woord OT NT apo Bijbel
negentig204226

Vindplaatsen van negentig in het Oude Testament. Het woord komt er 20 keer voor, in 20 verzen.

Genesis 5:9
En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon Kenan.

Genesis 5:17
Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hij stierf.

Genesis 5:30
En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

Genesis 17:1
Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!

Genesis 17:17
Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?

Genesis 17:24
En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd.

1 Samuël 4:15
(Eli nu was een man van acht en negentig jaren, en zijn ogen stonden stijf, dat hij niet zien kon.)

1 Kronieken 9:6
En van de kinderen van Zerah was Jeüel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.

Ezra 2:16
De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.

Ezra 2:20
De kinderen van Gibbar, vijf en negentig.

Ezra 2:58
Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

Ezra 8:35
En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden den God Israëls brandofferen; twaalf varren voor gans Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den HEERE.

Nehemia 7:21
De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;

Nehemia 7:25
De kinderen van Gibeon, vijf en negentig;

Nehemia 7:60
Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

Jeremia 52:23
En de granaatappelen waren zes en negentig, gezet naar den wind; alle granaatappelen waren honderd, over het net rondom.

Ezechiël 4:5
Want Ik heb u gegeven de jaren hunner ongerechtigheid, naar het getal der dagen, driehonderd en negentig dagen, dat gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen zult.

Ezechiël 4:9
En neemt gij voor u tarwe, en gerst, en bonen, en linzen, en heerse, en spelt; en doe die in een vat, en maak die u tot brood; naar het getal der dagen, die gij op uw zijde nederliggen zult, driehonderd en negentig dagen, zult gij dat eten.

Ezechiël 41:12
Voorts van het gebouw, dat voor aan de afgesneden plaats was in den hoek des wegs naar het westen, was de breedte zeventig ellen, en van den wand des gebouws was de breedte vijf ellen rondom henen, en de lengte daarvan negentig ellen.

Daniël 12:11
En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.