woord OT NT apo Bijbel
naaste901630136

Vindplaatsen van naaste in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 30 keer voor, in 28 verzen.

Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.

Judith 16:29
En zij deelde haar goederen, eer zij stierf, aan al de naaste vrienden van haar man Manasse, en aan de naaste vrienden van haar geslacht.

Jezus Sirach 9:19
Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met de verstandigen, en al wat gij vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.

Jezus Sirach 10:6
Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke werken.

Jezus Sirach 13:18
Ieder dier heeft zijns gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste lief.

Jezus Sirach 15:5
En zij zal hem verhogen boven zijn naaste, en zij zal in het midden der vergadering zijn mond openen.

Jezus Sirach 16:27
Hij heeft zijn werken versierd in eeuwigheid, hun beginselen door zijn hand in alle geslachten; zij hebben geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn niet be zweken van zijn werken, niet een heeft zijn naaste verdrukt;

Jezus Sirach 17:12
Wacht u van alle ongerechtigheid, en heeft hun geboden gegeven, elk een van zijn naaste.

Jezus Sirach 18:12
De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid des Heren over alle vlees.

Jezus Sirach 19:14
Bestraf uw naaste, misschien heeft hij het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft, dat hij het ten tweeden male niet zegge.

Jezus Sirach 19:17
Bestraf uw naaste eer gij dreigt, en geef de wet des Allerhoogsten plaats, en word niet toornig.

Jezus Sirach 22:27
Bewijs trouw jegens uw naaste in zijn armoede; opdat gij u verheugen moogt als het hem wèl gaat.

Jezus Sirach 27:19
Want gelijkerwijs een mens zijn vijand verliest, zo heeft hij zijn naaste verloren.

Jezus Sirach 27:20
En gelijk alsof gij een vogel uit uw hand losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten, en zult hem niet weder vangen.

Jezus Sirach 28:2
Vergeef uw naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer gij dan zult gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden.

Jezus Sirach 28:7
Pleeg geen vijandschap tegen uw naaste tot zijn verderf en dood, maar blijf in de geboden.

Jezus Sirach 28:8
Gedenk aan de geboden, en oefen geen vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond des Allerhoogsten, en overzie zijn onwetendheid.

Jezus Sirach 29:1
WIE barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die houdt de geboden.

Jezus Sirach 29:2
Leen uw naaste in de tijd zijner behoefte, en wederom, geef het uw naaste weder te zijner tijd.

Jezus Sirach 29:17
Een goed man zal voor zijn naaste borg worden, maar die de schaamte verloren heeft, zal hem verlaten.

Jezus Sirach 31:17
Meet bij uzelf af hetgeen uw naaste behaagt, en let op alle dingen.

Jezus Sirach 31:35
Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging.

Jezus Sirach 34:23
Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt.

Susanna (Dan. 13) 1:62
En zij hebben hun gedaan naar de wet van Mozes, op zodanige wijze als zij hun naaste boos meenden te doen, en hebben hen gedood, en het onschuldige bloed is op die dag verlost geworden.

1 Makkabeeën 2:40
En een man zeide tot zijn naaste: Indien wij allen zouden doen, gelijk onze broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen.

1 Makkabeeën 3:42
Judas en zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden, en dat de krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende de woorden des konings, waarmee hij bevolen had het volk gans te verderven en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:

1 Makkabeeën 12:33
En Simon toog uit, en doortrok het land af tot Askalon toe, en tot de naaste sterkten, en week heen naar Joppe, en nam het in.

2 Makkabeeën 6:11
En enige anderen, te zamen lopende in de naaste spelonken, opdat zij daar verborgen de zevende dag zouden houden, Filippus aangebracht zijnde, werden met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten zichzelf te hulp te komen, vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige dag.