woord OT NT apo Bijbel
hur160016

Vindplaatsen van hur in het Oude Testament. Het woord komt er 16 keer voor, in 16 verzen.

Exodus 17:10
Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aäron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.

Exodus 17:12
Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, de ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.

Exodus 24:14
En hij zeide tot de oudsten: Blijft gij ons hier, totdat wij weder tot u komen; en ziet, Aäron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal tot dezelve komen.

Exodus 31:2
Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.

Exodus 35:30
Daarna zeide Mozes tot de kinderen Israëls: Ziet, de HEERE heeft met name geroepen Bezaleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.

Exodus 38:22
Bezaleël nu, de zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda, maakte al, dat de HEERE aan Mozes geboden had.

Numeri 31:8
Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen der Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen der Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, den zoon van Beor.

Jozua 13:21
En alle steden des vlakken lands, en het ganse koninkrijk van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon regeerde, denwelke Mozes geslagen heeft, mitsgaders de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, geweldigen van Sihon, inwoners des lands.

1 Koningen 4:8
En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraïm.

1 Kronieken 2:19
Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.

1 Kronieken 2:20
En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleël.

1 Kronieken 2:50
Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-jearim;

1 Kronieken 4:1
De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.

1 Kronieken 4:4
En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.

2 Kronieken 1:5
Ook was het koperen altaar, dat Bezaleël, de zoon van Uri, den zoon van Hur, gemaakt had, aldaar voor den tabernakel des HEEREN; Salomo nu en de gemeente bezochten hetzelve.

Nehemia 3:9
En aan hun hand verbeterde Refaja, de zoon van Hur, overste des halven deels van Jeruzalem.