Vindplaatsen van het woord wetten in de apocriefe geschriften (37 verzen):

Judith 11:10
Want dewijl hun de spijs ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten, en hebben besloten tot spijs te gebruiken al hetgeen God in zijn wetten hun verboden heeft te eten.

Boek der Wijsheid 6:18
En de liefde is de onderhouding van haar wetten, en de onderhouding der wetten is verzekering der onverderfelijkheid,

Boek der Wijsheid 9:5
Want ik ben uw dienstknecht en een zoon uwer dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig tijds, en zeer gering in het verstand van het gericht en der wetten.

Boek der Wijsheid 14:23
Want zij, of zij hun offeranden waarin zij hun kinderen doden, òf verborgen godsdiensten, òf razende brasserijen naar andere wetten plegen.

Jezus Sirach 44:5
Leiders van het volk in de raadslagen, en in het verstand der beschreven wetten van het volk.

Esther (apocr.) 13:4
Dat onder alle geslachten die op de aardbodem zijn, een zeker hatelijk volk gemengd was, dat in wetten alle volken tegenstrijdig was, en de ordinantien der koningen gedurig verachtte, zodat onze onberispelijke aangerichte regering niet kan voltrokken worden.

Esther (apocr.) 13:5
Dewijl wij dan vernomen hebben hoe dit enig volk tegen alle andere mensen altijd in tweespalt ligt, veranderende hun zeden door een vreemde invoering van wetten, en hoe het onzer zaken vijand zijnde zeer kwade stukken begaat, ook zo dat ons koninkrijk zijn welstand niet verkrijgt;

Esther (apocr.) 16:15
Doch wij bevinden dat de Joden, die deze booswicht overgegeven had om uitgeroeid te worden, geen kwaaddoeners zijn, maar dat zij door zeer rechtvaardige wetten gericht worden;

Esther (apocr.) 16:19
Het afschrift nu van deze brief zult gij op alle plaatsen aanslaan, en zult de Joden toelaten hun wetten vrij te gebruiken.

1 Makkabeeën 1:15
En zij bouwden te Jeruzalem een school naar de wetten der heidenen.

1 Makkabeeën 1:44
En de koning schreef aan zijn ganse koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten.

1 Makkabeeën 1:47
En de koning zond brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de vreemde wetten des lands;

1 Makkabeeën 3:21
Doch wij strijden voor onze zielen, en voor onze wetten.

1 Makkabeeën 3:29
En toen hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen vergaderden, weinigen waren; overmits de tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht; waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest waren, had weggenomen;

1 Makkabeeën 6:59
En laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar hun wetten, gelijk tevoren. Want om hunner wetten wil, die wij verbroken hebben, zijn zij toornig geworden, en hebben al deze dingen gedaan.

1 Makkabeeën 10:37
En uit dezen zullen ook gesteld worden over de zaak des koninkrijks, waar trouw in gelegen is; en die over dezelve zijn en hun oversten zullen uit dezelve gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun wetten, gelijk ook de koning bepaald heeft in het land Juda.

1 Makkabeeën 13:3
En vermaande hen, en zeide tot hen: Gij weet zelf, wat ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders gedaan hebben voor de wetten en voor het heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden, die wij gezien hebben.

2 Makkabeeën 2:23
En dat de tempel, die door de gehele bewoonde wereld vermaard is, weder door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden zijn teniet gegaan, weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle goedertierenheid hun genadig was geworden;

2 Makkabeeën 3:1
Als de heilige stad in alle vrede bewoond werd, en als de wetten op het best werden onderhouden, om des hogepriesters Onias' godzaligheid en haat der boosheid.

2 Makkabeeën 3:15
En de priesters in hun priesterlijke klederen, wierpen zich neder voor het altaar, en riepen naar de hemel, tot hem, die wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen onbeschadigd te bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden,

2 Makkabeeën 4:17
Want goddeloosheid te bedrijven, tegen de Goddelijke wetten is geen lichte zaak, doch de volgende tijd zal het openbaren.

2 Makkabeeën 5:15
En daarmee niet tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van de ganse aardbodem, hebbende tot een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland.

2 Makkabeeën 6:1
En niet lang daarna zond de koning een oud man van Athene, om de Joden te noodzaken dat zij zouden afwijken van de wetten hunner vaderen, en niet zouden wandelen naar de wetten van God.

2 Makkabeeën 6:28
En zal de jongelieden een heerlijk voorbeeld nalaten, om voor de eerwaardige en heilige wetten gewillig en kloek een eerlijke dood te sterven. En als hij dit gezegd had, is hij terstond gegaan naar de pijnigingsplaats.

2 Makkabeeën 7:2
En een hunner, die voor de anderen sprak, zeide aldus: Wat wilt gij ons vragen, en van ons weten? want wij zijn bereid liever te sterven, dan de wetten onzer vaderen te overtreden.

2 Makkabeeën 7:9
En als hij nu in de uiterste adem was, zeide hij: Gij booswicht, gij beneemt ons wel het tegenwoordige leven, maar de koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding des levens weder opwekken.

2 Makkabeeën 7:11
En sprak kloekmoedig: Dit alles heb ik van God uit de hemel verkregen, en dit veracht ik om zijn wetten, en ik hoop dat ik dit van hem zal wederkrijgen.

2 Makkabeeën 7:23
Daarom de Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid, gelijk gij uzelf niet acht om zijner wetten wil.

2 Makkabeeën 7:24
Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat deze stem hem smaadheid aandeed, als de jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden een vermaning aan hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem terstond rijk en gelukzalig zou maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten toevertrouwen.

2 Makkabeeën 7:37
En ik, gelijk als mijn broeders, geef mijn lichaam en ziel over voor de wetten der vaderen, aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig zijn, en dat gij door pijnigingen en geselen moogt bekennen dat bij alleen God is;

2 Makkabeeën 8:21
Waarmee hij hen stoutmoedig gemaakt hebbende, en bereid om voor de wetten en het vaderland te sterven,

2 Makkabeeën 8:36
En hij, die aangenomen had de Romeinen de schatting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door hem geordineerd zijn.

2 Makkabeeën 11:24
Gehoord hebbende, dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader, waardoor bij hen wilde brengen tot de Griekse wijze van godsdienst, maar dat zij hun eigen wijze liever willen volgen, en daarom verzoeken dat hun toegelaten worde hun eigen wetten te mogen volgen;

2 Makkabeeën 11:31
Dat de Joden gebruiken mogen hun eigen spijzen en wetten, gelijk als van tevoren, en dat niemand hunner op enigerlei wijze moeite zal aangedaan worden, om van hetgeen onvoorzichtig zou mogen gedaan zijn.

2 Makkabeeën 13:14
Hij dan, de zorg bevolen hebbende aan de schepper der wereld en vermaand hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot de dood toe wilden strijden voor de wetten, tempel, stad, vaderland en regering sloeg omtrent Modin zijn leger op.

3 Makkabeeën 3:2
Als nu deze dingen geordineerd waren, zo werd een gruwelijk gerucht tegen dit volk uitgestrooid, zijnde de boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voor nemen oorzaak gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in het onderhouden hunner wetten.

3 Makkabeeën 3:16
Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen zijnde, hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen nederwerpen.