woord OT NT apo Bijbel
nog333145119597

Vindplaatsen van nog in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 119 keer voor, in 116 verzen.

3 Ezra 4:52
En dat zij, om op het altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks brandofferen te offeren, nog tien andere talenten jaarlijks zouden opbrengen.

3 Ezra 5:53
En allen, die God geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan der zevende maand af, begonnen God offeranden te offeren, en de tempel des Heren was nog niet gebouwd.

3 Ezra 6:20
Toen nu Sabanasser daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.

3 Ezra 8:55
En ik zonderde van de oversten der priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen nog twaalf mannen.

4 Ezra 1:16
En hebt niet getriumfeerd in mijn naam over de verdelging uwer vijanden, maar nog tot nu toe hebt gij gemurmureerd.

4 Ezra 1:21
Ik heb onder u vette landen uitgedeeld; de Kanaänieten, Feresieten, en Filistijn heb ik van voor uw aanschijn uitgedrevan. Wat zou ik nog meer doen? spreekt de Here.

4 Ezra 1:35
Ik zal uw huizen overgeven aan een volk dat nog komen zal. Die mij niet gehoord hebben, zullen geloven, en wie ik geen tekenen getoond heb, die zullen doen wat ik bevolen heb.

4 Ezra 4:8
Zo zoudt gij mij mogelijk zeggen: Ik ben in de afgrond niet nedergedaald, noch tot nog toe in de hel; en ik ben in de hemel nooit opgeklommen.

4 Ezra 4:12
En ik zeide tot hem: Het ware beter dat wij niet waren, dan dat wij nog levende zouden leven in goddeloosheid, en zouden lijden, en niet verstaan om welke zaak.

4 Ezra 4:14
En spraken: Komt, laat ons heengaan en de zee beoorlogen, opdat zij voor ons wijke, en wij nog andere bossen maken.

4 Ezra 4:28
Doch waarvan gij mij vraagt wil ik u zeggen: Het boze is gezaaid, maar zijn verstoring is nog niet gekomen.

4 Ezra 4:30
Want het graan des kwaden zaads is gezaaid in het hart Adams van den beginne; hoeveel goddeloosheid heeft het voort gebracht tot nu toe, en zal het, nog voortbrengen, totdat de oogst komt?

4 Ezra 4:40
En hij antwoordde, en zeide tot mij: Ga, en vraag een zwangere vrouw, wanneer zij haar negen maanden vervuld heeft, of haar baarmoeder de vrucht nog zal kunnen bij zich houden.

4 Ezra 4:50
En hij zeide tot mij: Denk bij u zelf, gelijk de regen meer aanwast dan de druppelen, en het vuur dan de rook, zo is de maat, die voorbij is, overvloediger, doch de druppelen en de rook zijn nog overgebleven.

4 Ezra 5:36
En hij zeide tot mij: Vertel mij de dingen die nog niet zijn gekomen: en vergader mij de verstrooide druppelen, en maak mij de verdorde bloemen wederom groen.

4 Ezra 5:43
En ik antwoordde en zeide: Kondt gij niet maken, dat degenen die geweest zijn, en die nu zijn, en die nog zijn zullen, op eenmaal zouden zijn, opdat gij uw oordeel te spoediger vertoondet?

4 Ezra 5:50
En ik vroeg en zeide: Dewijl gij mij de weg hebt geopend, zo zal ik voor u spreken; onze moeder waarvan gij mij gezegd hebt, is die nog jong; of genaakt zij nu de ouderdom?

4 Ezra 6:39
En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem des mensen was nog door u niet geschapen.

4 Ezra 6:46
En gij geboodt hun dat zij de mens dienen zouden, die nog geschapen zou worden.

4 Ezra 7:6
Nog een andere gelijkenis: Een stad is gebouwd en gelegen in een vlak veld, en is vol van allerlei goederen;

4 Ezra 7:31
En het zal na zeven dagen geschieden, dat de wereld die nog niet ontwaakt is, zal opgewekt worden, en dat verdorven is, zal sterven.

4 Ezra 7:42
En hij antwoordde en zeide tot mij: De tegenwoordige eeuw is niet het einde, veel heerlijkheid blijft nog in deze; daarom hebben zij voor de zwakken gebeden.

4 Ezra 7:62
En ik antwoordde en zeide: Ik weet Here dat de Allerhoogste daarom barmhartig genoemd is, omdat hij zich hunner ontfermt, die nog in de wereld niet zijn gekomen,

4 Ezra 7:66
En dat hij van grote barmhartigheid is, want hij bewijst menigvuldige barmhartigheid degenen die tegenwoordig zijn, en die voorbij zijn, en nog zijn zullen.

4 Ezra 8:47
Want u ontbreekt nog veel, dat gij mijn schepsel zoudt liefhebben meer dan ik: doch ik ben u en hetzelve dikmaals genaderd, maar de onrechtvaardige nooit.

4 Ezra 9:11
En die van mijn wet een walg gehad hebben, toen zij nog vrijheid hadden,

4 Ezra 9:12
En toen hun nog plaats van berouw open was, die het niet verstonden, maar verachtten het, deze moeten het na de dood in de pijn leren kennen.

4 Ezra 9:18
Waarlijk, als ik voor degenen, die nu zijn, de wereld bereidde die nog niet was geschapen om te bouwen, zo wedersprak mij niemand.

4 Ezra 9:23
Maar gij, indien gij nog andere zeven dagen vertoeft, (doch gij zult in dezelve niet vasten),

4 Ezra 10:32
En ik zeide: Omdat gij mij verlaten hebt; want ik heb naar uw redenen gedaan, en ben in het veld uitgegaan; en ziet, ik heb gezien, en zie nog, wat ik niet kan verhalen.

4 Ezra 10:45
En dat zij u gezegd heeft, dat zij dertig jaren onvruchtbaar is geweest, dit is omdat het dertig jaren zijn geweest, dat nog geen offerande in dezelve was geofferd.

4 Ezra 11:28
En ik zag, en ziet, de twee die nog overig waren, dachten ook zelf bij zichzelf heerschappij te verkrijgen.

4 Ezra 11:34
Doch de twee hoofden waren nog over, welke op gelijke wijze ook heersten over de aarde, en over degenen, die daarin wonen.

4 Ezra 12:2
En ziet, het hoofd dat nog over was, doch de vier vleugelen, die tot hetzelve overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer.

4 Ezra 12:5
Ziet, ik ben nog vermoeid in mijn gemoed, en ik ben zeer zwak in mijn geest, en daar is geen kracht meer in mij, vanwege de grote vrees, waarmee ik deze nacht verschrikt ben geweest.

4 Ezra 12:39
Maar verbeid gij hier nog andere zeven dagen, opdat u vertoond worde hetgeen de Allerhoogste goeddunken zal u te vertonen.

4 Ezra 12:51
Doch ik zat nog zeven dagen in het veld, gelijk hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen des akkers, en uit de kruiden is mij spijs geworden in die dagen.

4 Ezra 13:15
Zo toon mij dan nu nog de verklaring van deze droom.

4 Ezra 13:56
En daarom heb ik u getoond de schatten die bij de Allerhoogste zijn, en na drie andere dagen zal ik nog andere dingen tot u spreken, en ik zal u zware en wonderlijke zaken verklaren.

4 Ezra 14:12
Maar er is nog overig hetgeen na het tiende deel en een half volgt.

4 Ezra 14:15
Want het kwaad, dat gij hebt zien geschieden, zullen zij nog erger maken dan dit.

4 Ezra 15:38
En daarna zullen er grote slagregenen komen van het zuiden en van het noorden, en nog een ander deel van het westen.

4 Ezra 16:53
Want nog een weinig tijds is het, en de ongerechtigheid zal van de aarde weggenomen worden en de gerechtigheid zal over u heersen.

4 Ezra 16:72
Zij zullen zijn als woedenden, en zullen niemand sparen, om te beroven, en te verstoren die God nog vrezen.

Tobias (Tobit) 1:4
En toen ik nog was in mijn land, in het land Israëls, als ik jong was, het gehele geslacht Naftali, mijns vaders, week af van het huis Gods te Jeruzalem, hetwelk uitverkoren was, uit alle stammen Israëls,

Tobias (Tobit) 2:9
En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig geweest, en ziet, wederom begraaft hij de dode.

Tobias (Tobit) 3:9
En zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen verstikt?

Tobias (Tobit) 5:21
Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, indien gijlieden gezond wederkeert.

Tobias (Tobit) 7:6
En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.

Tobias (Tobit) 12:1
EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met u gekomen is, het loon geeft, en bovendien moet hem nog iets toegelegd worden.

Tobias (Tobit) 14:17
En eer hij stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve, welke Nabuchodonosor en Assuërus ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over Nineve, eer hij stierf.

Judith 7:19
En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.

Judith 13:13
En Judith zeide van verre tot degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doet open! doet toch de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, gelijk hij ook heden gedaan heeft.

Boek der Wijsheid 8:10
Ik zal door haar heerlijkheid hebben onder het volk, en nog jong zijnde eer bij de ouden.

Boek der Wijsheid 10:7
Van welker boosheid nog een getuigenis is dat rokende woeste land, en de bomen die ontijdige vruchten dragen, en de zoutpilaar staande tot gedachtenis van de ongelovige ziel.

Boek der Wijsheid 14:22
Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook levende in een grote strijd der onwetendheid, hebben zij zulke kwade dingen nog vrede genoemd.

Boek der Wijsheid 15:18
En eren ook de dieren die de allervijandigste zijn; want verstandeloze, bij andere vergeleken, zijn nog erger.

Boek der Wijsheid 19:3
Want hebbende nog de rouw in handen en klagende bij de graven der doden, namen zij een ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten, dezen hebben zij als vluchtenden vervolgd.

Boek der Wijsheid 19:4
Want de noodzakelijkheid, die zij waardig waren, trok hen tot dit einde, en bracht hen in een vergetelheid der dingen die hun wedervaren waren, opdat zij vervullen zouden de plaag die aan hun pijnen nog ontbrak.

Boek der Wijsheid 19:10
Want zij waren nog gedachtig de dingen die geschied waren in het land van hun vreemdelingschap; hoe de aarde in plaats van voortteling van beesten, vliegen had voortgebracht, en de rivier in plaats van vissen, een menigte van vorsen uitgeborreld had.

Jezus Sirach 10:10
Want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen deze weg, terwijl hij nog leeft.

Jezus Sirach 13:26
Een nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige rede gesproken, en men geeft hem geen plaats.

Jezus Sirach 17:9
Hij heeft hun nog toegelegd wetenschap, en hun de wet des levens tot een erfdeel gegeven, opdat zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.

Jezus Sirach 18:4
Wie zal de kracht van zijn majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden verhalen?

Jezus Sirach 18:6
Wanneer de mens zal hebben voleindigd, dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken.

Jezus Sirach 21:17
Indien de verstandige een wijs woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.

Jezus Sirach 25:10
Een mens die verheugd wordt aan zijn kinderen, terwijl hij nog leeft, en die de val zijner vijanden ziet.

Jezus Sirach 29:29
Gij zult gasten hebben en te drinken geven de ondankbaren, en nog daartoe bittere woorden horen.

Jezus Sirach 30:12
Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.

Jezus Sirach 33:20
Zolang als gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands macht, over.

Jezus Sirach 39:16
Nog zal ik vertellen hetgeen ik bedacht heb, want ik ben vervuld gelijk de volle maan.

Jezus Sirach 41:2
Voor een man die goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en nog sterk is om spijs te nemen.

Jezus Sirach 42:24
Hij verkondigt de dingen die voorbijgegaan zijn, en die nog worden zullen, en hij ontdekt de voetstappen der verborgen dingen.

Jezus Sirach 43:32
Verheerlijkt de Here en verhoogt hem zoveel gij kunt; evenwel zal hij het nog overtreffen.

Jezus Sirach 43:35
Daar zijn nog vele verborgen dingen meer dan deze; wij hebben van zijn werken weinig gezien.

Jezus Sirach 51:17
Als ik nog jong was, eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht door mijn gebed.

Esther (apocr.) 13:7
Opdat zij, die eertijds vijandelijk gezind waren, en nu nog zijn, op een dag door geweld in het graf gekomen zijnde, onze zaken tegen de toekomende tijd in volmaakte welstand en stilheid mogen laten.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:16
En de koning zeide: Daniël, zijn de zegels nog geheel? en hij zeide: Ja heer koning, zij zijn geheel.

1 Makkabeeën 1:7
Riep hij zijn dienaars, de edelsten, die van der jeugd aan met hem opgevoed waren en deelde hun zijn koninkrijk uit terwijl hij nog leefde.

1 Makkabeeën 2:13
Waarom zouden wij nog willen leven?

1 Makkabeeën 2:33
Het is nog tijd dat gij uitkomt, en doet naar het woord des konings, en gij zult het leven behouden.

1 Makkabeeën 3:30
En vrezende dat bij niet genoeg zou hebben, om nog eens of tweemaal de onkosten te doen, en om de geschenken te geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had, zodat hij de vorige koningen in mildheid had overtroffen;

1 Makkabeeën 4:4
Terwijl zijn krijgsvolk nog verstrooid was van het leger.

1 Makkabeeën 4:17
En hij zeide tot het volk: Begeert hun plundering niet, want onze bestrijders zijn nog tegen ons;

1 Makkabeeën 4:19
Als Judas dit nog voleindde te zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg;

1 Makkabeeën 5:14
Toen deze brieven nog gelezen werden, ziet andere boden kwamen uit Galilea, hun klederen verscheurd hebbende, en boodschapten volgens deze woorden.

1 Makkabeeën 6:27
En indien gij hun niet haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen dan deze, en gij zult hen niet kunnen tegenhouden.

1 Makkabeeën 6:55
Maar als Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning zou zijn,

1 Makkabeeën 9:22
En hetgeen nog overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren zeer vele.

1 Makkabeeën 10:27
En nu blijft nog daarin, dat gij ons trouwe houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden voor hetgeen gij ons doet.

1 Makkabeeën 10:41
En al dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften, gelijk in de eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken des tempels.

1 Makkabeeën 13:30
Dit is het graf, dat hij maakte te Modin, hetwelk nog is tot op deze dag.

1 Makkabeeën 15:31
Zo niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee gij verwoest hebt, en voor de tollen der plaatsen, nog andere vijfhonderd talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.

2 Makkabeeën 1:31
En als de offerande verteerd was, zo gebood Nehemia het water, dat nog overgebleven was, te gieten op grote stenen.

2 Makkabeeën 1:36
En Nehemia noemde het Neftar, hetwelk overgezet wordt reiniging; en het wordt door velen nog genoemd Neftar.

2 Makkabeeën 2:33
Laat ons dan van hier ons verhaal beginnen, zo veel tot onze voorrede nog bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip van een geschiedenis schrijft, meer overvloedig in woorden zou zijn dan de geschiedenis zelf.

2 Makkabeeën 3:26
En daar verschenen voor hem nog twee andere jongelingen, uitmuntend in sterkte, en zeer schoon in heerlijkheid, en sierlijk in kleding, die ook staande elk aan een van zijn zijden, hem zonder ophouden geselden, hem vele slagen gevende.

2 Makkabeeën 3:37
En als de koning Heliodorus vraagde, wie bekwaam zou zijn om nog eens naar Jeruzalem gezonden te worden, zeide hij:

2 Makkabeeën 4:8
En om dat te verkrijgen beloofde hij de koning driehonderdenzestig talenten zilver, en nog tachtig talenten uit een ander inkomen.

2 Makkabeeën 4:9
En daarenboven beloofde hij ook nog andere honderdenvijftig talenten te zullen aanschrijven, indien hem zou toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf een school en een oefenperk der jeugd zou mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen opschrijven onder de burgers van Antiochië.

2 Makkabeeën 7:5
Als hem nu alle leden onbruikbaar waren gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, aan het vuur zou brengen, en in de pan braden; en als de damp uit de pan zich zeer verspreidde, zo vermaanden zij elkander met de moeder kloekmoedig te sterven;

2 Makkabeeën 7:7
En als de eerste op deze wijze gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; en het vel van het hoofd met het haar rondom afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees eten, eer dat het lichaam van lid tot lid gestraft wordt?

2 Makkabeeën 7:24
Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat deze stem hem smaadheid aandeed, als de jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden een vermaning aan hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem terstond rijk en gelukzalig zou maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten toevertrouwen.

2 Makkabeeën 7:30
En als zij nog sprak, zo zeide de jongeling: Wat verwacht gij nog? Ik zal des konings gebod niet gehoorzaam zijn, maar ik zal gehoorzaam zijn het gebod der wet, die onze vaderen gegeven is door Mozes.

2 Makkabeeën 7:35
Want gij zijt nog niet ontvloden het oordeel des almachtigen Gods, die op alles opzicht heeft.

2 Makkabeeën 9:7
Doch hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.

2 Makkabeeën 9:9
Zodat ook uit het lichaam van deze goddeloze levende wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl bij nog in smarten en pijnen leefde, van hem afviel; en dat van zijn reuk het ganse leger bezwaard werd, vanwege de verrotting.

2 Makkabeeën 11:8
En zij deden gezamenlijk een kloekmoedige aanval; en als zij nog bij Jeruzalem waren, is hun een te paard zittende verschenen, die hun voorreed, in witte kleding, en zijn gouden wapenrusting schuddende.

2 Makkabeeën 14:11
En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk Demetrius nog meer ontstoken.

2 Makkabeeën 14:45
En als hij nog ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken was, stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende, en zeer zwaar gewond zijnde, kwam met een loop door de scharen henen.

3 Makkabeeën 3:21
En wie zulks zal willen aanbrengen, die zal daarvoor ontvangen het goed desgenen, die in deze straf valt, en nog uit des konings schatkamer tweeduizend drachmen zilver, ja hij zal ook met vrijheid gekroond worden.

3 Makkabeeën 4:12
Zo geschiedde dan hun beschrijving met veel naarstigheid, en gestadig zitten van de opgang der zon tot derzelver ondergang, en in veertig dagen hadden zij nog geen einde.

3 Makkabeeën 4:14
Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving der Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, dewijl daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen.

3 Makkabeeën 5:11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.

3 Makkabeeën 5:17
De stralen van de zon verspreidden zich nog niet, en Hermon, als de koning de vrienden ontving, stond bij hem, en riep om uit te gaan, en wees aan, dat des konings voornemen nu gereed was.

3 Makkabeeën 7:1
De koning Ptolomeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over des lands zaken gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook nog wel.