Judith 7:17
Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, die ons vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden onzer vaderen, opdat hij niet doe naar deze woorden op de dag van heden.

Judith 7:19
En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.

Judith 7:20
Doch zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens van hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en kinderen naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering in de stad.

Judith 8:2
En haar man was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen des gerstenoogstes.

Judith 8:3
Want hij stond bij degene die de schoven bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld dat tussen Dothaïm en Belamon ligt.

Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

Judith 8:14
Niet alzo, broeders, verwekt de Here, onze God, niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen ons niet helpen wil, hij heeft de macht om ons te beschutten in welke dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen voor het aanschijn onzer vijanden.

Judith 8:15
Doch stelt gij de raadslagen van de Here, onze God, niet ten pand, want God is niet als een mens, dat hij zou bedreigd worden, noch als een zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.

Judith 8:16
Daarom laat ons op zijn verlossing wachten, en hem aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze stem verhoren, indien het hem behagelijk is.

Judith 8:19
Maar wij erkennen geen andere God dan hem, waarom wij hopen dat hij ons niet zal verachten, noch iemand van ons geslacht.

Judith 8:20
Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen beroofd worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging derzelve van onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen, en de gevangenis des lands, en de verwoesting onzer erve op ons hoofd wenden onder de heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade, maar de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.

Judith 8:21
En nu, broeders, laat ons onze broederen een voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven af, en het heiligdom, en het huis Gods, en het altaar steunt op ons. Boven dit alles, laat ons de Here, onze God, danken die ons verzoekt, gelijk hij ook onze vaders verzocht heeft.

Judith 8:22
Gedenkt wat hij met Abraham al gedaan heeft.

Judith 8:23
En hoe hij Izaäk verzocht heeft, en wat Jakob al is overkomen in Mesopotamië in het land Syrië, als hij de schapen hoedde van Laban, zijns moeders broeder,

Judith 8:24
Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.

Judith 10:13
En ik kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste uws legers, om hem waarachtige woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor hij trekken zal, en het gehele gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen, noch iets dat leven heeft.

Judith 10:16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.

Judith 10:18
En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel, hetwelk van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was tezamen geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen.

Judith 11:7
En nu wat aangaat de rede, die Achior gesproken heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord, dewijl hem de mannen van Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd alles wat hij voor u uitgesproken heeft. Daarom, heersende heer, verwerp zijn rede niet, maar laat ze u ter harte gaan, dewijl zij waarachtig is.

Judith 11:14
Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.

Judith 11:20
En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, opdat in onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven worden.

Judith 12:1
EN hij beval dat men haar brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken zou van zijn wijn.

Judith 12:4
En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer, uw dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben hetgeen ik bij mij heb, of de Here zal door mijn hand gedaan hebben, hetgeen Hij heeft beraadslaagd.

Judith 12:8
En als zij weder opkwam, bad zij de Here, de God Israëls, dat Hij haar weg richten wilde, tot oprichting van de kinderen haars volks.

Judith 12:10
En het geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienstknechten, en riep niemand daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.

Judith 12:16
En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.

Judith 12:20
En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, van dat hij geboren was.

Judith 13:13
En Judith zeide van verre tot degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doet open! doet toch de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, gelijk hij ook heden gedaan heeft.

Judith 13:18
Looft God, looft Hem; looft God, die zijn barmhartigheid van het huis Israëls niet afwendt, maar hij heeft onze vijanden verwond door mijn hand, in deze nacht.

Judith 13:19
En zij trok het hoofd van Holofernes uit de zak, en toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier het hoofd van Holofernes, de veldoverste van het leger der Assyriërs, en ziet hier, en ziet het behangsel onder hetwelk hij gelegen heeft in zijn dronkenschap, en de Here heeft hem geslagen door de hand ener vrouw.

Judith 13:20
En zo waarachtig als de Here leeft, die mij bewaard heeft in mijn weg, die ik heengegaan ben, dat mijn aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen zonde tot bevlekking en schaamte met mij begaan.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:12
Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep.

Judith 14:13
En als hij niemand hoorde, deed hij open, en kwam in de slaapkamer.

Judith 14:14
En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luider stem, met geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde zijn klederen.

Judith 14:15
En hij ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors, want ziet Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem.

Judith 16:3
Want de Here is een God, die de krijgen vermorzelt: want hij heeft in zijn leger, in het midden des volks, mij verlost, uit de hand dergenen, die mij vervolgden.

Judith 16:5
Hij kwam in met vele duizenden zijner macht, welker menigte verstopte de waterbeken, en hun ruiterij bedekte de heuvelen.

Judith 16:6
Hij zeide, dat hij mijn landpalen zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen tegen de aarde slaan, en mijn jonge kinderen tot buit geven, en mijn maagden wegroven.

Judith 16:17
Dat al uw schepsel u diene, want gij hebt het gezegd, en zij zijn geworden. Gij hebt uw geest uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en daar is niemand die uw stem zal wederstaan.

Judith 16:21
Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven, en zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid huilen.

Boek der Wijsheid 1:2
Want hij wordt gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt die, die hem niet wantrouwen.

Boek der Wijsheid 1:14
Want hij heeft alle dingen geschapen om te zijn, en de beginselen der wereld zijn heilzaam, en in deze is geen venijn des verderfs, en het rijk der hel is niet op aarde.

Boek der Wijsheid 2:12
Laat ons op de rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig, en stelt zich tegen onze werken, en verwijt ons de zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht van ons vanwege de zonden onzer wandeling.

Boek der Wijsheid 2:13
Hij wendt voor dat hij kennis van God heeft, en noemt zichzelf een kind des Heren.

Boek der Wijsheid 2:14
Hij is ons geworden tot een wederlegging onzer gedachten.

Boek der Wijsheid 2:15
Hij is ons bezwaarlijk, ook zelfs om aan te zien, want zijn leven is de anderen ongelijk, en zijn paden zijn gans andere.

Boek der Wijsheid 2:16
Wij worden van hem geacht als vals zilver, en hij houdt zich af van onze wegen, als van onreinheden: hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is.

Boek der Wijsheid 2:17
Laat ons zien, of zijn woorden waarachtig zijn, en laat ons opmerken wat uitkomst hij hebben zal.

Boek der Wijsheid 2:18
Want indien de rechtvaardige een zoon Gods is, zo zal hij hem te hulp komen, en zal hem verlossen uit de hand dergenen die hem tegenstaan.

Boek der Wijsheid 2:20
Laat ons hem tot een schandelijke dood verwijzen, want daar zal over hem opzicht genomen worden, gelijk hij zegt.

Boek der Wijsheid 3:6
Hij heeft hen beproefd gelijk goud in een smeltoven, en hen aangenomen als een brandoffer.

Boek der Wijsheid 3:11
Want hij is ellendig die de wijsheid en tucht veracht, en hun hoop is ijdel, en hun moeiten zijn tevergeefs, en hun werken onnut.

Boek der Wijsheid 4:7
Maar de rechtvaardige, indien hij vroeg komt te sterven, zal in de rust zijn.

Boek der Wijsheid 4:10
Die God behaagd heeft, is door Hem bemind; en levende onder de zondaren werd hij weggenomen.

Boek der Wijsheid 4:11
Hij werd weggerukt, opdat de boosheid zijn verstand niet zou veranderen, of list zijn ziel bedriegen.

Boek der Wijsheid 4:13
In weinig tijds volmaakt geworden zijnde, heeft hij lange tijden vervuld.

Boek der Wijsheid 4:14
Want zijn ziel was de Here aangenaam, daarom heeft hij gehaast hem uit het midden der boosheid weg te nemen.

Boek der Wijsheid 4:19
En zullen hierna tot een schandelijke val zijn, en tot versmaadheid onder de doden in eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en voorwaarts overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste toe verwoest worden; en zullen in angst zijn en hun gedachtenis zal vergaan.

Boek der Wijsheid 5:5
Hoe is hij nu gerekend onder de kinderen Gods, en hoe is zijn lot onder de heiligen!

Boek der Wijsheid 5:17
Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk rijk, en een schone kroon uit de hand des Heren, want met zijn rechterhand zal hij hen beschermen, en met zijn arm zal hij hen beschutten.

Boek der Wijsheid 5:18
Hij zal zijn ijver nemen tot een gehele wapenrusting, en zijn schepselen wapenen tot wraak tegen de vijanden.

Boek der Wijsheid 5:19
Hij zal gerechtigheid aantrekken tot een borstharnas, en een ongeveinsd oordeel opzetten tot een helm.

Boek der Wijsheid 5:20
Hij zal heiligheid nemen tot een onoverwinnelijk schild,

Boek der Wijsheid 6:5
Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan over degenen, die over anderen gesteld zijn.

Boek der Wijsheid 6:7
Want de Here van allen zal de persoon niet ontzien, en de grootte niet vrezen, want hij heeft kleinen en groten gemaakt, en tegelijk zorgt hij voor allen.

Boek der Wijsheid 6:14
Die vroeg des morgens tot haar zal gekomen zijn, zal geen moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten vinden zitten.

Boek der Wijsheid 7:15
En God heeft mij gegeven mijn mening te zeggen, en te bedenken hetgeen waardig te de dingen, die mij gegeven zijn, want hij leidt op de weg der wijsheid en bestiert de wijzen recht.

Boek der Wijsheid 7:17
Want hij heeft mij gegeven ware kennis der dingen die zijn, om te weten de gestalte der wereld, en de werkingen der elementen.

Boek der Wijsheid 9:2
En de mens door uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van u gemaakt zijn,

Boek der Wijsheid 9:3
En dat hij de wereld zou regeren in heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid des harten oordelen.

Boek der Wijsheid 9:6
Want of iemand onder de kinderen der mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van u komt, niet bij hem is.

Boek der Wijsheid 10:5
Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid onder elkander verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen der barmhartigheden over zijn zoon.

Boek der Wijsheid 10:6
Deze toen de goddelozen vergingen, heeft de rechtvaardige verlost, toen hij het nedervallende vuur der vijf steden ontvlood.

Boek der Wijsheid 10:10
Deze geleidde de rechtvaardige op rechte paden, als hij vluchtende was voor de toorn zijns broeders, en heeft hem het koninkrijk Gods getoond, en kennis van heilige dingen gegeven, heeft hem voorspoedig gemaakt in zijn arbeid, en zijn moeite vermenigvuldigd.

Boek der Wijsheid 10:12
Zij bewaarde hem van de vijanden, en maakte hem zeker tegen degenen, die hem lagen legden, en in die sterke strijd heeft zij hem de prijs der overwinning gegeven, opdat hij zou weten dat de godzaligheid machtiger is dan alles.

Boek der Wijsheid 11:17
Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor iemand zondigt, hij daardoor wordt geplaagd.

Boek der Wijsheid 12:27
Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.

Boek der Wijsheid 13:4
En is het dat zij zeer verwonderd zijn geweest over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel machtiger hij is, die deze toebereid heeft.

Boek der Wijsheid 13:12
Zo gebruikt hij de spaanders van zijn werk om spijze te bereiden, en wordt verzadigd.

Boek der Wijsheid 13:13
En het overblijfsel daarvan dat nergens toe dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van door de ervarenheid zijns verstands, en maakt het eens mensenbeeld gelijk.

Boek der Wijsheid 13:14
Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, makende zijn kleur roodachtig, en overstrijkende alle vlekken die daarin waren.

Boek der Wijsheid 13:15
En hebbende voor datzelve zulk een huis gemaakt als het waardig is, zet hij het in de muur en maakt het vast met ijzer,

Boek der Wijsheid 13:16
Opdat het immers niet zou afvallen verzorgt hij het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp nodig.

Boek der Wijsheid 13:17
Nochtans, biddende voor zijn goederen, en huwelijk, en kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken een ding dat zonder ziel is.

Boek der Wijsheid 13:18
En dat zwak is roept hij aan om gezondheid, en bidt hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.

Boek der Wijsheid 13:19
En om een gelukkige reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken kan, en om gewin, en om werk, en om hetgeen men met de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt hij degene, die met de handen niet werken kan.

Boek der Wijsheid 14:8
Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God genoemd wordt.

Boek der Wijsheid 14:15
Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.

Boek der Wijsheid 14:17
Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig ware.

Boek der Wijsheid 15:5
Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt, dat hij lust krijgt tot de gedaante van een dood beeld, hetwelk zonder adem is.

Boek der Wijsheid 15:7
Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt hij vaten die tot reine werken dienstig zijn, en desgelijks alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden, daarover oordeelt de leemwerker.

Boek der Wijsheid 15:8
Daarna, bemoeiende zichzelf met kwade arbeid, maakt hij een ijdele god uit datzelfde leem, daar hij weinig tijds tevoren uit aarde gemaakt zijnde, een kleine tijd daarna in dezelve gaan zal, uit welke hij genomen is, wanneer de schuld der ziel hem zal zijn afgeëist.

Boek der Wijsheid 15:9
Maar hij is bezorgd, niet omdat hij moeite zal hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft, maar omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen maakt.

Boek der Wijsheid 15:11
Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, welke in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die hem doet leven.

Boek der Wijsheid 15:13
Want deze weet boven alle anderen dat hij zondig, makende van aardse stoffen vaten die licht breken, en gesneden beelden.

Boek der Wijsheid 15:17
Maar sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige handen; want hij is beter dan hetgeen hij als god eert, dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.

Boek der Wijsheid 16:7
Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.

Boek der Wijsheid 16:14
En een mens doodt wel een ander door zijn boosheid maar de geest die uitgevaren is kan hij niet doen wederkeren, noch de ziel wederbrengen die weggenomen is.

Boek der Wijsheid 17:17
Want het ware dan een landman of een herder, of een die moeilijker werken doet in de woestijn, zijnde verrast, zo moest hij de onvermijdelijke nood dragen.

Boek der Wijsheid 18:18
En de een herwaarts, de ander derwaarts geworpen liggende, half dood, openbaarde om wat oorzaak hij stierf.

Boek der Wijsheid 18:21
Want de onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, brengende de wapenen van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap en maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht was.

Boek der Wijsheid 18:22
En hij overwon de verderver niet door sterkte des lichaams, niet door kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende ten onder, hebbende verhaald de eden, en de verbonden met de vaderen opgericht.

Boek der Wijsheid 18:23
Want als nu reeds de doden met hopen over elkander gevallen lagen, stond hij tussen beiden, hieuw de toorn af en sneed de weg af tot de levenden.

Boek der Wijsheid 18:25
Voor deze dingen week de verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving des toorns was alleen genoeg.

Jezus Sirach 1:9
En heeft haar uitgegoten over al zijn werken; zij is bij alle vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen die hem lief hebben.

Jezus Sirach 1:12
Die de Here vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal hij gezegend worden.

Jezus Sirach 1:24
Hij zal zijn woorden een tijdlang verbergen, maar de lippen van velen zullen zijn verstand verhalen.

Jezus Sirach 2:6
Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen recht, en hoop op hem.

Jezus Sirach 3:32
En de Here, die de weldaden vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel vinden.

Jezus Sirach 4:6
Want als iemand u vervloekt in bitterheid zijner ziel, zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft,

Jezus Sirach 4:11
En gij zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder doet.

Jezus Sirach 4:17
Indien hij haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen zullen in bezitting blijven.

Jezus Sirach 4:22
Indien hij zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten, en hem overlaten in de handen van zijn ongeval.

Jezus Sirach 5:1
HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven.

Jezus Sirach 5:4
Zeg niet: Ik heb gezondigd, en welk leed is mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.

Jezus Sirach 5:10
Steun niet op onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.

Jezus Sirach 6:11
Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken.

Jezus Sirach 6:12
Indien gij vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.

Jezus Sirach 6:17
Die de Here vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten zijn.

Jezus Sirach 6:22
Zij is bij hem gelijk een harde steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar weg te werpen.

Jezus Sirach 6:37
Overdenk de geboden des Heren volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.

Jezus Sirach 7:9
Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven zien, en als ik God de Allerhoogste offere, zo zal hij het aannemen.

Jezus Sirach 8:2
Twist niet met een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag.

Jezus Sirach 8:14
Sta niet op tegen de smader, opdat hij uw mond niet bespiede.

Jezus Sirach 8:18
Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door zijn dwaas heid mee vergaan.

Jezus Sirach 8:19
Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met hem door de woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.

Jezus Sirach 8:20
Beraad u niet met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken.

Jezus Sirach 8:21
Doe niets heimelijks voor een vreemde, want gij weet niet wat hij baren zal.

Jezus Sirach 9:13
Een nieuwe vriend is gelijk nieuwe wijn: als hij zal oud geworden zijn, drink hem met verheuging.

Jezus Sirach 10:4
De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig is.

Jezus Sirach 10:5
In de hand des Heren is des mensen voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.

Jezus Sirach 10:10
Want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen deze weg, terwijl hij nog leeft.

Jezus Sirach 10:11
De medicijnmeester houdt een lange ziekte af, en heden is iemand koning, en morgen zal hij sterven.

Jezus Sirach 10:12
Want wanneer een mens sterft, zo beërft hij kruipende en wild gedierte en wormen.

Jezus Sirach 10:14
Want hovaardigheid is een beginsel der zonde, en die daarbij blijft, die bedrijft zeer gruwelijke moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd worden.

Jezus Sirach 10:19
Hij heeft ze daaruit weggenomen, en heeft ze verdorven.

Jezus Sirach 10:28
Een verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap zal niet murmureren als hij onderwezen wordt.

Jezus Sirach 11:12
Menigeen is er die traag is, hebbende hulp van node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;

Jezus Sirach 11:19
Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven.

Jezus Sirach 11:23
De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.

Jezus Sirach 11:32
Want hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.

Jezus Sirach 11:34
Wacht u voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige schandvlek geve.

Jezus Sirach 11:35
Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen ontvreemden.

Jezus Sirach 12:5
Doe de nederige goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan zult hebben.

Jezus Sirach 12:6
Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart hij tot de krachtige dag der wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.

Jezus Sirach 12:11
Indien hij zou vernederd worden, en gekromd gaan, bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem zijn als die een spiegel heeft afgeveegd, en zult gewaar worden, dat hij die niet tot het einde toe verroest maken kan.

Jezus Sirach 12:12
Stel hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd hebbende, zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en gij ten laatste mijn woorden gewaar wordt, en vanwege mijn rede doorstoken wordt.

Jezus Sirach 12:14
Hij zal een uur bij u blijven in een gerechte staat, en indien gij zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.

Jezus Sirach 12:15
En de vijand zal wel met zijn lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.

Jezus Sirach 12:16
Met zijn ogen zal hij wenen, en indien hij gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen worden van uw bloed.

Jezus Sirach 12:17
Indien u iets kwaads zou ontmoeten, gij zult hem aldaar eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.

Jezus Sirach 12:18
Hij zal zijn hoofd schudden, en met de handen klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht veranderen.

Jezus Sirach 13:4
Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem; een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd.

Jezus Sirach 13:5
Indien gij hem kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar indien gij verachtert, zal hij u onderdrukken.

Jezus Sirach 13:6
Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.

Jezus Sirach 13:7
Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?

Jezus Sirach 13:8
Hij zal u met zijn spijs beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.

Jezus Sirach 13:11
Als u een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.

Jezus Sirach 13:13
Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet, want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.

Jezus Sirach 13:14
Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen en banden aan u sparen.

Jezus Sirach 13:24
Wanneer een rijke bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut; maar wanneer een arme valt, zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten.

Jezus Sirach 13:25
Wanneer een rijke struikelt, zo heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke dingen gesproken, men recht vaardigt hem evenwel.

Jezus Sirach 13:26
Een nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige rede gesproken, en men geeft hem geen plaats.

Jezus Sirach 13:28
De arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten.

Jezus Sirach 14:2
Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, die hij op de Here heeft.

Jezus Sirach 14:5
Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn goederen.

Jezus Sirach 14:7
Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.

Jezus Sirach 14:19
Gelijk een groenend blad op een dichte boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren.

Jezus Sirach 14:25
Zal herberg hebben in een herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen onder haar bescherming, en onder haar takken zal hij overnachten.

Jezus Sirach 14:26
Hij zal van haar beschermd worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben.

Jezus Sirach 15:2
En gelijk een moeder zal zij hem tegemoet gaan, en gelijk een vrouw die hij als zij maagd was getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen.

Jezus Sirach 15:4
Hij zal op haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd worden.

Jezus Sirach 15:6
Hij zal vrolijkheid en een kroon der verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige naam doen beërven.

Jezus Sirach 15:9
De lof in de mond des zondaars voegt niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.

Jezus Sirach 15:11
Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want hetgeen hij haat moet gij niet doen.

Jezus Sirach 15:12
Zeg niet, hij heeft mij gemaakt, want hij heeft de zondaar niet van node.

Jezus Sirach 15:14
Hij heeft van den beginne de mens gemaakt, en hem gelaten in de hand zijns raads.

Jezus Sirach 15:16
Hij heeft u vuur en water voorgesteld; strek uw hand waar heen gij wilt.

Jezus Sirach 15:18
Want groot is de wijsheid des Heren, en hij is sterk in kracht, en ziet alle dingen.

Jezus Sirach 15:19
En zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle werken des mensen.

Jezus Sirach 15:20
Hij heeft niemand geboden goddeloos te zijn, en heeft niemand verlof gegeven te zondigen.

Jezus Sirach 16:8
Hij is niet verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen zijn door de kracht hunner dwaasheid.

Jezus Sirach 16:9
Hij verschoonde die niet, bij welke Lot woonde; aan welke hij een gruwel had, vanwege hun hovaardigheid.

Jezus Sirach 16:10
Hij ontfermde zich niet over het volk des verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.

Jezus Sirach 16:12
Want ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig Here, die haastig verzoend wordt, en toorn uitstort.

Jezus Sirach 16:13
Gelijk zijn barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding; hij zal een ieder oordelen naar zijn werken.

Jezus Sirach 16:15
Maak plaats voor allerlei aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn werken. De Here heeft Farao verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden bekend worden bij het geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis heeft hij onderscheiden met een diamantsteen.

Jezus Sirach 16:26
Want door des Heren oordeel zijn zijn werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft hij hun delen onder scheiden.

Jezus Sirach 16:27
Hij heeft zijn werken versierd in eeuwigheid, hun beginselen door zijn hand in alle geslachten; zij hebben geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn niet be zweken van zijn werken, niet een heeft zijn naaste verdrukt;

Jezus Sirach 16:30
Hij bedekt het leven van alle gedierte, en in baar keren zij weder.

Jezus Sirach 17:2
Hij heeft hun een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn.

Jezus Sirach 17:3
Hij heeft hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt.

Jezus Sirach 17:4
Hij heeft hun vreze gelegd op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis.

Jezus Sirach 17:5
En voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, uit delende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, welke is een uitlegging zijner werken.

Jezus Sirach 17:6
Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.

Jezus Sirach 17:7
Hij heeft zijn ogen op hun harten gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen, opdat zij zijn werken verstandig zouden verhalen;

Jezus Sirach 17:9
Hij heeft hun nog toegelegd wetenschap, en hun de wet des levens tot een erfdeel gegeven, opdat zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.

Jezus Sirach 17:10
Een eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen.

Jezus Sirach 17:14
Want in de verdeling der volken van het ganse aardrijk heeft bij over elk volk een overste gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, welke, zijnde zijn eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde, en begeeft hem niet.


1 - 500  [501 - 1000]  [1001 - 1384]