woord OT NT apo Bijbel
nam3696388520

Vindplaatsen van nam in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 88 keer voor, in 87 verzen.

3 Ezra 1:34
En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaren oud was.

3 Ezra 1:38
En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broeder Saracus nam hij, en bracht hem weder in Egypte.

3 Ezra 1:41
En Nabuchodonosor nam van de heilige vaten des Heren, en bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.

3 Ezra 4:30
En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.

3 Ezra 4:61
En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn broederen.

3 Ezra 5:38
En uit de priesters, die het priesterschap bedienden, en welker geslacht niet werd gevonden, de kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu, die Augia tot een huisvrouw nam, uit de dochteren Faëzeldeüs, en naar zijn naam is genoemd.

3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.

3 Ezra 9:14
Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs waren hun mede-rechters.

3 Ezra 9:45
En Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat heerlijk in de tegenwoordigheid van allen.

4 Ezra 5:22
En mijn ziel nam weder de geest des verstands, en begon weder te spreken voor de Allerhoogste.

4 Ezra 10:30
En ik lag als een dode, en mijn verstand was mij benomen, en hij nam mij bij de rechterhand, en sterkte mij, en stelde mij op mijn benen, en zeide tot mij:

4 Ezra 14:37
En ik nam de vijf mannen tot mij, gelijk hij mij bevolen had. En wij gingen naar het veld, en bleven daar.

4 Ezra 14:40
En ik nam het, en dronk het, en zo haast als ik het gedronken had, zo werd mijn hart vervuld met wetenschap, en de wijsheid wies in mijn borst, en mijn geest werd versterkt in zijn geheugen.

Tobias (Tobit) 1:9
En als ik nu een man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias.

Tobias (Tobit) 1:21
En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

Tobias (Tobit) 7:16
En hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift en verzegelde dat.

Tobias (Tobit) 8:2
En als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël, en nam de as der reukofferen, en legde het hart en de lever van de vis daarop en maakte rook.

Judith 1:14
En kwam tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij tot schande.

Judith 2:8
En heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een zeer grote menigte; mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal.

Judith 2:10
En hij nam goud en zilver uit des konings huis, zeer veel.

Judith 2:12
En zij trokken uit van Nineve drie dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth; en hij sloeg zijn leger van Bektileth af, bij de berg die aan de linkerzijde ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen, en trok van daar naar het gebergte.

Judith 2:15
En hij nam de landpalen van Cilicië in, en versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam tot aan de landpalen van Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen.

Judith 3:8
En bezette de vaste steden, en nam daaruit krijgsvolk aan tot zijn krijg, uitgelezen mannen.

Judith 6:17
En Ozias nam hem mee uit de vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor de oudsten,

Judith 7:7
En kwam aan de waterfontein, en nam ze in, en bezette die met krijgswachten, en hijzelf trok weder op naar zijn volk.

Judith 12:19
En zij nam, en at, en dronk voor hem, hetgeen haar dienstmaagd bereid had.

Judith 13:7
En zij ging naar de sponde van het bed, die aan Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar, en nabij komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan en zeide:

Judith 13:10
En nam het behangsel van de pilaren weg.

Judith 15:13
En zij gaven aan Judith de tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en de bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij legde het op haar muilezel en zij spande haar wagens in, en zij laadde dat op dezelve.

Judith 15:15
En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen Israëls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.

Judith 16:10
Zij zalfde haar aangezicht met welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.

Judith 16:28
En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis haars mans, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven dagen lang rouw over haar.

Boek der Wijsheid 14:6
Want ook in het begin als de hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad der voortteling na, zijnde bestuurd door uw hand.

Jezus Sirach 17:14
Want in de verdeling der volken van het ganse aardrijk heeft bij over elk volk een overste gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, welke, zijnde zijn eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde, en begeeft hem niet.

Jezus Sirach 47:4
In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid uit het volk weg.

Jezus Sirach 47:6
Want hij riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig was in de oorlog, om de hoorn zijns volks te verhogen.

Jezus Sirach 47:24
Hij delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad desgenen, die hem had liefgehad, niet weg.

Jezus Sirach 50:10
Gelijk een schone olijfboom, die vruchten voortspruit; en gelijk een cypresseboom, die verhoogd is tot aan de wolken; als hij het kleed der heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok.

Esther (apocr.) 14:1
EN de koningin Esther nam ook haar toevlucht tot de Here, met doodstrijd bevangen zijnde.

Esther (apocr.) 15:2
En zeer sierlijk opgetooid zijnde, riep zij de Verlosser aan, en die alle dingen ziet; en nam haar twee dienstmaagden met zich.

Susanna (Dan. 13) 1:2
Die nam een vrouw genaamd Susanna, een dochter van Chelkias, welke zeer schoon was, en de Here vrezende.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:1
En de koning Astyages werd vergaderd tot zijn vaderen, en Cyrus uit Perzië nam zijn koninkrijk over, en Daniël was altijd met de koning, en was heerlijker dan alle vrienden des konings.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:26
En Daniël nam pek, vet en haar, en kookte dit tezamen, en maakte daar koeken van, en gaf die de draak in de muil, en de draak berstte daarvan, en hij zeide: Zie uw goden.

1 Makkabeeën 1:17
En als het koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.

1 Makkabeeën 1:23
En hij ging met grote hovaardigheid in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en de kandelaar des lichts, en alle gereedschap, en de tafel der toonbroden, en de sprengbekers, en de fiolen, en de gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd, en hij trok het alles af.

1 Makkabeeën 1:24
Hij nam het zilver en het goud, en de kostelijke vaten; en hij nam ook de verborgen schatten, die hij vond, en dit alles genomen hebbende trok hij naar zijn land.

1 Makkabeeën 3:31
Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig geworden; en nam een raad, om te reizen naar Perzië, en de schattingen van die landen te ontvangen, en veel geld te vergaderen.

1 Makkabeeën 3:37
En de koning nam bij zich de helft der krijgsmachten die overig waren, en vertrok van Antiochië, van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden.

1 Makkabeeën 4:1
En Gorgias nam tot zich vijfduizend man te voet, en duizend uitgelezen ruiters, en dit leger brak op des nachts;

1 Makkabeeën 4:35
Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de stoutheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of te sterven, trok op naar Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende, besloot hij, weder gesterkt zijnde, in Judea te komen.

1 Makkabeeën 5:28
Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met vuur.

1 Makkabeeën 5:35
En hij week naar Mizpa, en hij bestreed haar, en nam haar in, en doodde al wat mannelijk daarin was, plunderde haar en verbrandde haar met vuur.

1 Makkabeeën 5:36
En hij trok vandaar, en nam in Chasfon, Maked, Bosor, en de overige steden van Galaäditis.

1 Makkabeeën 6:19
Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren.

1 Makkabeeën 6:50
En de koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze te bewaren.

1 Makkabeeën 6:63
En is haastig vertrokken, en keerde weder naar Antiochië, en hij vond daar Filippus, die over de stad regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.

1 Makkabeeën 9:31
En Jonathan nam, in die gelegenheid des tijds, het ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats van zijn broeder.

1 Makkabeeën 9:53
En hij nam de zonen van de overste des lands tot gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om te bewaren.

1 Makkabeeën 9:69
En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.

1 Makkabeeën 9:71
En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn leven.

1 Makkabeeën 10:1
En in het honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning.

1 Makkabeeën 10:49
En deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.

1 Makkabeeën 10:84
En Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden waren, met vuur.

1 Makkabeeën 11:12
En hij nam zijn dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar.

1 Makkabeeën 11:24
En hij nam met zich zilver, en goud en kostelijke klederen, en andere geschenken zeer vele, en hij reisde naar de koning te Ptolomaïs, en hij vond genade bij hem.

1 Makkabeeën 11:61
En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damaskus toe.

1 Makkabeeën 11:65
En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting daarin.

1 Makkabeeën 12:33
En Simon toog uit, en doortrok het land af tot Askalon toe, en tot de naaste sterkten, en week heen naar Joppe, en nam het in.

1 Makkabeeën 13:20
En na deze kwam Tryfon, om in het land te vallen, en om dat te verwoesten, en hij nam zijn weg in het ronde naar Adora; en Simon en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen, waar hij heentrok.

1 Makkabeeën 13:25
En Simon, enigen zendende, nam de beenderen van zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad zijner vaderen.

1 Makkabeeën 13:43
In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gaza, en hij belegerde de stad rondom, en hij maakte een stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee een toren, en nam hem in.

1 Makkabeeën 14:7
En hij vergaderde vele gevangenen, en vermeesterde Gazara en Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit weg, en er was niemand, die zich tegen hem stelde.

1 Makkabeeën 14:14
Hij versterkte al de nederigen zijns volks; hij onderzocht naarstig de wet, en nam weg alle verbrekers der wet en alle bozen.

1 Makkabeeën 14:47
En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester zou zijn, en veldoverste, en overste van het volk der Joden, en der priesters, en over allen te gebieden.

2 Makkabeeën 8:6
De steden en vlekken, onverwachts overkomende, stak hij in brand, en nam de welgelegen plaatsen in, en dreef niet weinigen van de vijanden op de vlucht.

2 Makkabeeën 8:7
En hij nam vooral de nachten waar tot zodanige lagen; en het gerucht van zijn dapperheid verspreidde zich alleszins.

2 Makkabeeën 11:7
En Makkabeüs zelf nam eerst de wapenen op, en vermaande de anderen, dat zij met hem zich in gevaar wilden begeven, om hun broeders te hulp te komen.

2 Makkabeeën 13:13
En hij, met de ouderlingen alleen zijnde, nam met hen raad, eer het krijgsvolk van de koning in Judea zou invallen, en zij de stad zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende op de hulp des Heren.

2 Makkabeeën 14:26
Alcimus nu, ziende de goedwilligheid des enen tegen de ander, en de verbonden die zij gemaakt hadden, zo nam hij deze en vertrok naar Demetrius, en zeide dat Nicanor dingen voorhad die vijandig waren aan de zaken des konings; want, zeide hij, hij heeft Judas, die het koninkrijk lagen legt, verordineerd dat hij in zijn plaats zal komen.

2 Makkabeeën 14:27
De koning zeer toornig geworden en door de laster van deze grote booswicht opgeruid zijnde, schreef aan Nicanor, zeggende, dat hij deze verbonden zeer kwalijk nam; en gebood dat men Makkabeüs terstond gevangen zou zenden naar Antochië.

2 Makkabeeën 14:28
Als nu Nicanor deze dingen ter ore gekomen waren, is hij zeer verbaasd geworden, en nam het zeer kwalijk, dat hij de verbonden moest teniet doen; daar de man geen onrecht gedaan had.

2 Makkabeeën 14:29
En daar het niet doenlijk was de koning tegen te staan, zo nam hij een gelegen tijd waar, om het met een krijgslist te volbrengen.

3 Makkabeeën 1:2
En nam zijn zuster Arsinoë met zich, en spoedde zich naar de plaatsen langs Rafia gelegen, waar Antiochus en zijn krijgslieden hun leger hadden.

3 Makkabeeën 1:3
En een zekere Theodotus, trachtende de aanslag te voltrekken, nam tot zich de beste uit de wapenen van Ptolomeüs, die hem tevoren betrouwd waren, en begaf zich des nachts tot de tent van Ptolomeüs, opdat hij alleen hem zou ombrengen, en op die wijze een einde aan de krijg maken.

3 Makkabeeën 1:7
En als Ptolomeüs de bedriegelijke aanslag overwonnen had, zo nam hij voor tot de naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt.

3 Makkabeeën 1:10
En als hij ook tot de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja ook over de schone orde van de tempel verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel in te gaan.

3 Makkabeeën 2:20
En hij nam voor openlijk dit volk smaadheid aan te doen; in een toren bij het hof liet hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat niemand onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd zouden worden; en zo wie zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, en van het leven beroven.