woord OT NT apo Bijbel
niet5327235814889173

Vindplaatsen van niet in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 1488 keer voor, in 1194 verzen; getoond worden vers 501 t/m 1000.

Jezus Sirach 4:27
Weer het woord niet in de geschikte tijd der behouding;

Jezus Sirach 4:28
En verberg uw wijsheid niet om aangenaam te zijn.

Jezus Sirach 4:30
Spreek de waarheid niet tegen in enig stuk, en word schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid.

Jezus Sirach 4:31
Schaam u niet uw zonden te belijden, en bedwing de vloed des strooms niet.

Jezus Sirach 4:32
Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, en neem de persoon des machtigen niet aan.

Jezus Sirach 4:34
Zijt niet stout met uw tong, en lui en slap in uw werken.

Jezus Sirach 4:35
Zijt niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten als een die met verbeelding gekweld is.

Jezus Sirach 4:36
Laat uw hand niet uitgestrekt zijn om te nemen, en tezamen getrokken in het geven.

Jezus Sirach 5:1
HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven.

Jezus Sirach 5:2
Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, om te gaan in de wegen uws harten.

Jezus Sirach 5:3
Zeg niet: Wie zal mij onder zijn macht brengen vanwege mijn werken? want de Here zal zeker uw moedwil wreken.

Jezus Sirach 5:4
Zeg niet: Ik heb gezondigd, en welk leed is mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.

Jezus Sirach 5:5
Wees niet zonder vrees vanwege de verzoening, wanneer gij de volheid hebt, dat gij zonden op zonden zoudt hopen.

Jezus Sirach 5:6
En zeg niet: Zijn ontferming is groot, de menigte mijner zonden zal verzoend worden.

Jezus Sirach 5:8
Verbeid niet u tot de Here te bekeren, en stel het niet uit dag op dag.

Jezus Sirach 5:10
Steun niet op onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.

Jezus Sirach 5:11
Wan niet in allerlei wind, en ga niet in allerlei pad, zo doet de zondaar die tweetongig is.

Jezus Sirach 5:14
Indien gij verstand hebt, zo antwoord uw naasten; en indien niet, zo zij uw hand op uw mond.

Jezus Sirach 5:18
Wees niet onwetende ook niet in enig ding, noch in het grote, noch in het kleine.

Jezus Sirach 6:2
Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat uw ziel niet gelijk een stier herwaarts en derwaarts gescheurd worde.

Jezus Sirach 6:7
Zo gij een vriend wilt verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking en vertrouw uzelf hem niet te haastig.

Jezus Sirach 6:8
Want daar is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.

Jezus Sirach 6:10
Daar is ook menig vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.

Jezus Sirach 6:21
Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet bij haar.

Jezus Sirach 6:22
Zij is bij hem gelijk een harde steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar weg te werpen.

Jezus Sirach 6:23
Want de wijsheid is gelijk haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar.

Jezus Sirach 6:24
Hoor mijn kind, en verkies mijn mening, en verwerp mijn raad niet;

Jezus Sirach 6:28
Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als gij haar machtig geworden zijt, zo laat haar niet van u.

Jezus Sirach 6:35
Houd u onder de menigte der ouden, en is er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan.

Jezus Sirach 7:3
Mijn zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid, zo zult gij niet zevenvoudig hetzelve maaien.

Jezus Sirach 7:5
Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor wijs bij de koning.

Jezus Sirach 7:6
Zoek niet een rechter te worden, want gij mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg te nemen; dat gij niet te eniger tijd voor het aangezicht des machtigen vreest, en een aanstoot legt in uw rechte handeling.

Jezus Sirach 7:7
Zondig niet tegen de menigte der stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige volk.

Jezus Sirach 7:8
Bind een zonde niet tweemaal aan, want zelfs in een zult gij niet onschuldig zijn.

Jezus Sirach 7:9
Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven zien, en als ik God de Allerhoogste offere, zo zal hij het aannemen.

Jezus Sirach 7:10
Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet aalmoezen te geven.

Jezus Sirach 7:11
Belach de mens niet die in bitterheid zijner ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.

Jezus Sirach 7:12
Ploeg geen leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend desgelijken niet.

Jezus Sirach 7:13
Wil niet liegen enigerlei leugen, want gedurig plegen der zelve komt niet ten goede.

Jezus Sirach 7:14
Spreek niet veel in de menigte der ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed.

Jezus Sirach 7:15
Haat de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is.

Jezus Sirach 7:16
Reken uzelf niet onder de menigte der zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.

Jezus Sirach 7:18
Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broeder om goud uit Ofir.

Jezus Sirach 7:19
Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft het goud.

Jezus Sirach 7:21
Laat uw ziel een verstandige huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet.

Jezus Sirach 7:24
Hebt gij dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blijde tegen haar.

Jezus Sirach 7:26
Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.

Jezus Sirach 7:27
Eer uw vader van ganser harte, en vergeet niet de smarten van uw moeder.

Jezus Sirach 7:29
Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat zijn dienaars niet.

Jezus Sirach 7:35
Gaven zijn aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de weldadigheid niet.

Jezus Sirach 7:36
Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen die treuren.

Jezus Sirach 7:37
Wees niet traag in het bezoeken van de kranke; want om zulke dingen zult gij bemind worden.

Jezus Sirach 7:38
In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en gij zult in der eeuwigheid niet zondigen.

Jezus Sirach 8:1
STRIJD met geen machtig mens, dat gij niet misschien in zijn handen valt.

Jezus Sirach 8:2
Twist niet met een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag.

Jezus Sirach 8:4
Strijd niet met een klapachtig mens, en hoop geen hout op zijn vuur.

Jezus Sirach 8:5
Scherts niet met een ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden.

Jezus Sirach 8:8
Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk dat wij allen sterven zullen.

Jezus Sirach 8:9
Veracht niet hetgeen door de wijzen verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.

Jezus Sirach 8:11
Dwaal niet af van de onderwijzing der ouden, want zij hebben ook geleerd van hun vaderen.

Jezus Sirach 8:13
Ontsteek de kolen des zondaars niet, opdat gij niet verbrand wordt in het vuur zijner vlam.

Jezus Sirach 8:14
Sta niet op tegen de smader, opdat hij uw mond niet bespiede.

Jezus Sirach 8:17
Richt niet tegen de rechter, want men zal hem oordelen, naar zijn mening.

Jezus Sirach 8:18
Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door zijn dwaas heid mee vergaan.

Jezus Sirach 8:19
Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met hem door de woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.

Jezus Sirach 8:20
Beraad u niet met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken.

Jezus Sirach 8:21
Doe niets heimelijks voor een vreemde, want gij weet niet wat hij baren zal.

Jezus Sirach 8:22
Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.

Jezus Sirach 9:1
ZIJT niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing.

Jezus Sirach 9:2
Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.

Jezus Sirach 9:3
Ga geen hoerachtige vrouw tegemoet opdat gij niet te eniger tijd in haar strikken valt.

Jezus Sirach 9:4
Ga niet om met een snarenspeelster, dat gij niet te eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen.

Jezus Sirach 9:5
Aanschouw een maagd niet te zeer, dat gij niet misschien geërgerd wordt in haar bestraffingen.

Jezus Sirach 9:6
Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat gij uw erfdeel niet verliest.

Jezus Sirach 9:7
Zie niet om in de straten der stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen derzelve.

Jezus Sirach 9:9
Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de armen.

Jezus Sirach 9:10
Bij een getrouwde vrouw zit geheel en al niet.

Jezus Sirach 9:11
En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en gij met uw geest niet valt in het verderf.

Jezus Sirach 9:12
Verlaat een oude vriend niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.

Jezus Sirach 9:14
Benijd de zondaar zijn eer niet, want gij weet niet welke zijn verandering is.

Jezus Sirach 9:15
Heb geen welbehagen aan dat, waarin de goddelozen wel behagen hebben; gedenk dat zij tot in de hel toe niet, zullen gerechtvaardigd worden.

Jezus Sirach 9:16
Verwijder van de mens die macht heeft om te doden, en gij zult de vrees des doods niet vermoeden.

Jezus Sirach 9:17
En indien gij tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond uw leven beneme.

Jezus Sirach 10:3
Een koning, die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar een stad zal door verstand der machtigen bewoond worden.

Jezus Sirach 10:6
Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke werken.

Jezus Sirach 10:21
De hovaardigheid is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn.

Jezus Sirach 10:22
Die de Here vrezen zijn een gewis zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke plant; daarentegen die op de wet niet achten, zijn een schandelijk zaad; die de geboden overtreden een afdwalend zaad.

Jezus Sirach 10:26
Het is niet recht dat men een arme onteert die verstandig is, en het betaamt niet dat men een zondaar eert.

Jezus Sirach 10:28
Een verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap zal niet murmureren als hij onderwezen wordt.

Jezus Sirach 10:29
Denk niet wijs te zijn als gij uw werk doet, en poch niet in de tijd uwer benauwdheid.

Jezus Sirach 11:4
Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.

Jezus Sirach 11:5
Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen.

Jezus Sirach 11:7
Berisp niet eer gij onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf dan.

Jezus Sirach 11:8
Antwoord niet eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek niet tussenbeide.

Jezus Sirach 11:9
Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.

Jezus Sirach 11:10
Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want indien gij veel aanneemt, gij zult niet onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, zo zult gij ze niet bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden als gij vliedt.

Jezus Sirach 11:19
Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven.

Jezus Sirach 11:21
Verwonder u niet in de werken des zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.

Jezus Sirach 11:24
Zeg niet: Wat heb ik van node te behagen, en voor wie zullen nu voortaan mijn goederen zijn?

Jezus Sirach 11:25
Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?

Jezus Sirach 11:26
In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.

Jezus Sirach 11:30
Leid niet een ieder in uw huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.

Jezus Sirach 11:34
Wacht u voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige schandvlek geve.

Jezus Sirach 12:2
Doe wel aan de godvrezende, en gij zult vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers bij de Allerhoogste.

Jezus Sirach 12:3
Die in het kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch degene, die geen aalmoezen ter zijde legt.

Jezus Sirach 12:4
Geef degene die God vreest, en neem u de zondaar niet aan.

Jezus Sirach 12:5
Doe de nederige goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan zult hebben.

Jezus Sirach 12:6
Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart hij tot de krachtige dag der wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.

Jezus Sirach 12:7
In voorspoed wordt de vriend niet uitgeworpen, en de vijand wordt niet verborgen in tegenspoed.

Jezus Sirach 12:9
Betrouw uw vijand in der eeuwigheid niet.

Jezus Sirach 12:11
Indien hij zou vernederd worden, en gekromd gaan, bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem zijn als die een spiegel heeft afgeveegd, en zult gewaar worden, dat hij die niet tot het einde toe verroest maken kan.

Jezus Sirach 12:12
Stel hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd hebbende, zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en gij ten laatste mijn woorden gewaar wordt, en vanwege mijn rede doorstoken wordt.

Jezus Sirach 12:14
Hij zal een uur bij u blijven in een gerechte staat, en indien gij zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.

Jezus Sirach 12:16
Met zijn ogen zal hij wenen, en indien hij gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen worden van uw bloed.

Jezus Sirach 13:6
Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.

Jezus Sirach 13:9
Wacht u dat gij niet verleid wordt door uw gedachten,

Jezus Sirach 13:10
En niet vernederd wordt in de verheuging uws harten.

Jezus Sirach 13:12
Val niet in iemands rede, opdat gij niet zonder kennis der zaak verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, opdat gij niet vergeten wordt.

Jezus Sirach 13:13
Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet, want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.

Jezus Sirach 13:14
Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen en banden aan u sparen.

Jezus Sirach 14:1
ZALIG is de man die niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt met de menigte der zonden.

Jezus Sirach 14:2
Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, die hij op de Here heeft.

Jezus Sirach 14:5
Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn goederen.

Jezus Sirach 14:12
Gedenk dat de dood niet zal vertoeven, en het verbond des grafs is u niet getoond.

Jezus Sirach 14:14
Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het deel der goede begeerte u niet voorbijgaan.

Jezus Sirach 14:15
Zult gij niet uw arbeid een ander moeten nalaten? en uw moeite tot verdeling des lots?

Jezus Sirach 15:4
Hij zal op haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd worden.

Jezus Sirach 15:7
Onverstandige mensen zullen haar niet begrijpen.

Jezus Sirach 15:8
Zondaars zullen haar geenszins zien; zij is verre van hovaardigheid, en leugenaars gedenken aan haar gans niet.

Jezus Sirach 15:9
De lof in de mond des zondaars voegt niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.

Jezus Sirach 15:11
Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want hetgeen hij haat moet gij niet doen.

Jezus Sirach 15:12
Zeg niet, hij heeft mij gemaakt, want hij heeft de zondaar niet van node.

Jezus Sirach 15:13
De Here haat allerlei gruwel, en ze is niet bemind van degenen die hem vrezen.

Jezus Sirach 16:1
VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; indien zij vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen niet is.

Jezus Sirach 16:2
Vertrouw op hun leven niet, en acht hun menigte niet.

Jezus Sirach 16:8
Hij is niet verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen zijn door de kracht hunner dwaasheid.

Jezus Sirach 16:9
Hij verschoonde die niet, bij welke Lot woonde; aan welke hij een gruwel had, vanwege hun hovaardigheid.

Jezus Sirach 16:10
Hij ontfermde zich niet over het volk des verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.

Jezus Sirach 16:14
De zondaar zal niet ontvlieden met zijn roof; en de verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.

Jezus Sirach 16:15
Maak plaats voor allerlei aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn werken. De Here heeft Farao verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden bekend worden bij het geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis heeft hij onderscheiden met een diamantsteen.

Jezus Sirach 16:16
Zeg niet: Ik zal mij voor de Here verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit de hoogte?

Jezus Sirach 16:17
Onder een groot volk zal men aan mij niet gedenken, want wat is mijn ziel onder de onmetelijke schepselen?

Jezus Sirach 16:20
En het hart overdenkt deze dingen niet behoorlijk.

Jezus Sirach 16:21
En wie kan zijn wegen bedenken? zij zijn gelijk een storm wind, welke de mens niet zien kan; en het meerderdeel zijner werken is voor ons verborgen.

Jezus Sirach 16:27
Hij heeft zijn werken versierd in eeuwigheid, hun beginselen door zijn hand in alle geslachten; zij hebben geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn niet be zweken van zijn werken, niet een heeft zijn naaste verdrukt;

Jezus Sirach 16:28
En tot in eeuwigheid zullen zij zijn woord niet ongehoorzaam zijn.

Jezus Sirach 17:13
Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken.

Jezus Sirach 17:14
Want in de verdeling der volken van het ganse aardrijk heeft bij over elk volk een overste gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, welke, zijnde zijn eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde, en begeeft hem niet.

Jezus Sirach 17:16
Hun ongerechtigheden zijn niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft hen noch begeven noch verlaten, maar heeft hen verschoond.

Jezus Sirach 17:23
Van een dode, als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren.

Jezus Sirach 17:26
Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, dewijl geen mensenzoon onsterfelijk is.

Jezus Sirach 18:5
De wonderen des Heren zijn niet te verminderen noch te vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.

Jezus Sirach 18:16
Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een gave.

Jezus Sirach 18:17
Zie, is een woord niet boven een goed geschenk? en beide zijn ze bij de mens aangenaam.

Jezus Sirach 18:22
Laat u niet hinderen uw belofte te betalen ter bekwamer tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te worden.

Jezus Sirach 18:23
Bereid uzelf eer gij uw gelofte doet, en wees niet gelijk een die de Here verzoekt.

Jezus Sirach 18:26
Van 's morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd, en al deze dingen zijn haastig voor de Here. Een wijs mens vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht hij zichzelf voor mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.

Jezus Sirach 18:30
Ga uw lusten niet na, maar bedwing u van uw begeerten.

Jezus Sirach 18:32
Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad.

Jezus Sirach 18:33
Word niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar gij niets hebt in de beurs, want anders zult gij een verspieder zijn van uw eigen leven, waar men van spreken zal.

Jezus Sirach 19:1
EEN arbeider, die een dronkaard is, zal niet rijk worden, en die het weinige versmaadt, zal gaandeweg vervallen.

Jezus Sirach 19:6
Wie zijn tong bedwingt, zal met degene die niet twistig is, leven; en wie klappen haat, die neemt af in boosheid.

Jezus Sirach 19:7
Herhaal een rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering.

Jezus Sirach 19:8
En vertel noch bij vriend noch bij vijand het leven van anderen, en indien het u geen zonde is, zo openbaar het niet.

Jezus Sirach 19:10
Hebt gij wat gehoord, laat het bij u sterven, en zijt welgemoed, want het zal u niet doen barsten.

Jezus Sirach 19:13
Bestraf uw vriend, misschien heeft hij het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd meer doe.

Jezus Sirach 19:14
Bestraf uw naaste, misschien heeft hij het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft, dat hij het ten tweeden male niet zegge.

Jezus Sirach 19:16
Laat uw hart niet elk woord geloven; menigeen struikelt in een woord en niet van harte, en wie is er die met zijn tong niet struikelt?

Jezus Sirach 19:17
Bestraf uw naaste eer gij dreigt, en geef de wet des Allerhoogsten plaats, en word niet toornig.

Jezus Sirach 19:19
De vreze van de Here komende, is de gehele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding der wet, en kennis zijner almogendheid. Een huisknecht zeggende tot zijn heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, indien hij het daarna doet, ver toornt degene, die hem voedt.

Jezus Sirach 19:25
Hij bukt het aangezicht, en maakt de dove; indien gij hem niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad te doen.

Jezus Sirach 20:4
Menigeen is er die zwijgt, want hij heeft niet te antwoorden, en menigeen is er die zwijgt, wetende de gelegen tijd.

Jezus Sirach 20:9
Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal zijn, en daar is menige gave die tweevoudige vergelding heeft.

Jezus Sirach 20:13
De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen.

Jezus Sirach 20:20
Een spreuk komende uit de mond eens dwazen zal verworpen worden, want hij spreekt die niet op de bekwame tijd.

Jezus Sirach 20:21
Menigeen wordt gehinderd te zondigen vanwege gebrek, en wordt in zijn rust niet doorprikkeld.

Jezus Sirach 20:30
Wijsheid die verborgen is, en een schat die niet bekend is, wat nuttigheid is in beide?

Jezus Sirach 21:14
Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden, hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert.

Jezus Sirach 21:21
Gelijk een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan.

Jezus Sirach 21:28
De lippen der veelsprekers verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de woorden der voorzichtigen zijn op de waag gewogen.

Jezus Sirach 22:14
Spreek niet lang met een onwijze, en ga niet tot een onverstandige, want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets achten.

Jezus Sirach 22:15
Hoed u voor hem, opdat gij geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.

Jezus Sirach 22:16
Wijk van hem, en gij zult rust vinden, en gij zult niet verluieren in zijn zinneloosheid.

Jezus Sirach 22:19
Gelijk een houten band, vast ingebonden in een ge bouw, niet los gaat door een schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees bevangen.

Jezus Sirach 22:21
Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen niet blijven,

Jezus Sirach 22:25
Indien gij het zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, want daar is wederkering.

Jezus Sirach 22:26
Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading en hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen is, en bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vliedt een iegelijk vriend weg.

Jezus Sirach 22:28
In de tijd der verdrukking blijf bij hem, opdat gij zijn erfdeel moogt erven, want de geringe staat is niet altijd te verachten, noch de rijke, die geen verstand heeft, in waarde te houden.

Jezus Sirach 22:30
Een vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs zo mij iets kwaads overkomt om zijnentwil, een iegelijk die het hoort zal zich voor hem wachten.

Jezus Sirach 22:31
Wie zal mij een wacht aan mijn mond stellen, en een scherpzinnig zegel op mijn lippen, opdat ik niet schielijk valse vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve?

Jezus Sirach 23:1
O Here, Vader en Heerser des gansen levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.

Jezus Sirach 23:2
Wie zal geselen bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting der wijsheid in mijn hart? opdat gij Here mijn onwetendheden niet verschoont, en de moedwil der openbare zondaren niet voorbijgaat;

Jezus Sirach 23:3
Opdat mijn onwetendheden niet vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen tot verplettering, en ik niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid verre is.

Jezus Sirach 23:5
Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks, en de bij slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.

Jezus Sirach 23:6
Hoort, mijn kinderen, de onderwijzing van een waarachtige mond, en wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen worden.

Jezus Sirach 23:8
Gewen uw mond niet tot zweren, en gewen u niet de heilige te noemen.

Jezus Sirach 23:9
Want gelijkerwijs een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht wordt, geen gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.

Jezus Sirach 23:10
Een man die veel zweert, is vol ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken.

Jezus Sirach 23:11
Indien hij mishandelt, zijn zonde is op hem, en indien hij het niet acht, zo zondigt hij dubbel.

Jezus Sirach 23:12
En zo hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen.

Jezus Sirach 23:13
Het is een wijze van spreken rondom met de dood bekleed; laat die niet gevonden worden in het erfdeel Jakobs.

Jezus Sirach 23:14
Want al deze dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld worden.

Jezus Sirach 23:15
Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren, want daarin is schuld der zonde.

Jezus Sirach 23:17
Dat gij niet te eniger tijd bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en gij zoudt willen dat gij niet geboren waart geweest, en zoudt de dag uwer geboorte vervloeken.

Jezus Sirach 23:18
Een mens die gewend is tot scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens niet onderwezen worden.

Jezus Sirach 23:20
Een hittige ziel is gelijk een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust tot het verslonden is.

Jezus Sirach 23:21
Een hoereerder, die met het lichaam zijns vleses hoererij bedrijft, rust niet totdat hij een vuur ontstoken heeft.

Jezus Sirach 23:22
Een hoereerder is allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten totdat hij zijn einde neemt.

Jezus Sirach 23:24
Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en de ogen der mensen zijn alleen zijn vrees;

Jezus Sirach 23:25
En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Here tienduizend maal klaarder zijn den de zon.

Jezus Sirach 23:28
Deze zal op de straten der stad gewroken worden, en gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend.

Jezus Sirach 23:33
Haar gedachtenis zal zij tot een vervloeking nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist worden.

Jezus Sirach 24:10
Vóór de wereld, van den beginne heeft hij mij geschapen, en tot in eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige tabernakel heb ik in zijn tegenwoordigheid gediend;

Jezus Sirach 24:24
Die mij eten, zullen niet hongeren, en die mij drinken, zullen niet dorsten.

Jezus Sirach 24:25
Die naar mij luistert zal nimmermeer beschaamd worden, en die naar mij arbeiden zullen niet zondigen.

Jezus Sirach 24:26
Al deze dingen leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste, de wet, welke Mozes bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is geen Zaligmaker benevens hem.

Jezus Sirach 24:30
De eerste heeft haar niet volkomen gekend, en zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd.

Jezus Sirach 24:38
Ziet gij dan, dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid, maar voor al degenen die ze zoeken.

Jezus Sirach 25:5
In uw jeugd hebt gij niet vergaderd, en hoe zoudt gij wat vinden in uw ouderdom?

Jezus Sirach 25:11
Hij is zalig die bij een verstandige vrouw woont, en die met de tong niet struikelt, en die niet dient degene, die zijns niet waardig is.

Jezus Sirach 25:13
Hoe groot is bij die wijsheid vindt! doch hij is niet boven degene, die de Here vreest.

Jezus Sirach 25:17
Alle plaag is te verdragen, maar niet de plaag des harten, en alle boosheid, doch niet de boosheid van een vrouw;

Jezus Sirach 25:18
Alle inval, doch niet de inval dergenen die haten, en alle wraak, doch niet de wraak der vijanden.

Jezus Sirach 25:25
Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen vrouw tot wellust.

Jezus Sirach 25:28
Welke haar man niet troost in zijn benauwdheid, die maakt trage handen en slappe knieën.

Jezus Sirach 25:31
Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief en laat haar gaan.

Jezus Sirach 26:9
Een dronken vrouw, en die ginds en weer loopt veroorzaakt grote toorn, en kan haar schande niet bedekken.

Jezus Sirach 26:11
Bewaar een onbeschaamde dochter zeer nauw, opdat zij niet, wanneer zij ruimte vindt, deze voor zich gebruikt.

Jezus Sirach 26:12
Neem acht op haar onbeschaamd oog, en verwonder u niet, indien zij verkeerd tegen u zou handelen.

Jezus Sirach 26:20
Mijn kind, bewaar de beste kracht van uw leven in gezond heid, en geef de vreemde uw sterkte niet.

Jezus Sirach 26:33
Een koopman is nauwelijks vrij van mishandeling; en een waard zal niet gerechtvaardigd worden van zonde.

Jezus Sirach 27:3
Indien iemand zich niet naarstig aan de vreze des Heren houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd worden.

Jezus Sirach 27:18
Maar indien gij zijn heimelijke zaken zoudt geopenbaard hebben, zo volg hem niet na.

Jezus Sirach 27:20
En gelijk alsof gij een vogel uit uw hand losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten, en zult hem niet weder vangen.

Jezus Sirach 27:21
Volg hem niet, want hij is verre van u weg, en is het ontvloden gelijk een ree uit de strik.

Jezus Sirach 27:28
Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het hem komt.

Jezus Sirach 28:20
Velen zijn gevallen door de scherpte des zwaards, doch niet zo velen als er gevallen zijn door de tong.

Jezus Sirach 28:21
Zalig is hij die voor haar beschermd is, die door haar gramschap niet is gegaan;

Jezus Sirach 28:22
Die haar juk niet getrokken heeft, en met haar banden niet is gebonden geweest.

Jezus Sirach 28:25
Zij zal over de godvrezenden gans geen macht hebben, en door haar vlam zullen zij niet verbranden.

Jezus Sirach 28:26
Die de Here verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken, en niet uitgeblust worden;

Jezus Sirach 28:30
Neemt acht dat gij niet enigszins daarin struikelt, opdat gij niet valt in tegenwoordigheid desgenen, die op u loert.

Jezus Sirach 29:8
Maar indien niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem tot een vijand zonder oorzaak.

Jezus Sirach 29:11
Evenwel in de vernedering uws naasten zijt lankmoedig, en stel hem niet uit met uw aalmoes.

Jezus Sirach 29:12
Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.

Jezus Sirach 29:13
Verlies uw geld om uws vriends en broeders wil, en verberg dat niet onder een steen tot verderfenis.

Jezus Sirach 29:18
Vergeet de weldaden niet van hen, die voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld.

Jezus Sirach 29:24
Neem u des naasten aan naar uw vermogen, en heb acht op uzelf dat gij niet valt.

Jezus Sirach 29:25
Het voornaamste van het leven des mensen is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet wel voegt.

Jezus Sirach 29:27
Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote, opdat gij niet hoort het verwijt van uw huis.

Jezus Sirach 29:28
Het is een ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, want waar gij bij wonen zult, daar zult gij de mond niet durven opendoen.

Jezus Sirach 30:4
Is zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven ware, want hij heeft achter zich gelaten een die hem gelijk is.

Jezus Sirach 30:5
In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.

Jezus Sirach 30:10
Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en gij ten laatste op uw tanden bijt.

Jezus Sirach 30:11
Geef hem geen macht in de jeugd, en overzie zijn onwetend heden niet.

Jezus Sirach 30:12
Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.

Jezus Sirach 30:13
Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.

Jezus Sirach 30:19
Wat is het brandoffer de afgod nut? want hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.

Jezus Sirach 30:21
Begeef uw ziel niet tot droefheid, en kwel uzelf niet door uw eigen raad.

Jezus Sirach 31:5
Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving najaagt, deze zal daarvan verzadigd worden.

Jezus Sirach 31:8
Zalig is de rijke, die onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.

Jezus Sirach 31:10
Wie is daardoor beproefd en volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft kunnen overtreden, en heeft niet overtreden? en kwaad doen, en heeft het niet gedaan?

Jezus Sirach 31:12
Als gij aan een grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd open;

Jezus Sirach 31:13
En zeg niet: Daar is veel opgezet.

Jezus Sirach 31:16
Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.

Jezus Sirach 31:18
Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig, opdat gij niet gehaat wordt.

Jezus Sirach 31:19
Houd eerst op, omdat gij onderwezen zijt, en zijt niet onverzadelijk, opdat gij niet te eniger tijd aanstoot geeft.

Jezus Sirach 31:20
En zo gij onder velen aanzit, steek uw hand niet eerder uit dan zij.

Jezus Sirach 31:21
Hoe weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig ingewand, hij staat des morgens vroeg weder op, en zijn vernuft is bij hem.

Jezus Sirach 31:24
Hoor mij, mijn kind, en veracht mij niet, en gij zult ten laatste de waarheid mijner woorden bevinden.

Jezus Sirach 31:35
Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging.

Jezus Sirach 31:36
En zeg hem geen verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.

Jezus Sirach 32:1
HEBBEN zij u tot een overste gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen als een van henlieden.

Jezus Sirach 32:5
Waar men toeluistert, giet daar uw rede niet uit, en zijt niet wijs buiten tijds.

Jezus Sirach 32:10
Zijnde onder de groten, maak u hun niet gelijk, en waar oude lieden zijn, heb niet veel gekakel.

Jezus Sirach 32:12
Word bij tijds wakker, en zijt niet van de laatsten; loop heen naar huis, en vertraag niet.

Jezus Sirach 32:13
Speel aldaar, en doe wat gij voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hovaardige woorden.

Jezus Sirach 32:19
Een welberaden man veracht de bedenking niet, maar een vreemde en hovaardige is voor vrees niet vervaard, en nadat hij iets gedaan heeft, is hij bij zichzelf zonder raad.

Jezus Sirach 32:20
Doe niets zonder raad, en als gij het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.

Jezus Sirach 32:21
Ga niet op de weg waarop men lichtelijk valt, en gij zult tegen geen steenachtige plaatsen aanstoten.

Jezus Sirach 32:22
Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.

Jezus Sirach 33:2
Een wijs man zal de wet niet haten maar wie daarin geveinsd is, die is gelijk als een schip in een storm van vele baren.

Jezus Sirach 33:17
Merkt dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid, maar voor al degenen, die onderwijzing zoeken.

Jezus Sirach 33:19
Geef uw zoon een vrouw, broeder en vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat gij niet berouw hebbende daarom behoeft te smeken.

Jezus Sirach 33:27
Drijf hem tot het werk, opdat hij niet ledig ga, want de ledigheid leert veel kwaads.

Jezus Sirach 33:29
Indien hij niet gehoorzaam is, verzwaar zijn boeien, doch wees niet te streng jegens iemands lichaam, en doe niets zonder oordeel.

Jezus Sirach 34:6
Indien ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.

Jezus Sirach 34:10
Die niet ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald heeft, is meerder in schranderheid.

Jezus Sirach 34:15
Wie de Here vreest, die zal geen ding vrezen, en zal niet vervaard wezen, want hij is zijn hoop.

Jezus Sirach 34:19
Die van onrechtvaardig goed offert, diens offerande is bespottelijk, en de gaven der goddelozen behagen God niet.

Jezus Sirach 34:20
De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offeranden der goddelozen, en wordt over de zonde door menigte der slachtoffers niet verzoend.

Jezus Sirach 35:4
Verschijn niet ledig voor het aangezicht des Heren.

Jezus Sirach 35:7
Het slachtoffer eens rechtvaardigen mans is aangenaam, en de gedachtenis daarvan zal niet vergeten worden.

Jezus Sirach 35:8
Verheerlijk de Here met een goed oog, en verminder de eerstelingen uwer handen niet.

Jezus Sirach 35:12
Besnoei uw gave niet, want hij zou ze niet aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig slachtoffer.

Jezus Sirach 35:14
De Here zal het aangezicht desgenen die zich tegen de arme stelt niet aannemen, maar de smeking desgenen die onrecht lijdt zal hij verhoren.

Jezus Sirach 35:15
Hij zal het smeken der wezen niet verachten, noch de weduwe indien zij haar klaag rede tot hem uitstort.

Jezus Sirach 35:16
Vlieten niet de tranen der weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?

Jezus Sirach 35:18
Het gebed des nederigen gaat door de wolken, en hij wordt niet getroost, totdat hij nabij gekomen is, en laat niet af totdat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke de rechtvaardige zal oordelen en recht doen.

Jezus Sirach 35:19
Ook zal de Here niet vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig zijn over hen, totdat hij de lendenen der onbarmhartigen verbroken zal hebben.

Jezus Sirach 36:2
En zend uw vrees over al de volken die u niet zoeken.

Jezus Sirach 36:25
Is dan op haar tong barmhartigheid, en zachtmoedig heid, en genezing, zo is haar man niet gelijk andere mensenkinderen.

Jezus Sirach 36:28
Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt herberg waar hij ook des avonds is.

Jezus Sirach 37:2
Blijft de droefheid niet tot de dood toe wanneer een metgezel en een vriend tot vijanden worden?

Jezus Sirach 37:6
Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer gij geld hebt.

Jezus Sirach 37:7
Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen die u benijden.

Jezus Sirach 37:9
Bewaar uw ziel voor de raadgever, en verneem eerst wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien het lot over u werpe,

Jezus Sirach 37:11
Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en verberg uw raadslag voor degenen, die u benijden;

Jezus Sirach 37:13
Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende man, van wie gij weet dat hij de geboden des Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en indien gij zoudt komen te struikelen, die met u bedroefd is.

Jezus Sirach 37:20
Daar is menig arglistig man, een onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel niet nut.

Jezus Sirach 37:22
Want hem is door de Here die genade niet gegeven, dewijl hij van alle wijsheid beroofd is.

Jezus Sirach 37:28
Mijn kind beproef uw ziel terwijl gij leeft, en zie wat voor haar schadelijk is, en geef het haar niet.

Jezus Sirach 37:29
Want alle dingen zijn allen niet nut, en ieder neemt geen vermaak in alles.

Jezus Sirach 37:30
Zijt niet onverzadelijk in alle lekkernijen, en stort u niet heen op de spijzen.

Jezus Sirach 38:4
De Here heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een voorzichtig man verontwaardigt ze niet.

Jezus Sirach 38:5
Is het water niet zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht door de mens zou gekend worden?

Jezus Sirach 38:9
Mijn kind, in uw krankheid verzuim het niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.

Jezus Sirach 38:11
Geef de Here een welriekende reuk, en een gedachtenis van meelbloem, en breng hem een vette offerande, als die niet eerst begint, en geef de geneesheer plaats.

Jezus Sirach 38:12
Want de Here heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft hem.

Jezus Sirach 38:16
Mijn kind over een dode laat tranen vallen, en begin te wenen als die zware dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis niet.

Jezus Sirach 38:21
Begeef uw hart niet tot droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde aan uw einde;

Jezus Sirach 38:22
Vergeet dat niet, want vandaar is geen wederkomst, en hem zult gij geen voordeel doen, en uzelf zult gij kwellen.

Jezus Sirach 38:25
De wijsheid van een schriftgeleerde wordt verkregen door de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet wijs worden.

Jezus Sirach 38:38
Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij niet overgaan.

Jezus Sirach 38:39
Op de stoel der rechters zitten zij niet, en het verbond van het recht verstaan zij niet, en brengen geen onderwijzing en recht te voorschijn.

Jezus Sirach 38:40
Wijze spreuken worden bij hen niet gevonden, maar zij bevestigen het bezit der wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen.

Jezus Sirach 39:12
Velen zullen zijn verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist worden.

Jezus Sirach 39:13
Zijn gedachtenis zal niet vergaan, en zijn naam zal leven tot in alle geslachten.

Jezus Sirach 39:20
De werken des Heren zijn alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt in zijn tijd; men mag niet zeggen: Wat is dit? want al deze dingen zullen op hun tijd onderzocht worden.

Jezus Sirach 39:25
Men mag niet zeggen: Wat is dit? want alle dingen zijn tot hun gebruik geschapen.

Jezus Sirach 39:36
En op de aarde zijn zij gereed tot zijn diensten, en wan neer hun tijd gekomen is, zo overtreden zij het woord niet.

Jezus Sirach 39:39
En men mag niet zeggen: Dit is bozer dan dat, want alle dingen zullen op hun tijd goed gekend worden.

Jezus Sirach 40:7
Hij wordt ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.

Jezus Sirach 40:14
De nakomelingen der goddelozen zullen niet vele takken uitschieten, want de onreine wortelen liggen op een steile steenrots.

Jezus Sirach 41:5
Vrees het oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.

Jezus Sirach 41:18
De wijsheid, die verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn komt, wat nuttigheid heeft men van beide?

Jezus Sirach 41:20
Dat men zich dan ontzie voor, mijn woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte te houden, en alle dingen worden niet door allen in getrouwheid goed gekend.

Jezus Sirach 41:27
Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.

Jezus Sirach 41:28
Schaamt u ook voor uw vriend vanwege woorden der verwijting, en als gij hem wat gegeven hebt verwijt hem dat niet.

Jezus Sirach 42:1
SCHAAM u niet vanwege deze navolgende dingen, en neem geen persoon aan om te zondigen.

Jezus Sirach 42:4
En schaam u niet, dat gij nauw let op de waag en het gewicht; noch dat gij veel of weinig bezit;

Jezus Sirach 42:9
En schaam u niet dat gij een onverstandige en dwaas onderwijst, en een geheel oude, die met de jonge lieden twist;

Jezus Sirach 42:12
En in haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet veroude, en is zij getrouwd, dat zij misschien niet gehaat worde.

Jezus Sirach 42:13
Is zij maagd, dat zij niet misschien ontreinigd, en in haars vaders huis zwanger worde, en hebbende een man, dat zij niet misschien overtrede, en getrouwd zijnde, niet misschien onvruchtbaar zij.

Jezus Sirach 42:14
Houd scherpe wacht over een wrevelige dochter, dat zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.

Jezus Sirach 42:15
Zie niet op de schoonheid van enig mens, en zit niet in het midden der vrouwen.

Jezus Sirach 42:20
De Here heeft zijn heiligen niet gegeven al zijn wonderheden te vertellen.

Jezus Sirach 42:25
Geen gedachte gaat hem voorbij; daar is voor hem ook niet een woord verborgen.

Jezus Sirach 43:11
Door de woorden van de heilige worden zij gesteld tot een veroordeling, en worden niet verhinderd in haar wacht.

Jezus Sirach 43:29
Wij zouden wel veel dingen zeggen, maar wij zouden het niet kunnen bereiken, en opdat ik mijn woorden voleindige, hij is het Al.

Jezus Sirach 43:33
Verhoogt hem en brengt hem veel sterkte toe; doch vermoeit u niet, want gij zult het niet bereiken.

Jezus Sirach 44:10
Doch enigen zijn er waarvan geen gedachtenis is, en die vergaan zijn gelijk of zij niet geweest waren; en zijn geworden alsof zij nooit geboren waren; desgelijks hun kinderen na hen.

Jezus Sirach 44:11
Doch dezen zijn mannen der barmhartigheid, welker gerechtigheden niet zijn vergeten.

Jezus Sirach 44:14
Tot in der eeuwigheid blijft hun zaad, en hun heerlijkheid zal niet uitgedelgd worden.

Jezus Sirach 44:19
Daarom geschiedde de zondvloed, en eeuwige verbonden werden met hem opgericht, opdat niet alle vlees door de zond vloed zou verdelgd worden.

Jezus Sirach 45:15
Vóór hem zijn dergelijke dingen niet geweest;

Jezus Sirach 45:32
Hij geve ulieden wijsheid in uw hart om te richten zijn volk in gerechtigheid, opdat hun goederen niet verdwijnen, en geve zijn heerlijkheid in hun geslachten.

Jezus Sirach 46:5
En is de zon niet door zijn hand achterwaarts gegaan? En is niet een dag als twee geworden?

Jezus Sirach 46:9
En ten tijde van Mozes deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, als zij de gemeente wederstonden, om het volk te verhinderen dat het niet zou zondigen en om de boze murmurering te stillen.

Jezus Sirach 46:13
En de richters, elk met zijn naam, welker aller hart niet heeft gehoereerd, en zo velen niet zijn afgekeerd van de Here, hun gedachtenis is ook gezegend.

Jezus Sirach 47:8
Hij verdelgde de vijanden rondom, en bracht tot niet de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken.

Jezus Sirach 47:23
Doch de Here verliet zijn barmhartigheid niet, en werd gans niet afgewend van zijn werken.

Jezus Sirach 47:24
Hij delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad desgenen, die hem had liefgehad, niet weg.

Jezus Sirach 48:13
Elia is het, die bedekt werd met een draaiwind; en Elisa werd vervuld met de Heilige Geest; en in zijn dagen werd hij niet bewogen door de oversten, en niemand heeft hem met geweld onderdrukt.

Jezus Sirach 48:16
Door al deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond van hun zonden niet af totdat zij als een roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid door de ganse aarde.

Jezus Sirach 50:4
Hij droeg zorg voor zijn volk, dat het niet viel.

Jezus Sirach 51:6
Van de verstikking des vuurs rondom; uit het midden des vuurs, dat ik niet verbrand ben;

Jezus Sirach 51:13
Ik riep de Here de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten in de dag der verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.

Jezus Sirach 51:28
Ik heb van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden.

Jezus Sirach 51:31
Gemaakt tot mij, gij die niet onderwezen zijt, en overnacht in het huis der onderwijzing.

Jezus Sirach 51:37
Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.

Baruch 1:13
Bidt ook voor ons, tot de Here onze God, want wij hebben tegen de Here onze God gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag.

Baruch 1:18
En wij zijn hem ongehoorzaam geweest, en hebben de stem des Heren onzes Gods niet gehoord, om te wandelen naar de bevelen des Heren, die hij voor ons aangezicht gegeven had.

Baruch 1:19
Van de dag af, op welke de Here onze vaderen uit Egypte land geleid heeft, tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam geweest tegen de Here onze God, en zijn snel geweest om zijn stem niet te horen.

Baruch 1:21
En wij hebben de stem des Heren onzes Gods niet gehoord, naar al de woorden der profeten, die hij tot ons heeft gezonden.

Baruch 2:2
Dat hij over ons grote ellende liet komen, hoedanige hij niet heeft gedaan onder de ganse hemel, gelijk hij gedaan heeft te Jeruzalem, naar dat geschreven is in de wet van Mozes;

Baruch 2:5
Zij zijn ten onder gekomen, en niet boven; omdat wij ons verzondigd hebben aan de Here onze God, zodat wij zijn stem niet hebben gehoord.

Baruch 2:8
En wij hebben het aanschijn des Heren niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten zijns bozen harten.

Baruch 2:10
Maar wij hoorden zijn stem niet, om te wandelen in de bevelen des Heren, die hij gegeven had voor ons aangezicht.

Baruch 2:17
Doe uw ogen open Here, en zie, want de doden in het graf, welker geest van hun ingewanden weggenomen is, zullen de Here de prijs der heerlijkheid en rechtvaardigheid niet geven.

Baruch 2:19
Want wij storten ons erbarmelijk gebed, o Here onze God, niet uit voor uw aangezicht, vanwege de rechtvaardigheid onzer vaderen en onzer koningen.

Baruch 2:22
En indien gij de stem des Heren niet zult horen, om de koning van Babylonië te dienen,

Baruch 2:24
Doch wij hebben uw stem niet gehoord, om de koning van Babylonië te dienen; daarom hebt gij uw woorden bevestigd, die gij gesproken hadt door de dienst uwer knechten, de profeten, dat de gebeenten onzer koningen, en de gebeenten onzer vaderen zouden gebracht worden uit hun plaats.

Baruch 2:29
Indien gij mijn stem niet zult horen, zo zal waarlijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen onder de heidenen, waarheen ik hen verstrooien zal.

Baruch 2:30
Want ik weet dat zij mij niet zullen horen, dewijl het een hardnekkig volk is.

Baruch 2:34
En ik zal hen doen wederkeren in het land dat ik hun vaderen Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.

Baruch 2:35
En ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen, namelijk dat ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen mij zijn tot een volk; en ik zal mijn volk Israël niet meer verdrijven uit het land, dat ik hun gegeven heb.

Baruch 3:4
Almachtige Here, gij God van Israël, hoor toch het gebed der gestorvenen van Israël, en der kinderen die voor u gezondigd hebben, die de stem van de Here hun God niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd.

Baruch 3:5
Gedenk niet de ongerechtigheden onzer vaderen, maar gedenk aan uw hand en aan uw naam te dezer tijd.

Baruch 3:20
De nakomelingen hebben het licht gezien, en hebben op de aarde gewoond, maar de weg der wetenschap hebben zij niet gekend.

Baruch 3:21
En hebben haar paden niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven.

Baruch 3:22
Zij is in Kanaän niet gehoord, noch in Theman gezien geworden.,

Baruch 3:23
De kinderen van Agar doorzoeken de wetenschap wel op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers der wetenschap, maar de weg der wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht aan haar paden.

Baruch 3:27
Deze heeft de Here niet verkoren, noch hun de weg der kennis te verstaan gegeven.

Baruch 3:28
Zij zijn vergaan, omdat zij de wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan om hunner onberadenheid wil.

Baruch 4:3
Geef aan een ander uw heerlijkheid niet, noch hetgeen u nuttig is, aan een vreemd volk.

Baruch 4:6
Gij zijt de heidenen verkocht, doch niet ten verderve; en omdat gij God vertoornd hebt, zijt gij de vijanden overgegeven.

Baruch 4:7
Want gij hebt hem die u gemaakt heeft tot toorn verwekt, als gij de duivelen hebt geofferd, en niet God.

Baruch 4:13
En hebben zijn rechten niet gekend, en hebben niet gewandeld op de weg der geboden Gods, en zijn niet gegaan op de paden der tuchtiging in zijn gerechtigheid.

Baruch 4:16
Want zij hebben geen schaamte gehad voor de oude, en des kinds hebben zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd.

Baruch 6:4
Ziet dan wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.

Baruch 6:7
Want hun tong is van de werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud en zilver versierd, maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet spreken.

Baruch 6:11
Maar zij kunnen zichzelf niet bewaren voor roest en mot.

Baruch 6:13
En hij heeft een scepter als een mens, die des lands rechter is, en kan die niet ombrengen, die tegen hem zondigt.

Baruch 6:14
Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van de krijg en de rovers niet verlossen, daaraan kent men dat zij geen goden zijn.

Baruch 6:15
Zo vreest hen dan niet, want gelijk een vat van een mens dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn ook hun goden.

Baruch 6:17
En gelijk voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid worden, de zalen rondom bezet zijn, alzo verzekeren ook de priesters hun tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden.

Baruch 6:19
En men zegt dat hun harten worden uitgeknaagd van de kruipende dieren der aarde; en wanneer zij deze en hun kleding vereten, zo gevoelen zij het niet.

Baruch 6:22
Daaraan zult gij weten dat zij geen goden zijn, zo vreest hen dan niet.

Baruch 6:23
Want indien niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering, zo zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet als zij gegoten werden.

Baruch 6:26
Die hen dienen worden ook beschaamd, omdat zij, indien zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar gelijk als voor doden zo zet men hun gaven voor.

Baruch 6:28
Hun offeranden raken de maandstondige en kraamvrouwen aan. Ziet dan daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen niet.

Baruch 6:33
En hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen noch af zetten.

Baruch 6:34
Desgelijks kunnen zij ook noch rijkdom geven, noch geld. Indien iemand hun een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet.

Baruch 6:35
Zij zullen een mens van de dood niet verlossen, noch een zwakke bevrijden van een sterke.

Baruch 6:36
Zij zullen een blinde niet weder tot het gezicht brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit helpen.

Baruch 6:37
Zij ontfermen zich niet der weduwe, en doen geen goed aan de wees.

Baruch 6:40
Bovendien onteren zich de Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen zij hem tot Bel,

Baruch 6:41
Verzoekende dat hij zou spreken, alsof het hem mogelijk ware te verstaan, en hoewel zij het tegendeel bemerken, zo kunnen zij zulks niet nalaten, want zij hebben geen gevoel.

Baruch 6:43
En wanneer een dezer weggerukt zijnde van iemand der genen die daar voorbijgaat, beslapen wordt, zo verwijt die zulks degene die naast haar gezeten is, dat zij des niet waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband niet is verbroken.

Baruch 6:49
Hoe kan men dan niet tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf noch van krijg, noch van ander kwaad kunnen ver lossen?

Baruch 6:57
Want de sterken onder hen halen rondom deze af het goud en het zilver, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf niet helpen;

Baruch 6:63
Daarom moet men noch houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen.

Baruch 6:64
Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest hen niet.

Baruch 6:66
Zij kunnen ook geen tekenen in de hemel onder de heidenen vertonen. Zij kunnen niet schijnen als de zon, noch lichten als de maan.

Baruch 6:69
Want gelijk een vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde en verzilverde goden; op dezelfde wijze zijn zij gelijk de doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte op zit.

Esther (apocr.) 10:9
En mijn volk is het volk van Israël, die tot God riepen en behouden zijn, en de Here heeft zijn volk behouden, en de Here heeft zijn volk verlost uit al deze ongevallen, en God heeft deze grote tekenen en wonderen gedaan, welke onder de heidenen niet geschied zijn.

Esther (apocr.) 13:2
Daar ik over vele volken heers, en de gehele aardbodem onder mijn macht heb, zo heb ik mij evenwel op het vertrouwen mijner macht niet willen verheffen, maar bescheiden en met zachtmoedigheid altijd regerende, heb ik mijn onderzaten in hun leven altijd willen rust doen hebben, en mijn koninkrijk in stilte houden, en tot de uiterste palen toe tot reizen veilig, en zo de gewenste vrede voor alle mensen weder vernieuwen.

Esther (apocr.) 13:4
Dat onder alle geslachten die op de aardbodem zijn, een zeker hatelijk volk gemengd was, dat in wetten alle volken tegenstrijdig was, en de ordinantien der koningen gedurig verachtte, zodat onze onberispelijke aangerichte regering niet kan voltrokken worden.

Esther (apocr.) 13:5
Dewijl wij dan vernomen hebben hoe dit enig volk tegen alle andere mensen altijd in tweespalt ligt, veranderende hun zeden door een vreemde invoering van wetten, en hoe het onzer zaken vijand zijnde zeer kwade stukken begaat, ook zo dat ons koninkrijk zijn welstand niet verkrijgt;

Esther (apocr.) 13:12
Gij kent alle dingen, gij weet, Here, dat ik niet uit spijtigheid, noch uit hovaardigheid, noch uit eergierigheid, dit heb gedaan, dat ik de hovaardige Haman niet heb aangebeden.

Esther (apocr.) 13:14
Maar ik heb dit gedaan, opdat ik de eer van een mens niet zou stellen boven de eer van God;

Esther (apocr.) 13:15
En ik zal niemand aanbidden dan u, die mijn Here zijt, en ik zal dat niet doen uit hovaardigheid;

Esther (apocr.) 13:17
En veracht uw deel niet, dat gij voor uzelf uit Egypteland hebt verlost.

Esther (apocr.) 13:18
Verhoor mijn gebed, en zijt uw erfdeel genadig, en wend ons treuren in vreugde, opdat wij leven en uw naam prijzen, Here, en verdelg de mond niet dergenen, die u loven.

Esther (apocr.) 14:7
Gij zijt rechtvaardig, Here, en nu zijn zij niet vergenoegd, dat zij ons in bittere dienstbaarheid houden.

Esther (apocr.) 14:11
Geef, Here, uw scepter niet over aan degenen die niet zijn, en laat hen niet lachen over onze val, maar wend hun raad tegen hen, en stel die ten toon, die dat tegen ons heeft bedacht.

Esther (apocr.) 14:16
Gij weet, dat ik het doen moet, en dat ik een afschuw heb van het teken mijner hovaardij, dat op mijn hoofd is, in de dagen dat ik mij moet laten zien; en heb een afschuw daarvan, als van een onreine doek, en draag het niet wanneer ik in stilte ben.

Esther (apocr.) 14:17
Uw dienstmaagd heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, noch de maaltijd van de koning verheerlijkt, noch gedronken van de offerwijn.

Esther (apocr.) 15:8
En God veranderde het hart van de koning tot goedheid, en hem werd bange, en hij sprong af van zijn troon, en omving haar met zijn armen, totdat zij tot zichzelf kwam, en troostte haar met woorden des vredes, en zeide tot haar: Wat is u Esther? ik ben uw broeder, zijt goedsmoeds, gij zult niet sterven, want dit gebod is ons gemeen.

Esther (apocr.) 16:3
En zoeken niet alleen degenen, die ons onderdanig zijn, leed aan te doen, maar ook, hun weelde niet kunnende dragen, pogen zelfs hun weldoeners lagen te leggen.

Esther (apocr.) 16:4
En nemen niet alleen de dankbaarheid uit de mensen weg, maar ook door de pracht der ongewone goederen zich verheffende, menen zij de wraak van God, die het kwade haat en altijd alles doorziet, te ontvlieden.

Esther (apocr.) 16:7
Dit kan opgemerkt worden niet zozeer uit de oude historiën, gelijk wij verhaald hebben, als wel uit hetgeen ons voor de voeten is, zo gij onderzoekt hetgeen onrechtvaardig is volbracht, door het valse beleid dergenen, die de macht onbehoorlijk hebben gebruikt.

Esther (apocr.) 16:12
Zo heeft hij zulke hoogmoed niet kunnen dragen, maar heeft voorgenomen ons van ons rijk en leven te beroven,

Esther (apocr.) 16:17
Gij zult dan weldoen, dat gij de brieven die door Haman, de zoon van Ammedatha, zijn gezonden, niet gebruikt.

Esther (apocr.) 16:24
Doch alle stad of land dat hiernaar niet zal hebben gedaan, zal door zwaard en vuur gans verdelgd worden, zonder genade, en zal niet alleen de mensen ontoegankelijk, maar ook de wilde dieren en vogelen voor altijd vijand gemaakt worden.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:30
En wij hebben uw geboden niet gehoord, noch gehouden; en hebben niet gedaan gelijk gij ons geboden hadt, opdat het ons welging.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:33
En nu durven wij onze mond niet opendoen, wij zijn een schande en spot geworden voor uw knechten, en voor allen die u dienen.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:34
Doch geef ons niet over ten einde toe om uws naams wil, en verstoot uw verbond niet.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:35
En neem uw barmhartigheid niet van ons, om Abrahams wil, die door u geliefd is, en om Izaäk uws knechts wil, en om Israël uws heiligen wil;

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:40
Maar neem ons aan, in een verbroken hart, en in een vernederde geest; gelijk als in brandoffer van rammen en stieren, en in vele duizend vette schapen, zo zij heden onze offerande voor u, en zij volmaakt bij u, want zij zullen niet beschaamd worden, die op u betrouwen.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:42
Daarom laat ons niet beschaamd worden, maar doe met ons naar uw goedertierenheid, en naar de menigte van uw barmhartigheid.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:46
De dienaren nu des konings, die hen in de oven geworpen hadden, lieten niet af van de oven te doen branden met zwavel, en pek, en werk, en rijs.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:50
En stiet de vlam des vuurs uit de oven, en maakte het middelste des ovens alsof een windje van de dauw suisde, en het vuur raakte hen gans niet, en deed hun geen verdriet, noch enige bekommering aan.

Susanna (Dan. 13) 1:9
En verkeerden hun eigen zin, en wendden hun ogen af, zodat zij naar de hemel niet zagen, noch aan rechtvaardige gerichten gedachten.

Susanna (Dan. 13) 1:10
En zij waren beiden over haar ontstoken, maar verhaalden elkander hun pijn niet;

Susanna (Dan. 13) 1:18
En zij deden als zij zeide, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen hetgeen haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstoken hadden.

Susanna (Dan. 13) 1:21
Doch indien niet zo zullen wij tegen u getuigen dat een jong gezel bij u is geweest, en dat gij daarom uw dienstmaagden van u hebt weggezonden.

Susanna (Dan. 13) 1:22
En Susanna zuchtte zwaar en sprak: Mij is van alle zijden bang, want, indien ik dat doe, zo ben ik des doods; en indien ik het niet doe, zo zal ik uw handen niet ontvlieden.

Susanna (Dan. 13) 1:23
Doch het is mij raadzamer zulks niet doende in uw handen te vallen, dan te zondigen tegen de Here.

Susanna (Dan. 13) 1:39
En ziende hen bij elkander, konden wij de gezel niet machtig worden, omdat hij sterker was dan wij; en hij deed de deuren open en sprong weg.

Susanna (Dan. 13) 1:40
Doch deze grepen wij en vraagden haar wie de jongeling was, en zij wilde ons zulks niet zeggen. Dit getuigen wij.

Susanna (Dan. 13) 1:53
Als gij onrechtvaardige oordelen oordeeldet, en de onschuldige veroordeeldet, maar de schuldige losliet; daar de Here zegt: Gij zult de onschuldige en rechtvaardige niet doden.

Susanna (Dan. 13) 1:56
En als hij deze had doen weggaan, beval hij dat men de ander zou voorbrengen, en zeide tot hem: Gij zaad van Kanaän en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen, en de begeerlijkheid heeft uw hart verkeerd.

Susanna (Dan. 13) 1:57
Alzo hebt gij de dochters van Israël gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:3
En de koning eerde die, en ging dagelijks heen, om die te aanbidden, doch Daniël aanbad God. En de koning zeide tot hem: Waarom bidt gij Bel niet aan?

Bel en de draak (Dan. 14) 1:5
En de koning sprak tot hem: Dunkt u dan niet dat Bel een levende god is? of ziet gij niet hoe veel hij dagelijks eet?

Bel en de draak (Dan. 14) 1:6
Maar Daniël lachte en zeide: Laat u niet verleiden, o koning; want deze Bel is van binnen leem, maar van buiten koper, en hij heeft nooit gegeten noch gedronken.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:7
En de koning vertoornd zijnde, deed zijn priesters roepen en zeide tot hen: Indien gijlieden mij niet zegt wie deze kost opeet, zo zult gij sterven.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:11
En kom morgen vroeg, en indien gij niet vindt dat alles door Bel opgegeten is, zo zullen wij sterven, of Daniël zal sterven die tegen ons heeft gelogen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:18
En Daniël lachte, en hield de koning op, dat hij niet binnen gaan zou, en zeide: Zie op de vloer, en merk op wiens deze voetstappen zijn.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:23
En de koning zeide tot Daniël: Zegt gij ook dat deze van koper is? Zie hij leeft, en hij eet en drinkt, gij kunt niet zeggen dat deze geen levende god is; daarom bid hem aan.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:31
En daar waren zeven leeuwen in de kuil, en hun werden dagelijks gegeven twee lichamen, en twee schapen; maar toen werd hun dat niet gegeven, opdat zij Daniël verslinden zouden.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:34
En Habakuk zeide: Here, ik heb Babylon nooit gezien, en weet niet waar de kuil is.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:37
En Daniël zeide: Gij gedenkt mij dan Here, en verlaat niet degenen die u liefhebben!

Gebed van Manasse 1:8
Gij, Here, die een God zijt der rechtvaardigen, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan de rechtvaardige Abraham, Izaäk en Jakob, welke tegen u niet hebben gezondigd; maar gij hebt mij boetvaardigheid opgelegd, die een zondaar ben.

Gebed van Manasse 1:9
Want mijn zonden zijn meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Here, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waardig dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte mijner overtredingen.

Gebed van Manasse 1:10
Ik ben gekromd in zware ijzeren banden, en ik kan mijn hoofd niet opheffen, en heb geen rust, omdat ik uw toorn verwekt, en kwaad voor uw ogen gedaan heb; dewijl ik uw wil niet heb gedaan, en uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelen opgericht, en vele ergernissen begaan.

Gebed van Manasse 1:12
Daarom bid en smeek ik u, vergeef het mij, Here, vergeef het mij, en verderf mij niet in mijn zonden, en toorn niet eeuwig over mij, en behoud het kwade niet tegen mij, en verdoem mij niet in de onderste delen der aarde, want gij zijt God, een God der boetvaardigen.

1 Makkabeeën 1:36
En stelden daarin een zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en werden sterk in dezelve.

1 Makkabeeën 1:53
Zo wie niet zou doen naar dit woord des konings, die zou moeten sterven.

1 Makkabeeën 1:66
Doch velen in Israël zijn versterkt geworden, vast voornemende niet te eten enige onreine dingen;

1 Makkabeeën 1:67
En verkoren liever te sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig verbond ontheiligen en zijn gestorven.

1 Makkabeeën 2:10
Wat volk is er dat haar koninkrijk niet heeft geërfd, en van haar roof niet gekregen heeft?

1 Makkabeeën 2:21
De Here wil ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de wet en de rechten.

1 Makkabeeën 2:22
Het woord des konings zullen wij niet horen, dat wij zouden overtreden onze godsdienst ter rechter hand of ter linkerhand.

1 Makkabeeën 2:34
En dezen zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen het woord des konings niet doen, om te ontheiligen de dag des sabbats.

1 Makkabeeën 2:36
En dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen tegen hen, en stopten de holen niet toe, zeggende:

1 Makkabeeën 2:40
En een man zeide tot zijn naaste: Indien wij allen zouden doen, gelijk onze broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen.

1 Makkabeeën 2:41
En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk onze broeders in de holen gestorven zijn.

1 Makkabeeën 2:48
Zij bevrijdden de wet uit de hand der heidenen, en uit de hand der koningen, en gaven de hoorn der overwinning niet aan die zondaar.

1 Makkabeeën 2:52
Is Abraham in de verzoeking niet getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid gerekend?

1 Makkabeeën 2:61
En overdenkt zo van geslacht tot geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt worden.

1 Makkabeeën 2:62
En vreest niet voor de woorden des zondigen mans, want zijn heerlijkheid zal tot drek en wormen worden.

1 Makkabeeën 2:63
Heden zal hij verhoogd worden en morgen zal hij niet gevonden worden, want hij zal wederkeren tot stof, en zijn overleggingen zullen vergaan.

1 Makkabeeën 3:17
En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?

1 Makkabeeën 3:19
Want de overwinning in de krijg bestaat niet in de menigte der macht, maar de kracht uit de hemel geeft ze.

1 Makkabeeën 3:22
En God zal hen vermorzelen voor onze aangezichten; gij dan wilt hen niet vrezen.

1 Makkabeeën 3:30
En vrezende dat bij niet genoeg zou hebben, om nog eens of tweemaal de onkosten te doen, en om de geschenken te geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had, zodat hij de vorige koningen in mildheid had overtroffen;

1 Makkabeeën 3:53
Hoe zullen wij kunnen bestaan voor hun aangezicht, zo gij ons niet helpt?


[1 - 500]  501 - 1000  [1001 - 1194]