Vindplaatsen van het woord was in de apocriefe geschriften (571 verzen; getoond worden vers 1 t/m 500):

3 Ezra 1:11
Om de Here te offeren, volgens hetgeen in het boek van Mozes geschreven was, en alzo geschiedde het vroegoffer.

3 Ezra 1:15
En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen David verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.

3 Ezra 1:21
En geen koning Israëls heeft zodanig Pascha gehouden, als Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël, hetwelk bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.

3 Ezra 1:31
En hij klom op zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem wedergebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf.

3 Ezra 1:33
Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda.

3 Ezra 1:34
En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaren oud was.

3 Ezra 1:35
En hij was koning in Israël en Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning zou zijn.

3 Ezra 1:39
Jojakim nu was vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Here.

3 Ezra 1:43
En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud toen hij koning gemaakt werd;

3 Ezra 1:44
En regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was voor de Here.

3 Ezra 1:46
En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaren oud, en regeerde elf jaren;

3 Ezra 1:47
En deed dat kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren uit de mond des Heren.

3 Ezra 1:49
En ook de oversten des volks en der priesters bedreven vele goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel des Heren, die te Jeruzalem geheiligd was.

3 Ezra 1:55
En verbrandden het huis des Heren, en braken de muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk was, maakten zij te schande.

3 Ezra 2:13
Het getal nu van deze was: duizend gouden drankofferschalen, duizend zilveren drankoffer-schalen, negenentwintig zilveren rookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderdendertig zilveren bekers, en andere vaten tot duizend.

3 Ezra 2:22
En gij zult in de gedenkboeken, daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite veroorzaakt heeft;

3 Ezra 2:25
Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, hetgeen volgt:

3 Ezra 2:30
Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk.

3 Ezra 3:13
En als de koning opgestaan was, namen zij het geschrift, en gaven het hem, en hij las het.

3 Ezra 5:9
Het getal nu dergenen, die van het volk waren, met hun oversten, was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd en tweeënzeventig.

3 Ezra 5:36
Dezen waren opgetrokken van Thermeleth, en Thelersa; en hun overste was Charnathalan en Aälar.

3 Ezra 5:40
En Nehemia en Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, totdat er een overpriester zou opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid.

3 Ezra 5:47
En toen nu de zevende maand kwam, en de kinderen Israëls elk in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig vergaderd in de voorhof der eerste poort, die tegen het oosten was.

3 Ezra 5:52
En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk in de wet bevolen was, en offerden dagelijks offeranden gelijk het betaamde en daarna gedurige offeranden, en offeranden der Sabbatten, en der nieuwe maanden, en van alle andere feestdagen, voor degenen die geheiligd waren.

3 Ezra 5:53
En allen, die God geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan der zevende maand af, begonnen God offeranden te offeren, en de tempel des Heren was nog niet gebouwd.

3 Ezra 5:55
En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun cederhout van de berg Libanon zouden toebrengen, om vlotten over te voeren naar de haven van Joppe, volgens het bevel, dat van Cyrus, de koning van Perzië, hun was aangeschreven.

3 Ezra 5:56
En in het tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen.

3 Ezra 5:63
Doch enigen uit de priesters en Levieten, en oversten naar hun geslachten, die ouder waren, en het huis, dat voor dezen was, gezien hadden,

3 Ezra 5:66
En als de vijanden der stammen Juda en Benjamin dat hoorden, zo kwamen zij om te verstaan wat deze stem der bazuinen was.

3 Ezra 6:5
En nadat het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden de oudsten der Joden genade van de Here, en werden niet verhinderd in de bouw, totdat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen.

3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.

3 Ezra 6:20
Toen nu Sabanasser daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.

3 Ezra 6:26
En de heilige vaten van het huis des Heren, beide gouden en zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht had, die zou men weder brengen in het huis des Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat ze daar weder gesteld mochten worden.

3 Ezra 7:1
TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in Celo-Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen gehoorzaam geweest aan hetgeen door de koning Darius was verordineerd;

3 Ezra 8:3
Deze Ezra trok henen uit Babylonië, als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods Israëls was gegeven.

3 Ezra 8:7
En kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.

3 Ezra 8:46
En ik zeide hun, dat zij zouden komen tot Loddeus de overste, die daar was in de plaats der schatkamer,

3 Ezra 8:53
Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.

3 Ezra 8:62
En wij trokken weder op van de rivier Thera, de twaalfde dag der eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand onzes Heren, die over ons was.

3 Ezra 8:64
En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles over naar het getal en gewicht;

3 Ezra 8:73
En tot mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.

3 Ezra 8:92
En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en weende, liggende voor de tempel op de aarde, zo is is tot hem vergaderd een zeer grote schare uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongelingen, want het wenen was groot onder de menigte.

3 Ezra 9:5
En zij vergaderden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste dag der maand.

3 Ezra 9:39
En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls was gegeven.

3 Ezra 9:42
En Ezra, de priester en leermeester der wet, stond op een houten verheven stoel, die daartoe bereid was.

3 Ezra 9:56
Dewijl zij waren onderricht in het woord, dat hun geleerd was, en waartoe zij vergaderd waren.

4 Ezra 2:43
En in het midden van hen was een jongeling van aanzienlijke grootte, hoger dan die allen, en hij zette een kroon op een ieder van hun hoofden, en hij werd meer verhoogd: zodat ik mij zeer verwonderde.

4 Ezra 3:1
IN het dertigste jaar van de ondergang der stad, was ik te Babylon, en lag bekommerd op mijn bed, en mijn gedachten kwamen in mijn hart;

4 Ezra 3:5
En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had doch het was ook een maaksel uwer handen, en gij hebt hem een geest des levens ingeblazen en hij is levend voor u geworden.

4 Ezra 3:6
En hebt hem in het Paradijs gezet hetwelk uw rechterhand gemaakt had, eer hij uit de aarde was gekomen.

4 Ezra 3:13
En als zij nu ongerechtigheid voor u bedreven, zo hebt gij u een man uit dezen verkoren, wiens naam was Abraham.

4 Ezra 4:1
TOEN antwoordde mij de engel, die tot mij gezonden was, wiens naam is Uriël,

4 Ezra 4:49
Daarna ging voorbij mij een wolk vol van water en bracht veel regen in met onstuimigheid, en als de onstuimigheid van de regen voorbij was, zo bleven de druppelen daarin over.

4 Ezra 5:15
Maar de engel die gekomen was en met mij sprak, hield mij op, en versterkte mij, en stelde mij op mijn voeten.

4 Ezra 5:31
En het is geschied, als ik deze woorden gesproken had, dat de engel tot mij gezonden is, die de vorige nacht tot mij was gekomen.

4 Ezra 5:35
En hij zeide tot mij: Dat kunt gij niet. Doch ik sprak: Waarom Here? Waartoe ben ik dan geboren, of waarom was mij de schoot van mijn moeder niet een graf, opdat ik de kommer Jakobs niet zou zien, en de moeite van het geslacht Israëls?

4 Ezra 6:4
En eer de hoogte der lucht werd opgeheven, en eer de maat der hemelen bekend was, en eer de haardsteden te Sion heet waren,

4 Ezra 6:17
En als ik het gehoord had, zo stond ik op mijn voeten, en ik hoorde, en zie een stem sprak, en haar geluid was als het geluid van vele wateren.

4 Ezra 6:38
En ik zeide: O Here, Gij hebt in het begin der schepping op de eerste dag gesproken en gezegd: Dat hemel en aarde worde, en uw woord was een volkomen werk,

4 Ezra 6:39
En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem des mensen was nog door u niet geschapen.

4 Ezra 6:50
En gij hebt die van elkander gescheiden. Want het zevende deel waar het water verzameld was, kon die beide niet bevatten.

4 Ezra 6:51
En gij hebt aan Behemoth het éne deel gegeven, dat op de derde dag was gedroogd, opdat hij daarin zou wonen, waar duizend bergen zijn.

4 Ezra 7:1
EN het is geschied, als ik geëindigd had deze woorden te spreken, dat de engel tot mij gezonden is, die de eerste nachten tot mij gezonden was.

4 Ezra 7:39
En Elia voor degenen, die de regen ontvingen, en voor degene, die dood was, dat hij leven mocht;

4 Ezra 9:12
En toen hun nog plaats van berouw open was, die het niet verstonden, maar verachtten het, deze moeten het na de dood in de pijn leren kennen.

4 Ezra 9:17
Hoedanig het veld is, zodanig zijn ook de zaden; en hoedanig de bloemen zijn, zodanig zijn ook de kleuren; en hoedanig de werkman is, zodanig is ook het werk; en hoedanig de landman is, zodanig is ook de landbouw; want het was de tijd der wereld.

4 Ezra 9:18
Waarlijk, als ik voor degenen, die nu zijn, de wereld bereidde die nog niet was geschapen om te bouwen, zo wedersprak mij niemand.

4 Ezra 9:19
Want een ieder was toen gehoorzaam, maar nu zijn de zeden dergenen, die geschapen zijn in deze wereld, nadat zij gemaakt was, verdorven geworden door een oogst, die niet ophoudt, en door een wet die niet kan doorgrond worden.

4 Ezra 9:20
En ik heb de wereld aangemerkt, en ziet, daar was gevaar om der gedachten wil, die daarin waren voortgekomen.

4 Ezra 9:32
Doch onze vaderen, die de wet ontvingen, hebben ze niet gehouden, en zij hebben mijn rechten niet bewaard, en de vrucht der wet is niet openbaar geworden, en zij kon ook niet, want zij was de uwe.

4 Ezra 9:33
Want die ze ontvangen hebben, zijn verloren gegaan, dewijl zij niet bewaarden hetgeen in hen gezaaid was.

4 Ezra 9:38
En als ik deze dingen in mijn hart sprak, zo zag ik om met mijn ogen, en ik zag een vrouw aan de rechterzijde, en zie, zij treurde en weende met luide stem, en zij was zeer bedroefd in haar geest, en haar klederen waren gescheurd, en daar was as op haar hoofd.

4 Ezra 9:39
Toen liet ik mijn gedachten varen, waarin ik was, en ik keerde mij tot haar, en zeide:

4 Ezra 9:43
En zij zeide tot mij: Ik, uw dienstmaagd was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard, hoewel ik dertig jaren een man gehad had.

4 Ezra 9:47
En toen hij opgewassen was, en, de tijd gekomen was, dat hij een vrouw zou nemen, zo heb ik een maaltijd toebereid.

4 Ezra 10:5
Toen liet ik mijn redenen, waarin ik bezig was, varen, en sprak met gramschap tot haar, en zeide:

4 Ezra 10:30
En ik lag als een dode, en mijn verstand was mij benomen, en hij nam mij bij de rechterhand, en sterkte mij, en stelde mij op mijn benen, en zeide tot mij:

4 Ezra 10:45
En dat zij u gezegd heeft, dat zij dertig jaren onvruchtbaar is geweest, dit is omdat het dertig jaren zijn geweest, dat nog geen offerande in dezelve was geofferd.

4 Ezra 10:47
En dat zij u gezegd heeft, dat zij met hem arbeid heeft opgebracht, dit was de woning binnen Jeruzalem.

4 Ezra 10:51
Want daarom heb ik u gezegd, dat gij zoudt in een veld blijven, waar geen huis was gebouwd.

4 Ezra 10:53
Daarom heb ik u gezegd, dat gij in een veld zoudt komen, waar geen fundament van enig gebouw was.

4 Ezra 11:4
Want zijn hoofden waren in rust, en het middelste hoofd was groter dan de andere hoofden, en hij was met deze ook in rust.

4 Ezra 11:23
En daar was niet meer over aan het lichaam des arends, dan twee hoofden, die in rust waren, en zes vederkens.

4 Ezra 11:24
En ik zag, en ziet, van de zes vederkens zijn de twee afgescheiden, en zijn onder het hoofd gebleven dat ter rechterzijde was, maar de vier bleven aan haar plaats.

4 Ezra 11:29
En toen zij daaraan dachten, ziet zo is een van de hoofden die rustten, dat het middelste was, opgewaakt, want dit was groter dan de twee andere.

4 Ezra 11:35
En ik zag, en ziet, het hoofd, dat van de rechterzijde was, verslond dat van de linkerzijde was.

4 Ezra 12:2
En ziet, het hoofd dat nog over was, doch de vier vleugelen, die tot hetzelve overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer.

4 Ezra 12:29
En dat gij gezien hebt twee vederen, die van onder de vleugelen over het hoofd gingen, dat aan de rechterzijd was,

4 Ezra 12:40
En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was wedergekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste vergaderd, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende:

4 Ezra 13:5
En daarna zag ik, en zie, daar vergaderde een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden des hemels, opdat zij die man zouden beoorlogen, die van de zee was opgekomen.

4 Ezra 13:7
En ik zocht de landstreek of plaats te zien, waaruit de berg uitgesneden was, maar ik kon niet.

4 Ezra 13:11
En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt.

4 Ezra 13:28
En dat hij geen zwaard hield, noch enig krijgsgeweer, en zijn geweld nochtans verdierf de ganse menigte die gekomen was om hem te bestrijden, daarvan is dit de verklaring:

4 Ezra 13:45
Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth genoemd.

4 Ezra 14:3
In het doornbos ben ik Mozes verschenen, en heb met hem gesproken, als mijn volk in Egypte dienstbaar was.

4 Ezra 14:39
Toen deed ik mijn mond open, en ziet een volle beker werd mij toegereikt. Deze was vol, als van water, doch zijn kleur was als van vuur.

Tobias (Tobit) 1:4
En toen ik nog was in mijn land, in het land Israëls, als ik jong was, het gehele geslacht Naftali, mijns vaders, week af van het huis Gods te Jeruzalem, hetwelk uitverkoren was, uit alle stammen Israëls,

Tobias (Tobit) 1:5
Opdat al de stammen daar zouden offeren, en de tempel der woning van de Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten der wereld. En al de stammen, die tezamen afgeweken waren, en het huis Naftali, mijns vaders, offerden het kalf Baäl.

Tobias (Tobit) 1:8
En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk Debora, de moeder mijns vaders, geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.

Tobias (Tobit) 1:9
En als ik nu een man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias.

Tobias (Tobit) 1:17
En toen Enemessar gestorven was, werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats.

Tobias (Tobit) 1:20
Ik gaf mijn brood de hongerigen, en klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur der stad Nineve, die begroef ik.

Tobias (Tobit) 1:25
En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.

Tobias (Tobit) 2:2
Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede wie gij vinden zult van onze broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.

Tobias (Tobit) 2:8
En als de zon ondergegaan was, ging ik heen, maakte een graf en begroef hem,

Tobias (Tobit) 2:10
En diezelfde nacht keerde ik weder na het begraven, en dewijl ik onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen in de muur waren;

Tobias (Tobit) 2:14
En toen zij bij mij gekomen was, begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft het de rechte heer weder, want het is ons niet geoorloofd te eten hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven boven het loon; doch ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het de heren weder geven zoude.

Tobias (Tobit) 3:8
Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, eer zij bij haar waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt.

Tobias (Tobit) 5:6
Welke was een engel, maar hij wist het niet.

Tobias (Tobit) 5:24
En zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met ulieden.

Tobias (Tobit) 10:7
Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken was.

Tobias (Tobit) 12:13
En wanneer gij de doden begroeft, zo was ik insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet op te staan, en uw middagmaal te verlaten, opdat gij heengingt en de doden met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u.

Tobias (Tobit) 12:21
En zij stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke werken Gods, hoe de engel des Heren door hen gezien was.

Tobias (Tobit) 14:2
En was acht en vijftig jaren oud, toen hij het gezicht verloor.

Tobias (Tobit) 14:7
En God zal zich hunner weder ontfermen, en zal hen doen wederkeren in het land; en zij zullen het huis bouwen, maar niet zodanig als het eerste was, totdat de tijden der wereld zullen vervuld zijn. En daarna zullen zij wederkeren uit hun gevangenis, en zullen Jeruzalem kostelijk opbouwen; en het huis Gods zal daarin gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw zijn voor alle geslachten der wereld, gelijk de profeten daarvan gesproken hebben;

Tobias (Tobit) 14:13
En als hij dit zeide, begaf hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig jaren oud; en hij begroef hem heerlijk.

Tobias (Tobit) 14:14
En als Anna, zijn moeder, gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader.

Judith 1:11
Doch al de inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.

Judith 1:16
En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.

Judith 2:4
En het geschiedde, als hij zijn raadslag geëindigd had, zo riep Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, Holofernes, de veldoverste zijns legers, die de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:

Judith 3:11
En het was bij hem besloten, dat hij al de goden des lands zou vernielen,

Judith 3:14
En hij sloeg zijn leger tussen Gaba en Scythopolis, en hij was daar een ganse maand stil, opdat hij al de bagage zijns legers bijeenvergaderde.

Judith 4:2
En zij werden uitermate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel des Heren huns Gods, want zij waren onlangs wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse volk was kort tevoren vergaderd geweest uit Judea; en de vaten en het altaar en het huis Gods waren van de ontheiliging geheiligd.

Judith 4:5
En Joakim, de hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, welke tegenover Esdrelon ligt, aan de vlakte des velds dat bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden,

Judith 4:6
Dewijl daardoor de ingang was naar Judea, en het licht was te beletten degenen die opklimmen zouden, daar de toegang eng was, en uiterlijk voor twee mannen naast elkander.

Judith 4:16
En Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor de Here stonden, en die de Here dienden, hun lendenen met zakken omgord hebbende, offerden het brandoffer des gedurigen offers, en de beloften, en de vrijwillige gaven des volks, en as was op hun haar.

Judith 5:9
En zijn afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen totdat zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar.

Judith 5:22
En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing, waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem nedergezet, waar hun heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want het was woest.

Judith 6:12
En zij riepen al de oudsten der stad bijeen, en al hun jongelingen, en de vrouwen liepen tezamen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen was.

Judith 7:1
EN des anderen daags gebood Holofernes zijn gehele heerleger, en al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp in deze krijg gekomen was, dat zij zouden optrekken naar Bethulië, en de toegangen van het gebergte eerst innemen, en dat men de kinderen Israëls de krijg zou aandoen.

Judith 7:2
Zo trokken alle kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te paard, behalve de krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen, die onder hen te voet waren.

Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 8:2
En haar man was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen des gerstenoogstes.

Judith 8:4
En Judith was in haar huis, in de weduwelijke staat, drie jaren en vier maanden.

Judith 8:5
En zij maakte zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen, en zij was bekleed met klederen ener weduwe.

Judith 8:7
En zij was schoon van gedaante, en zeer fraai van aanzien, en Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op.

Judith 8:8
En daar was niemand die haar enige kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer.

Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

Judith 9:1
EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van die avond geofferd werd, en Judith riep met luider stem tot de Here, en zeide:

Judith 10:2
Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen der sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit.

Judith 10:3
En zij wies haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was in de dagen van het leven haars mans Manasse.

Judith 10:7
Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij zich uitermate zeer over haar schoonheid.

Judith 10:10
En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.

Judith 10:14
Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar aangezicht aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid.

Judith 10:18
En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel, hetwelk van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was tezamen geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen.

Judith 12:10
En het geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienstknechten, en riep niemand daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.

Judith 12:16
En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.

Judith 12:20
En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, van dat hij geboren was.

Judith 13:1
EN als het laat geworden was, zo haastten zich zijn dienstknechten om te scheiden, Bagoas sloot de tent van buiten toe, en deed van zich gaan allen, die voor zijn heer stonden.

Judith 13:3
En Holofernes was voorover op zijn bed gevallen, want de wijn had hem zeer bevangen.

Judith 13:4
Judith nu had haar dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen, gelijk dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke woorden gesproken; en zij gingen allen weg van haar aanschijn, en daar werd niemand, noch klein noch groot, in de slaapkamer gelaten.

Judith 13:7
En zij ging naar de sponde van het bed, die aan Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar, en nabij komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan en zeide:

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:9
Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:

Judith 14:14
En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luider stem, met geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde zijn klederen.

Judith 15:1
EN als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich over hetgeen geschied was, en vrees en beving viel op hen.

Judith 15:2
En daar was geen mens die staande bleef voor het aanschijn zijns naasten, maar liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië, werden ook op de vlucht gebracht.

Judith 15:4
En Ozias zond naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en in alle landpalen van Israël, die boodschappen zonden hetgeen er geschied was, opdat zij allen op de vijanden zouden uitvallen, om hen uit te roeien.

Judith 15:5
Als nu de kinderen Israëls zulks gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; desgelijks ook die van Jeruzalem daar gekomen waren, en uit het ganse gebergte, want zij boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen was.

Judith 15:8
En de kinderen Israëls wedergekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de overigen; en de vlekken en de steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen veel buit, want daar was een zeer grote menigte.

Judith 16:18
Want de bergen zullen uit de fundamenten met hun wateren bewogen worden, de steenrotsen zullen van uw aangezicht, gelijk was, versmelten.

Judith 16:22
En als zij nu te Jeruzalem gekomen waren, aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd was, offerden zij hun brandofferen en hun gewillige offeren, en hun gaven.

Judith 16:24
En het volk was vrolijk te Jeruzalem, voor het heiligdom, drie maanden lang, en Judith bleef bij hen.

Judith 16:26
En zij was in haar tijd zeer geëerd in het gehele land.

Judith 16:27
En velen begeerden haar te hebben, maar geen man bekende haar al de dagen haars levens, van de dag dat haar man Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd was.

Judith 16:28
En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis haars mans, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven dagen lang rouw over haar.

Judith 16:30
En daar was niemand meer, die de kinderen Israëls enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook in vele dagen, nadat zij gestorven was.

Boek der Wijsheid 4:14
Want zijn ziel was de Here aangenaam, daarom heeft hij gehaast hem uit het midden der boosheid weg te nemen.

Boek der Wijsheid 5:3
En berouw hebbende, zullen zij onder elkander zeggen, en door angst des geestes zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij eertijds lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden.

Boek der Wijsheid 5:12
Of gelijk wanneer een pijl, naar het doelwit geschoten zijnde, de lucht die daardoor verdeeld was, terstond weder tezamen loopt, zodat men zijn doorgang niet weet.

Boek der Wijsheid 7:12
En ik was verheugd in alle dingen, want de wijsheid ging daarin voor, en ik wist niet dat zij van deze dingen voortteelster was.

Boek der Wijsheid 8:19
Ik nu was een goedaardig kind, en had gekregen een goede ziel.

Boek der Wijsheid 8:20
Ja, veelmeer zo ik goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt lichaam.

Boek der Wijsheid 8:21
En verstaande dat ik haar anders niet machtig zou worden, indien God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te weten van wie die genade komt) zo ging ik tot de Here, en bad hem, en sprak uit geheel mijn hart.

Boek der Wijsheid 9:9
Bij u is de wijsheid, die uw werken weet, en tegenwoordig was, toen gij de wereld maakte, en verstaat wat aangenaam is in uw ogen, en wat recht is in uw geboden.

Boek der Wijsheid 10:4
En als de aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid weder behouden, regerende de rechtvaardige door een verachtelijk hout.

Boek der Wijsheid 10:10
Deze geleidde de rechtvaardige op rechte paden, als hij vluchtende was voor de toorn zijns broeders, en heeft hem het koninkrijk Gods getoond, en kennis van heilige dingen gegeven, heeft hem voorspoedig gemaakt in zijn arbeid, en zijn moeite vermenigvuldigd.

Boek der Wijsheid 10:13
Deze heeft niet verlaten de rechtvaardige die verkocht was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij voer met hem af in de put.

Boek der Wijsheid 12:10
Maar gij straffende gaandeweg, gaaft hun tijd tot bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en hun boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden veranderen in der eeuwigheid.

Boek der Wijsheid 12:11
Want het was een vervloekt zaad van den beginne; noch iemand vrezende, gaaft gij hun zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.

Boek der Wijsheid 12:27
Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.

Boek der Wijsheid 14:15
Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.

Boek der Wijsheid 14:17
Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig ware.

Boek der Wijsheid 14:20
En het gemene volk, door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde hield die voor God, welke weinig tijd tevoren als een mens was geëerd geworden.

Boek der Wijsheid 14:22
Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook levende in een grote strijd der onwetendheid, hebben zij zulke kwade dingen nog vrede genoemd.

Boek der Wijsheid 16:27
Want hetgeen van het vuur niet verdorven was, dat versmolt ganselijk, zijnde verwarmd door een kleine straal der zon.

Boek der Wijsheid 17:8
Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik en beroertenis te verdrijven, deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk was.

Boek der Wijsheid 17:14
Zij nu, die nacht, welke voorwaar onverdragelijk was, uit de binnenste holen van de onverdragelijke hel voortgekomen, dezelfde slaap slapende.

Boek der Wijsheid 17:16
Daarop dan volgde alzo, dat wie aldaar nederviel, gevangen was, opgesloten in de kerker zonder ijzers.

Boek der Wijsheid 17:19
Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk gezang der vogelen, omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende, of een hard gerommel der stenen, die van boven nedergeworpen worden, of de onzienlijke loop der springende beesten, of de stem der huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt al deze dingen maakten hen zeer bevreesd en krachteloos.

Boek der Wijsheid 17:20
Want de gehele wereld lichtte met helder klaar licht, en was bezig met werken die niet verhinderd werden.

Boek der Wijsheid 17:21
Maar over hen alleen was een zware nacht uitgestrekt, zijnde een beeld der duisternis die zij zouden ontvangen; doch zij waren zichzelf zwaarder dan de duisternis.

Boek der Wijsheid 18:5
En als zij beraadslaagd hadden de kleine kinderen der heiligen te doden, en een kind van die in het water uitgezet en behouden was, naamt gij tot overtuiging de menigte hunner kinderen weg, en verdierft hen gezamenlijk in een geweldig water.

Boek der Wijsheid 18:6
Diezelfde nacht was tevoren onze vaderen bekend geworden, opdat zij zeker wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden, daarover goedsmoeds zouden zijn.

Boek der Wijsheid 18:14
Want als nu alle dingen in rust en stilte waren, en de nacht in zijn snelheid half voorbij was,

Boek der Wijsheid 18:21
Want de onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, brengende de wapenen van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap en maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht was.

Boek der Wijsheid 18:24
Want op de lange rok was het gehele versiersel, en de heerlijkheid der vaderen in de vier rijen der stenen ingegraveerd en uw grootmogendheid op de hoed van zijn hoofd.

Boek der Wijsheid 18:25
Voor deze dingen week de verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving des toorns was alleen genoeg.

Boek der Wijsheid 19:19
Het vuur was krachtig in het water, hebbende zijn eigen kracht vergeten; en het water vergat zijn uitblussende natuur.

Jezus Sirach 11:5
Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen.

Jezus Sirach 15:2
En gelijk een moeder zal zij hem tegemoet gaan, en gelijk een vrouw die hij als zij maagd was getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen.

Jezus Sirach 30:5
In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.

Jezus Sirach 45:13
Gemaakt van getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig gewrocht, van kostelijke stenen gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een werk des graveerders; waarin tot een gedachtenis geschreven en gegraveerd was het getal der kinderen Israëls.

Jezus Sirach 45:16
En niemand deed ooit deze klederen aan, die uit een ander geslacht was, behalve alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren te allen tijde.

Jezus Sirach 45:27
Doch in het land des volks had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het volk, want hij zelf was het deel zijner erfenis.

Jezus Sirach 46:1
JOZUA de zoon van Nun, was sterk in de oorlog, en kwam in Mozes' plaats in de profetieën.

Jezus Sirach 46:8
Opdat de volken al hun wapentuig zouden kennen, dat namelijk zijn oorlog voor de Here was, want ook volgde hij de machtige na.

Jezus Sirach 46:22
En nadat hij ontslapen was profeteerde hij, en voorzeide de koning zijn einde, en verhief zijn stem uit de aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid des volks zou verdelgd worden.

Jezus Sirach 47:6
Want hij riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns volks te ver hogen.

Jezus Sirach 47:16
Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld met verstand gelijk een stroom.

Jezus Sirach 48:14
Geen ding ging hem te boven, en als hij ontslapen was profeteerde zijn lichaam;

Jezus Sirach 48:18
Enigen hunner deden wel hetgeen, God behagelijk was, maar enigen vermenigvuldigden de zonden.

Jezus Sirach 49:9
Want zij hebben hem kwalijk behandeld, hoewel hij in moeders lichaam was geheiligd tot een profeet, om uit te roeien, en kwalijk te handelen, en te verderven; van gelijken om te bouwen en te planten.

Jezus Sirach 49:13
Hoe zullen wij Zerubbabel genoeg verheffen! want hij was gelijk een zegelring aan de rechterhand.

Jezus Sirach 49:15
Onder de uitverkorenen was ook Nehemia, wiens gedachtenis vele malen wordt verhaald, die ons de vervallen muren heeft opgericht, en de poorten en richelen heeft gesteld, en de vloe ren van onze huizen wederopricht.

Jezus Sirach 50:13
Rondom hem was een omstaande menigte zijner broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid der ganse gemeente van Israël;

Jezus Sirach 50:19
En de zangers prezen God met hun stemmen, en in het meeste geluid was een zoet gezang.

Jezus Sirach 50:20
En het volk van de Here, des Allerhoogsten, smeekte in hun gebed, voor het aangezicht van de ontfermer, totdat vol eindigd was het versiersel des Heren, en zij zijn dienst geëindigd hadden.

Jezus Sirach 51:8
Mijn ziel was nabij de dood gekomen; en mijn leven was nabij het diepste graf.

Jezus Sirach 51:9
Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar was geen helper; ik zag om naar bijstand der mensen, en daar was geen.

Jezus Sirach 51:17
Als ik nog jong was, eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht door mijn gebed.

Baruch 2:26
Gij hebt het huis, waarin uw naam was aangeroepen, gemaakt gelijk het te dezen dage is, vanwege de boosheid van het huis Israëls, en van het huis van Juda.

Esther (apocr.) 10:6
De kleine fontein is een rivier geworden, en daar was licht, en een zon en veel water. Deze rivier is Esther, die de koning getrouwd en tot koningin gemaakt heeft.

Esther (apocr.) 11:1
IN het vierde jaar toen Ptolomeüs en Cleopatra regeerden, brachten Dositheus, die zeide dat hij een priester en Leviet was, en zijn zoon Ptolomeüs deze tegenwoordige brief der Purim; en zeiden dat hij deze was, en dat Lysimachus, de zoon van Ptolomeüs, te Jeruzalem die overgezet had;

Esther (apocr.) 11:2
In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag der maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning;

Esther (apocr.) 11:3
En was een uit de gevangenen, die Nabuchondonosor de koning te Babel weggevoerd had van Jeruzalem, met Jechonias, de koning van Juda; en dit was zijn droom:

Esther (apocr.) 11:4
Ziet daar was een stem van gedruis en donderslagen, en aardbeving en beroering op de aarde; en ziet twee grote draken kwamen beide voort, bereid om te strijden, en hun stem werd groot.

Esther (apocr.) 11:6
En ziet het was een dag van duisternis en donkerheid, verdrukking en benauwdheid, grote jammer en beroering was op aarde.

Esther (apocr.) 12:6
Haman, de zoon van Ammedatha van Buga was heerlijk voor de koning, en zocht Mordechai en zijn volk leed te doen, om de twee kamerlingen van de koning.

Esther (apocr.) 13:4
Dat onder alle geslachten die op de aardbodem zijn, een zeker hatelijk volk gemengd was, dat in wetten alle volken tegenstrijdig was, en de ordinantien der koningen gedurig verachtte, zodat onze onberispelijke aangerichte regering niet kan voltrokken worden.

Esther (apocr.) 13:19
En het ganse Israël riep uit alle kracht, want hun dood was voor hun ogen.

Esther (apocr.) 14:2
En legde haar heerlijke klederen af, en toog klederen der benauwdheid en des treurens aan, en in plaats van prachtige en welriekende zalven, vervulde zij haar hoofd met as en vuiligheid, en vernederde haar lichaam zeer; en alle plaatsen waar zij tevoren versierd en vrolijk was geweest, vervulde zij met haar uitgeplukt haar.

Esther (apocr.) 15:5
Zij was blozende in de jeugd van haar schoonheid, en haar aangezicht was vrolijk, en als vriendelijk, maar haar hart was benauwd van vrees.

Esther (apocr.) 15:6
En als zij al de deuren ingegaan was, stond zij stil voor de koning, daar hij was gezeten op zijn koninklijke stoel, en bekleed was met al de kleding zijner heerlijkheid, geheel in het goud en kostelijke gesteenten, en was zeer verschrikkelijk.

Esther (apocr.) 16:18
Omdat hij, die zulks teweeg had gebracht, aan de poorten van Susan met zijn gehele huis is gekruisigd, en zeer haastig een oordeel, gelijk hij waardig was, door God, die alle dingen regeert, heeft ontvangen.

Susanna (Dan. 13) 1:1
Daar was een man woonachtig te Babylon, wiens naam was Jojakim.

Susanna (Dan. 13) 1:2
Die nam een vrouw genaamd Susanna, een dochter van Chelkias, welke zeer schoon was, en de Here vrezende.

Susanna (Dan. 13) 1:4
En Jojakim was zeer rijk, en hij had een hof nabij zijn huis, en de Joden kwamen bij hem tezamen, dewijl hij de aanzienlijkste was van hen allen.

Susanna (Dan. 13) 1:5
En daar werden in hetzelfde jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; van welke de Here gesproken heeft, dat ongerechtigheid uit Babylon was uitgegaan van de oudsten en rechters, die het volk schenen te regeren.

Susanna (Dan. 13) 1:7
En het geschiedde als het volk op de middag was vertrokken, dat Susanna heenging, en wandelde in de hof van haar man.

Susanna (Dan. 13) 1:15
En het geschiedde toen zij een bekwame dag waargenomen hadden, kwam Susanna gelijk zij dagelijks gewoon was, met twee dienstmaagden alleen en wilde zich in de hof wassen, overmits het zeer heet was.

Susanna (Dan. 13) 1:16
En aldaar was niemand dan de twee oudsten, die daarin verborgen waren, en haar waarnamen.

Susanna (Dan. 13) 1:18
En zij deden als zij zeide, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen hetgeen haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstoken hadden.

Susanna (Dan. 13) 1:26
Toen nu die van het huisgezin het geroep, dat in de hof was hoorden, zo liepen zij daarin door de zijdeur, om te zien wat haar geschied was.

Susanna (Dan. 13) 1:27
Toen nu de oudsten hun redenen zeiden, zo hebben zich de knechten zeer geschaamd, want nooit was zulk een rede van Susanna door iemand gesproken.

Susanna (Dan. 13) 1:31
Doch Susanna was zeer teder en schoon van gezicht.

Susanna (Dan. 13) 1:32
Daarom bevalen deze booswichten dat zij haar aangezicht zou ontdekken, want zij was gedekt, opdat zij zich aan haar schoonheid mochten verzadigen.

Susanna (Dan. 13) 1:37
Een jong gezel kwam tot haar, die verstoken was, en legde zich bij haar.

Susanna (Dan. 13) 1:39
En ziende hen bij elkander, konden wij de gezel niet machtig worden, omdat hij sterker was dan wij; en hij deed de deuren open en sprong weg.

Susanna (Dan. 13) 1:40
Doch deze grepen wij en vraagden haar wie de jongeling was, en zij wilde ons zulks niet zeggen. Dit getuigen wij.

Susanna (Dan. 13) 1:45
En als men haar wegvoerde tot de dood, zo verwekte God de heilige geest van een jongeling, die genaamd was Daniël.

Susanna (Dan. 13) 1:52
Als nu de een van de ander gescheiden was, zo riep hij de een van hen, en zeide tot hem: Gij verouderde in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die gij te voren hebt gedaan.

Susanna (Dan. 13) 1:63
Doch Chelkias, en zijn huisvrouw, loofden God over hun dochter Susanna, met Jojakim haar man, en haar ganse maagschap, omdat geen oneerlijke zaak in haar was gevonden.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:1
En de koning Astyages werd vergaderd tot zijn vaderen, en Cyrus uit Perzië nam zijn koninkrijk over, en Daniël was altijd met de koning, en was heerlijker dan alle vrienden des konings.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:2
De Babyloniërs hadden een afgod, die genoemd was Bel; aan deze werden alle dagen ten koste gelegd twaalf schepel meel, en veertig schapen, en zes metreten wijn.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:15
En de koning was des morgens zeer vroeg op, en Daniël met hem;

Bel en de draak (Dan. 14) 1:20
En de koning werd toornig, en liet de priesters grijpen, met hun vrouwen, en kinderen, en zij toonden hem de verborgen deuren, waardoor zij ingegaan waren, en verteerd hadden wat op de tafel geweest was.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:22
En in die plaats was een grote draak, en de Babyloniërs aanbaden hem.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:30
Deze nu wierpen hem in de kuil der leeuwen, en hij was daar zes dagen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:32
En Habakuk, de profeet was in Judea, en had een pap gekookt, en had brood gebrokkeld in een diepe schotel, en ging in het veld om het de maaiers te dragen.

1 Makkabeeën 1:3
En doortrok tot aan het uiterste der aarde, en grote buit verkreeg van menigte der volken, en dat het land voor hem stil was.

1 Makkabeeën 1:9
En nadat hij gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;

1 Makkabeeën 1:11
En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.

1 Makkabeeën 1:17
En als het koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.

1 Makkabeeën 1:28
Alle bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer zat was in rouw.

1 Makkabeeën 1:35
En zij bouwden de stad Davids op met een grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze was hun tot een burcht.

1 Makkabeeën 1:38
En deze burcht was om altoos het heiligdom lagen te leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger te zijn.

1 Makkabeeën 1:43
Haar ontering is geweest naar dat haar heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd in rouw.

1 Makkabeeën 1:52
Dat zij hun zonen onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden maken door al wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten, en al de rechten veranderen.

1 Makkabeeën 1:63
En zij offerden de vijfentwintigste dag van de maand op het altaar, dat op het reukaltaar was.

1 Makkabeeën 1:68
En de toom des konings was zeer groot over Israël.

1 Makkabeeën 2:2
En hij had vijf zonen, Johannes die toegenaamd was Jaddis,

1 Makkabeeën 2:3
Simon, die genaamd was Thassi,

1 Makkabeeën 2:4
Judas, die genaamd was Makkabeüs,

1 Makkabeeën 2:5
Eleazar, die genaamd was Auäran, en Jonathan, die genaamd was Sapfus.

1 Makkabeeën 2:11
Al haar sieraad is weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.

1 Makkabeeën 2:30
Om zich daar neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was.

1 Makkabeeën 3:45
En daar Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en daar niemand van degenen, die daar geboren waren, in ging of uitging, en het heiligdom vertreden werd, en de kinderen der vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen daar hun woonplaats hadden, en alle vermaak weggenomen was uit Jakob, en de fluit en citer ophielden,

1 Makkabeeën 3:46
Zo zijn zij vergaderd en gekomen te Mizpa, tegenover Jeruzalem, omdat de plaats des gebeds tevoren te Mizpa voor Israël was geweest.

1 Makkabeeën 4:3
En Judas, dit horende, brak op, hij en zijn machtigen, om te slaan de krijgsmacht des konings, die in Emmaüs was;

1 Makkabeeën 4:4
Terwijl zijn krijgsvolk nog verstrooid was van het leger.

1 Makkabeeën 4:6
En zo haast het dag was, is Judas gezien in het vlakke veld met drieduizend man; doch zij hadden geen deksels noch zwaarden, zo zij gaarne wilden.

1 Makkabeeën 4:7
En als zij nu het leger der heidenen zagen, dat sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die daarom stond, (en deze waren in de krijg wèl ervaren),

1 Makkabeeën 4:20
En zag dat de hunnen in de vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand hadden gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde wat er geschied was.

1 Makkabeeën 4:26
En zo velen als er uit de vreemdelingen behouden waren, gingen heen en boodschapten aan Lysias al wat er geschied was.

1 Makkabeeën 4:27
En hij dit horende, werd verslagen, en verloor de moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij gaarne gewild had, en het niet was uitgevallen, gelijk hem de koning bevolen had.

1 Makkabeeën 4:35
Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de stoutheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of te sterven, trok op naar Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende, besloot hij, weder gesterkt zijnde, in Judea te komen.

1 Makkabeeën 4:44
En als zij raad hielden wat zij zouden doen met het altaar des brandoffers, dat ontheiligd was.

1 Makkabeeën 4:58
En daar was een zeer grote vreugde onder het volk, en de smaadheid der heidenen is afgekeerd.

1 Makkabeeën 5:1
Het geschiedde, als de heidenen daar rondom hoorden dat het altaar opgebouwd en het heiligdom weder ingewijd was als tevoren, dat zij zeer toornig werden.

1 Makkabeeën 5:25
En ontmoetten de Nabatheeën, die hen vreedzaam bejegenden, en hun vertelden al wat met hun broederen in Galaäditis geschied was;

1 Makkabeeën 5:28
Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met vuur.

1 Makkabeeën 5:30
En als de morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet daar was veel volk, dat men niet tellen kon, dragende ladders en andere gereedschappen om de sterkte in te nemen, en zij bestreden ze.

1 Makkabeeën 5:31
En Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:

1 Makkabeeën 5:34
En het leger van Timotheüs ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend man.

1 Makkabeeën 5:35
En hij week naar Mizpa, en hij bestreed haar, en nam haar in, en doodde al wat mannelijk daarin was, plunderde haar en verbrandde haar met vuur.

1 Makkabeeën 5:43
En hij was de eerste die over de beek tegen hen trok, en al zijn volk trok hem achterna. En al de heidenen werden vermorzeld voor zijn aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg, en vloden in het bos, dat te Karnaïn was.

1 Makkabeeën 5:51
En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.

1 Makkabeeën 5:52
En hij vernielde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en heeft de stad gans uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover Bethsan.

1 Makkabeeën 5:54
En zij gingen op naar de berg Sion, met vreugde en blijdschap, en zij offerden brandofferen, omdat van hen niet een gevallen was, totdat zij in vrede waren wedergekeerd.

1 Makkabeeën 5:58
En het krijgsvolk dat met hen was bevel gegeven hebbende, zijn zij opgetogen tegen Jamnia.

1 Makkabeeën 6:1
En de koning Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom, van zilver en van goud;

1 Makkabeeën 6:2
En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen, en pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning van Macedonië, die het eerste had geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had;

1 Makkabeeën 6:6
En dat Lysias met een sterke macht onder de voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren met wapenen, en krijgsvolk, en veel buit, die zij bekomen hadden van de legers, die zij geslagen hadden;

1 Makkabeeën 6:7
En dat zij verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, gelijk het eerst was, hadden omringd met hoge muren, en Bethsura, zijn stad.

1 Makkabeeën 6:8
En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit droefheid in een krankheid is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht had.

1 Makkabeeën 6:9
En hij was daar vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven.

1 Makkabeeën 6:17
En Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats, welke hij in zijn jeugd opgevoed heeft, en noemde zijn naam Eupator.

1 Makkabeeën 6:29
En van andere koningen en van de eilanden der zee kwam veel krijgsvolk tot hem, dat gehuurd was.

1 Makkabeeën 6:30
Zodat het getal van zijn krijgsvolk was honderdduizend voetknechten, en twintigduizend ruiters, en tweeëndertig olifanten, ten oorlog geleerd.

1 Makkabeeën 6:36
Deze waren altijd daar, waar het beest was, en waar het ging, daar gingen zij mee, en weken van hetzelve niet.

1 Makkabeeën 6:41
En zij werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het gedruis der wapenen hoorden, want het leger was zeer groot en sterk.

1 Makkabeeën 6:43
En Eleazar Auäran zag een van de beesten met koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekende boven al de beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;

1 Makkabeeën 6:49
En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar des lands was.

1 Makkabeeën 6:53
En zij hadden geen eetwaren in hun vaten, omdat het het zevende jaar was, en die behouden en van de heidenen in Judea gevloden waren, hadden het overige, dat weggelegd was, gegeten.

1 Makkabeeën 6:56
Weergekeerd was van Perzië en Medië, met de krijgsmachten des konings die met hem getrokken waren, en dat hij zocht het rijk aan zich te trekken met de zaken daarvan,

1 Makkabeeën 7:5
En tot hem kwamen alle verbrekers der wet, en goddeloze mannen in Israël, en Alcimus was hun leidsman, en wilde het hogepriesterschap hebben.

1 Makkabeeën 7:8
En de koning verkoos Bacchides, een vriend des konings, die regeerde aan gene zijde der rivier, en groot was in het koninkrijk, en de koning getrouw.

1 Makkabeeën 7:26
En de koning zond Nicanor, een van zijn vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.

1 Makkabeeën 7:30
En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen.

1 Makkabeeën 7:31
En Nicanor, wetende dat zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken te Cafarsarama.

1 Makkabeeën 7:43
En de legers kwamen met elkander te strijden, op de dertiende dag der maand Adar, en het leger van Nicanor werd vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die in deze strijd viel.

1 Makkabeeën 7:44
Als nu zijn leger zag dat Nicanor dood was, zo wierpen zij hun wapenen weg en vloden.

1 Makkabeeën 7:48
En het volk was zeer verheugd, en zij vierden die dag als een dag van grote verheuging.

1 Makkabeeën 7:50
En het land van Juda was enige dagen in rust.

1 Makkabeeën 8:6
En onder dezen Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel krijgsvolk, en dat die ook door hen was vermorzeld.

1 Makkabeeën 8:9
En als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, te komen en hen te vernielen, en deze zaak door de Romeinen was verstaan,

1 Makkabeeën 8:16
En dat zij een man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid noch jaloezie was.

1 Makkabeeën 8:19
En zij reisden naar Rome, en de weg was zeer lang, en gingen in de raad, en antwoordden en zeiden:

1 Makkabeeën 8:21
En deze rede was aangenaam voor hen.

1 Makkabeeën 8:22
En dit was het afschrift van de brief, welke zij schreven in koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken des vredes en der gemeenschap van wapenen:

1 Makkabeeën 9:5
En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend uitgelezen mannen met hem.

1 Makkabeeën 9:7
Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, omdat hij geen tijd had om hen weder bijeen te vergaderen, en hij werd zeer verslagen;

1 Makkabeeën 9:11
Ondertussen brak het krijgsvolk van Bacchides op uit hun leger, en stond tegen hen, en de ruiterij was verdeeld in twee delen, en die met slingers en met bogen vochten hadden de voortocht voor het krijgsvolk, en al de machtigen waren gesteld om eerst te strijden.

1 Makkabeeën 9:12
En Bacchides was bij de rechtervleugel des krijgsvolks, en de slagorden, bestaande uit die twee delen, naderden, en zij bliezen de trompetten.

1 Makkabeeën 9:16
En die in de linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren op de hielen gevolgd.

1 Makkabeeën 9:27
Daar was in Israël een zo grote verdrukking, als er geen was geweest van de dag af, dat er geen profeet was onder gezien.

1 Makkabeeën 9:35
En Jonathan zond zijn broeder, die overste was over de schare, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten.

1 Makkabeeën 9:37
En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was van een van de grote heren van Kanaän, geleidden van Nabadath.

1 Makkabeeën 9:57
En als Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weder tot de koning, en het land Juda was in rust twee jaren.

1 Makkabeeën 9:62
En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en hij bouwde op hetgeen daar afgebroken was, en maakte de stad sterk.

1 Makkabeeën 9:68
En zij vochten tegen Bacchides, en hij werd door hen geslagen, en zij drukten hem gans zeer, zodat zijn raad en uittocht ijdel was.

1 Makkabeeën 10:14
Alleen in Bethsura zijn enigen overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.

1 Makkabeeën 10:47
Maar het dacht hun goed dat zij het houden zouden met Alexander, omdat hij hun de eerste aanleider tot woorden van vrede was geweest; en zij hielden het met hem al die tijd.

1 Makkabeeën 10:64
En het geschiedde, als zijn beschuldigers zijn heerlijkheid zagen, gelijk uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan, zo vloden zij allen.

1 Makkabeeën 10:69
En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:

1 Makkabeeën 10:75
En hij legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.

1 Makkabeeën 10:81
En Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk van des morgens vroeg tot de avond, en het volk stond stil gelijk Jonathan gelast had; en hun paarden waren vermoeid.

1 Makkabeeën 10:82
En Simon, zijn krijgsvolk voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij was afgemat, en zij werden door hem geslagen en zij vloden;

1 Makkabeeën 10:83
En de ruiterij werd verstrooid in het vlakke veld, en vloden naar Azote, en begaven zich in Beth-Dagon, hetwelk was de tempel van hun afgod, om daar behouden te zijn.

1 Makkabeeën 11:2
En hij trok in Syrië met vreedzame woorden, en die van de steden openden hem de poorten, en gingen hem tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet gaan, omdat hij zijn schoonvader was.

1 Makkabeeën 11:14
En de koning Alexander was op die tijd in Cilicië, omdat de inwoners dezer plaats afvielen.

1 Makkabeeën 11:27
En hij bevestigde hem in het hogepriesterschap, en in alle andere zaken, waarmee hij tevoren was vereerd geweest; en hij maakte hem tot een opperste van zijn voornaamste vrienden.

1 Makkabeeën 11:37
En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn krijgsvolk laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgenomen het vreemde krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken had aangenomen; daarom al het krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.

1 Makkabeeën 11:38
En daar was een zekere Tryfon onder degenen die eertijds aan Alexanders zijde waren, welke ziende dat al het krijgsvolk tegen Demetrius murmureerde, reisde naar Simalkuë, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde;

1 Makkabeeën 11:39
En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele dagen.

1 Makkabeeën 11:51
En de koning Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.

1 Makkabeeën 11:69
En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven, dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk des legers.

1 Makkabeeën 12:1
Jonathan ziende dat de gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weder te vernieuwen.

1 Makkabeeën 12:7
Daar ook tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, dat gij onze broeders zijt, gelijk het afschrift hier onder gesteld bewijst,

1 Makkabeeën 12:8
En daar Onias de man, die daarmee gezonden was, zeer eerlijk heeft ontvangen, en de brieven aangenomen, in welke verklaring werd gedaan van gemeenschap van wapenen, en vriendschap;

1 Makkabeeën 12:27
Als nu de zon ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich gereed houden tot de strijd, de gehele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom het leger.

1 Makkabeeën 12:42
En Tryfon ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken.

1 Makkabeeën 12:48
Maar zodra Jonathan binnen Ptolomaïs was gekomen, sloten die van Ptolomaïs de poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.

1 Makkabeeën 12:50
Maar zij, verstaan hebbende, dat hij gegrepen en omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden zij elkander, en zij trokken dicht aaneengesloten, bereid om te strijden.

1 Makkabeeën 13:2
En ziende dat het volk zeer beangst en bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, en vergaderde het volk,

1 Makkabeeën 13:12
En Tryfon brak op van Ptolomaïs, om met grote macht in het land van Juda te komen; en Jonathan was bij hem in bewaring.

1 Makkabeeën 13:14
En Tryfon, verstaan hebbende dat Simon was opgestaan in plaats van zijn broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot hem gezanten.

1 Makkabeeën 13:42
En het volk van Israël begon te schrijven in hun handschriften en koophandelingen: In het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester was, en veldoverste, en leidsman der Joden.

1 Makkabeeën 13:51
En hij deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand uit Israël was uitgeroeid.

1 Makkabeeën 13:53
En hij versterkte de berg des tempels, die bij de burcht was, en hij ging daar wonen met al de zijnen.

1 Makkabeeën 13:54
Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft hem gesteld tot een veldoverste over al het krijgsvolk, en hij woonde in Gazara.

1 Makkabeeën 14:2
Als Arsaces, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius in zijn landpalen was gekomen, zond hij een van zijn oversten om hem levend te krijgen.

1 Makkabeeën 14:4
Het land was in rust al de dagen van Simon, want hij zocht het welvaren van zijn volk, en zijn macht en zijn heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen.

1 Makkabeeën 14:7
En hij vergaderde vele gevangenen, en vermeesterde Gazara en Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit weg, en er was niemand, die zich tegen hem stelde.

1 Makkabeeën 14:12
En een ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.

1 Makkabeeën 14:16
Als men hoorde te Rome, en tot Sparta toe, dat Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd geworden.

1 Makkabeeën 14:17
En horende, dat Simon, zijn broeder, in zijn plaats hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd had, en de steden die daarin waren;

1 Makkabeeën 14:27
En dit is het afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste jaar, zijnde dit het derde jaar dat Simon hogepriester was.

1 Makkabeeën 14:30
Nadat Jonathan hun volk vergaderd had en hun hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd was;

1 Makkabeeën 14:34
En hij versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in de landpalen van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij daarin.

1 Makkabeeën 15:3
Dewijl enige boze mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weder te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde krijgslieden aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid.

1 Makkabeeën 15:33
En Simon, antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen, en hebben eens anders goed niet bemachtigd, maar de erve onzer vaderen, die door onze vijanden wederrechtelijk bij zekere gelegenheid bemachtigd was.

1 Makkabeeën 16:5
En des morgens vroeg opstaande, trokken zij naar het vlakke veld; en ziet, een grote macht te voet en te paard ontmoette hen, en tussen hen beiden was een beek.

1 Makkabeeën 16:7
En hij deelde het volk, en stelde de ruiters in het midden van het voetvolk, doch de ruiterij van de vijanden was zeer veel.

1 Makkabeeën 16:11
En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud,

1 Makkabeeën 16:12
Want hij was de schoonzoon van de hogepriester.

1 Makkabeeën 16:14
En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat.

1 Makkabeeën 16:21
En een, vooruitlopende, boodschapte aan Johannes te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden had om hem ook om te brengen.

2 Makkabeeën 1:7
Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.

2 Makkabeeën 1:15
Hetwelk hem de priesters van Nanea voorstelden, en als hij met enige weinigen gekomen was in de omgang des tempels, zo sloten zij de tempel toe.

2 Makkabeeën 1:19
Want toen onze vaders in Perzië werden gevoerd, zo namen de godvruchtige priesters, die toen waren, heimelijk van het vuur van het altaar, en verbergden het in de holte van een put, die een droge grond had, en hebben het daarin verzekerd, zodat die plaats allen onbekend was.

2 Makkabeeën 1:21
Zo gebood hij hun, dat zij zouden putten, en brengen; en als hetgeen tot de offeranden behoorde geofferd was, gebood Nehemia de priesters het hout, en wat daarop lag, te besprengen met dat water.

2 Makkabeeën 1:31
En als de offerande verteerd was, zo gebood Nehemia het water, dat nog overgebleven was, te gieten op grote stenen.

2 Makkabeeën 1:33
En als dit openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt, dat in de plaats, waar de weggevoerde priesters het vuur verborgen hadden, water was te voorschijn gekomen, waarmee ook Nehemia de offerande had geheiligd;

2 Makkabeeën 1:35
En degenen, wie hij gunstig was, heeft hij vele en verscheidene gaven genomen en medegedeeld.

2 Makkabeeën 2:4
En in hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft, dat de tabernakel en de ark, gelijk hij door Goddelijke aanspraak was onderricht, hem zou volgen; en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes geklommen was, en het erfdeel van God zag.

2 Makkabeeën 2:14
Desgelijks heeft ook Judas al de dingen, die door de oorlog, welke ons aangedaan was, vervallen waren, bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.

2 Makkabeeën 2:23
En dat de tempel, die door de gehele bewoonde wereld vermaard is, weder door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden zijn teniet gegaan, weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle goedertierenheid hun genadig was geworden;

2 Makkabeeën 3:4
En een zekere Simon, uit de stam van Benjamin, die tot een overste van de tempel was gesteld, streed tegen de hogepriester, vanwege de ongerechtigheid, die in de stad gepleegd werd.

2 Makkabeeën 3:5
En als hij Onias niet kon overwinnen, kwam hij tot Apollonius, de zoon van Thraseüs, die in die tijd overste was van Celo-Syrië en Fenicië.

2 Makkabeeën 3:6
En heeft hem geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem vol was van geld, zodat de menigte der kostelijke dingen ontelbaar was, en dat ze niet behoorden tot de rekening der offeranden, en dat het mogelijk was, dat deze zouden kunnen vallen in de macht van de koning.

2 Makkabeeën 3:7
Apollonius dan, komende bij de koning, heeft hem geopenbaard hetgeen hem van het geld te kennen gegeven was, die Heliodorus verkoren hebbende, die over zijn geld gesteld was, gezonden heeft, hem last gevende, dat hij het voormelde geld nemen zoude.

2 Makkabeeën 3:9
Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de hogepriester der stad ontvangen zijnde, heeft meegedeeld hetgeen te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen zo in der waarheid waren.

2 Makkabeeën 3:10
De hogepriester toonde aan, dat dit geld weggelegd was voor de weduwen en wezen;

2 Makkabeeën 3:11
En dat een deel daarvan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld was, zodat het niet was gelijk de goddeloze Simon lasterlijk had aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud.

2 Makkabeeën 3:14
En een dag gesteld hebbende, is hij ingegaan om het geld te overzien, en daarop orde te stellen; en daar was geen kleine benauwdheid in de gehele stad.

2 Makkabeeën 3:16
En wie des hogepriesters aangezicht aanzag, die werd in zijn gemoed verwonderd, want zijn aangezicht en de kleur, die veranderd waren, gaven te kennen de benauwdheid, die in zijn ziel was.

2 Makkabeeën 3:17
Want vrees en verschrikking van het lichaam had de man bevangen, waaruit klaar de weemoed die in zijn hart was degenen, die hem aanzagen, bleek.

2 Makkabeeën 3:21
Het was erbarmelijk te zien, hoe de menigte onder elkander gemengd nederviel, en in welke verwachting de grote hogepriester in zijn benauwdheid was.

2 Makkabeeën 3:22
Dezen dan riepen tot de Here Almachtig, dat hij dit geld, hetwelk toevertrouwd was in alle zekerheid onbeschadigd bewaren wilde, voor degenen, die het toevertrouwd hadden.

2 Makkabeeën 3:23
Doch Heliodorus zocht te volbrengen hetgeen besloten was; en als hij nu daar bij de schatkist met de hellebaardiers tegenwoordig was,

2 Makkabeeën 3:25
Want door hen werd een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, hetwelk sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus geworpen heeft, en die daarop zat scheen een gouden harnas aan te hebben.

2 Makkabeeën 3:27
En als hij snel ter aarde viel, en met grote duisternis bevangen was, namen zij hem tezamen op, en zetten hem in een draagstoel;

2 Makkabeeën 3:28
En hem, die tevoren met veel toeloop en al de hellebaardiers in de voorzeide schatkamer was ingegaan, droegen zij weg, zo gesteld, dat hij met de wapenen niet kon geholpen worden, en openlijk de heerschappij Gods bekende.

2 Makkabeeën 3:30
Maar dezen prezen de Here, dat hij deze zijn plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren vol vreze, en beroerte was, doordat de Here Almachtig daar verschenen was, werd vervuld met blijdschap en vreugde.

2 Makkabeeën 4:1
De voorzeide Simon, die een verrader was geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwalijk van Onias, alsof hijzelf Heliodorus geslagen had, en aanstichter ware geweest van al dit kwaad.

2 Makkabeeën 4:2
En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken des rijks listig bemoeide.

2 Makkabeeën 4:3
En als de vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een dergenen, die Simon voor zijn vertrouwde vrienden hield, doodslagen gedaan werden;

2 Makkabeeën 4:6
Want hij zag dat het onmogelijk was, dat zonder des konings voorzorg de zaken tot vrede zouden kunnen gebracht worden, en dat Simon niet zou ophouden van zijn razernij.

2 Makkabeeën 4:11
En heeft de voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden goedertieren waren gegund door Johannes, de vader van Eupolemus, die een gezant was geweest, om met de Romeinen een verbond van vriendschap en van gemeenschap van wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze van regering ingevoerd.

2 Makkabeeën 4:13
Zo was er onder de Joden een grote lust tot de Griekse zeden, en een grote voortgang der vreemde wijzen van doen, om de overgrote onreinheid van de goddeloze Jason, die geen rechte hogepriester was.

2 Makkabeeën 4:15
En de eerlijke wijzen der vaderen als niets achtende, hielden zij dat de Griekse eer de beste was.

2 Makkabeeën 4:18
Als nu het vijfjarig strijdspel te Tyrus gehouden werd, en de koning daar tegenwoordig was.

2 Makkabeeën 4:21
En als Apollonius, de zoon van Menestheüs, in Egypte was gezonden, vanwege de eerste beroeping van de koning Filometor, zo heeft Antiochus, vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd was, zorg gedragen voor zijn verzekerdheid; waarom hij te Joppe gekomen zijnde, voorts gereisd is naar Jeruzalem.

2 Makkabeeën 4:25
En des konings bevelen ontvangen hebbende, kwam hij te Jeruzalem, niets meebrengende dat des hogepriesterschaps waardig was; maar een grimmig gemoed van een wrede tiran en een verbolgenheid van een wild barbaars beest hebbende.

2 Makkabeeën 4:28
Want hij was gesteld om het geld van de schatting te ontvangen. Als zij beiden nu om deze oorzaak door de koning ontboden waren,

2 Makkabeeën 4:33
Onias, als hij deze dingen wel verstaan had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te Dafne, gelegen bij Antiochië.

2 Makkabeeën 4:35
Om welke oorzaak niet alleen de Joden, maar ook vele van andere volken, het zeer kwalijk namen, en konden het niet verdragen, dat die man zo onrechtvaardig was gedood.

2 Makkabeeën 4:36
En als de koning wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken, gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood was.

2 Makkabeeën 4:39
En als door Lysimachus vele kerkroverijen in de stad geschiedden, met raad van Menelaüs, en als het gerucht daarvan openlijk verbreid was, zo vergaderde de menigte tegen Lysimachus, nadat weder veel goudwerk van verscheidene plaatsen weggebracht was.

2 Makkabeeën 4:40
En als de scharen op de been geraakt en vol gramschap waren, wapende Lysimachus tot drieduizend man, en begon met onrechtvaardige handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren was, en ook niet min van verstand.

2 Makkabeeën 4:41
En dezen, ziende de aanval van Lysimachus, grepen stenen en anderen dikke stokken, en sommigen ook uit het slijk dat daar was, met hun handen tezamen geperst, en wierpen het op degenen, die met Lysimachus waren.

2 Makkabeeën 4:44
En als de koning gekomen was te Tyrus, stelden drie mannen, die door de raad gezonden waren, hun aanklacht aan bij hem.

2 Makkabeeën 4:46
Ptolomeüs dan hetzelve ontvangen hebbende, heeft de koning, die in een galerij was gegaan om zich te verversen, overgehaald,

2 Makkabeeën 4:47
En heeft Menelaüs, die oorzaak was van al deze boosheid, ontslagen van al de beschuldigingen, en heeft deze ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit hadden, als onschuldigen zouden vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.

2 Makkabeeën 4:49
Waarom ook de Tyriërs, dit boze stuk hatende, zeer treffelijk besteld hebben hetgeen tot hun begrafenis nodig was.

2 Makkabeeën 5:5
En als er een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen vergaderd hebbende, heeft terstond een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vlood Menelaüs op de burcht.

2 Makkabeeën 5:6
En Jason sloeg zijn eigen burgers dood, zonder iemand te sparen, niet denkende dat de voorspoed tegen zijn eigen bloedverwanten de grootste tegenspoed was; en hij dacht dat hij tekenen van overwinning oprichtte, niet van zijn medeburgers, maar van zijn vijanden.

2 Makkabeeën 5:8
Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte uitgeworpen.

2 Makkabeeën 5:15
En daarmee niet tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van de ganse aardbodem, hebbende tot een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland.

2 Makkabeeën 5:16
En met zijn onreine handen de heilige vaten nemende, en wat door andere koningen tot vermeerdering, heerlijkheid en eer der plaats geschonken was, met zijn goddeloze handen wegrovende,

2 Makkabeeën 5:17
Zo werd Antiochus in zijn gemoed zeer hovaardig, niet aanmerkende, dat om der zonden wil dergenen, die in de stad woonden, de Here een kleine tijd vertoornd was geweest, en dat hij daarom de plaats niet aanzag.

2 Makkabeeën 5:18
Want ware het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht waren, gelijk die Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer te bezichtigen, zo zou ook deze terstond, als hij ingekomen was, gegeseld zijnde, van zijn stoutheid afgekeerd geweest zijn.

2 Makkabeeën 5:20
En daarom is dezelfde plaats, die deelachtig was geworden de ongelukken, die over dit volk gekomen waren, daarna ook deelachtig geworden de weldadigheden, en het volk dat door de almachtige toorn was verlaten geweest, is weder door de verzoening met de grote Here, in alle heerlijkheid opgericht.

2 Makkabeeën 5:22
En hij heeft ook enige oversten daar gelaten, om het volk te kwellen: Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser dan degene, die hem gesteld had,

2 Makkabeeën 5:25
Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam ware, heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen begeven.

2 Makkabeeën 6:3
De invoering van deze boosheid was het volk bezwaarlijk en moeilijk.

2 Makkabeeën 6:7
En zij werden door een bittere noodwendigheid gedwongen, om des konings geboortedag alle maanden te houden, met het eten van de geofferde ingewanden; en als de feestdag van Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen wijnloofkransen dragende, in het Bacchusfeest om te gaan.

2 Makkabeeën 6:18
Een zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen gekomen was, en zeer schoon was van aangezicht, werd genoodzaakt zijn mond open te doen, en varkensvlees te eten.

2 Makkabeeën 6:21
En degenen, die gesteld waren om deze onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, door hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen, alsof hij at hetgeen door de koning was verordineerd, namelijk het vlees der offeranden.

2 Makkabeeën 7:7
En als de eerste op deze wijze gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; en het vel van het hoofd met het haar rondom afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees eten, eer dat het lichaam van lid tot lid gestraft wordt?

2 Makkabeeën 7:9
En als hij nu in de uiterste adem was, zeide hij: Gij booswicht, gij beneemt ons wel het tegenwoordige leven, maar de koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding des levens weder opwekken.

2 Makkabeeën 7:13
En als ook deze overleden was, hebben zij desgelijks de vierde gepijnigd en geslagen.

2 Makkabeeën 7:24
Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat deze stem hem smaadheid aandeed, als de jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden een vermaning aan hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem terstond rijk en gelukzalig zou maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten toevertrouwen.

2 Makkabeeën 8:2
En riepen de Here aan, dat hij zou willen zien op het volk dat van alle kanten overlast werd aangedaan, en dat hij zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd was;

2 Makkabeeën 8:3
En dat hij zich erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen verhoren;

2 Makkabeeën 8:5
En als Judas Makkabeüs een leger verzameld had, werd hij onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn Gods in barmhartigheid was veranderd.

2 Makkabeeën 8:9
Deze verkoos terstond Nicanor, de zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden, en zond hem, stellende onder hem niet minder dan twintigduizend man uit allerlei natiën, om het ganse Joodse volk uit te roeien; en heeft hem toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, goede ervaring hebbende in krijgszaken.

2 Makkabeeën 8:10
Nicanor nu had de koning beloofd de schatting, die hij de Romeinen schuldig was, zijnde tweeduizend talenten, uit de gevangen Joden te vervullen.

2 Makkabeeën 8:12
En Judas was verwittigd van de aantocht van Nicanor.

2 Makkabeeën 8:13
En als hij aan degenen, die met hem waren, verklaard had dat het leger daar was gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op de gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts en derwaarts gevloden, en verlieten de plaats.

2 Makkabeeën 8:14
En anderen verkochten alles wat overgelaten was, en baden de Here, dat hij zou willen verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor, eer zij bijeenkwamen, verkocht waren;

2 Makkabeeën 8:17
En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot was; en ook de verbreking der regering, die hij hun voorouders geweest was.

2 Makkabeeën 8:19
En hij verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders geschied was, en hoe dat de honderdvijfentachtigduizend onder Sanherib omgebracht waren;

2 Makkabeeën 8:20
En de slag, die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer gekomen waren, maar achtduizend waren, met vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend honderdtwintigduizend hebben omgebracht door de hulp die hun van de hemel geschiedde, en dat zij groot voordeel verkregen.

2 Makkabeeën 8:26
Want het was de dag voor de Sabbat; waarom zij hen niet langer naliepen.

2 Makkabeeën 8:27
En als zij de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Here zeer, die hen behouden had tot die dag toe, welke het begin was der barmhartigheid, die over hen kwam.

2 Makkabeeën 8:32
En zij versloegen ook Filarches, die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die de Joden veel droefheid aangedaan had.

2 Makkabeeën 9:2
Want als hij was ingegaan in de stad genaamd Persepolis en gewaagde het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok.

2 Makkabeeën 9:3
En als hij te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht van hetgeen Nicanor en Timotheüs wedervaren was.

2 Makkabeeën 9:7
Doch hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.

2 Makkabeeën 9:8
Hij, die kort tevoren de baren der zee scheen te willen gebieden, met een vermetelheid, die de menselijke gedachten te boven ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich voor allen betonende,

2 Makkabeeën 9:18
Maar als de pijnen geenszins ophielden, (want het rechtvaardig oordeel Gods was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van deze inhoud:

2 Makkabeeën 9:29
En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich genomen; welke ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken is naar Egypte, tot Ptolomeüs Filometor.

2 Makkabeeën 10:9
En de uitgang van het leven van Antiochus, die toegenaamd was Epifanes, is dusdanig geweest.

2 Makkabeeën 10:11
Want deze, het koninkrijk ontvangen hebbende, stelde over zijn zaken een zekere Lysias, die de opperste veldoverste was over Celo-Syrië en Fenicië.

2 Makkabeeën 10:12
Want Ptolomeüs, die toegenaamd was Macron, willende liever voor de Joden het recht bewaren, vanwege het ongelijk dat gedaan was, trachtte hetgeen hun aanging vreedzaam te bestellen.

2 Makkabeeën 10:13
Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd zijnde, en dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd, verlaten. had, en tot Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk had bediend, zichzelf vergeven hebbende, heeft het leven verlaten.

2 Makkabeeën 10:18
En als er niet minder dan negenduizend gevlucht waren in twee torens, die zeer sterk waren en wel voorzien van alles wat nodig was om een belegering te doorstaan,

2 Makkabeeën 10:21
En als hetgeen daar geschied was, de Makkabeeër geboodschapt was, vergaderde hij de oversten des volks, en beschuldigde hen, dat zij hun broeders voor geld hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel hadden losgelaten.

2 Makkabeeën 10:24
En Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen was, vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd krijgsvolk, en bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken, alsof bij Judea met de wapenen zou innemen.

2 Makkabeeën 10:28
En als de zon opgegaan was, leverden zij met elkander slag; dezen hadden tot een waarborg van de voorspoed en overwinning met de kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Here, en genen stelden daartegen hun moed tot een overste van de strijd.

2 Makkabeeën 10:29
Als er nu een zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf treffelijke mannen, zittende op paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden der Joden.

2 Makkabeeën 10:32
En Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette sterkte, genaamd Gazara, waar Cherea de overste was.

2 Makkabeeën 11:1
En een zeer weinig tijds daarna, Lysias, des konings hofmeester en bloedverwant, en die over de zaken des konings gesteld was, zich zeer ontevreden houdende over hetgeen geschied was,

2 Makkabeeën 11:13
En daar hij niet dwaas was, bij zichzelf overleggende de nederlaag die hem geschied was, en verstaande dat de Hebreeën onoverwinnelijk waren, overmits de alvermogende God met hen streed, zo zond hij aan hen,

2 Makkabeeën 11:15
Makkabeüs nu, zorgdragende voor hetgeen oorbaar was, stond toe al hetgeen dat Lysias verzocht, want al wat Makkabeüs aan Lysias bij geschrift had overgegeven voor de Joden, dat stond de koning toe.

2 Makkabeeën 11:18
Zo heb ik dan al hetgeen, dat aan de koning moest gebracht worden, hem verklaard, die al wat behoorlijk was toegestaan heeft.

2 Makkabeeën 11:22
En de brief van de koning was van deze inhoud: De koning Antiochus wenst zijn broeder Lysias voorspoed.

2 Makkabeeën 11:27
En de zendbrief van de koning aan het Joodse volk was dusdanig: De koning Antiochus wenst de raad der Joden, en al de andere Joden, voorspoed.

2 Makkabeeën 12:5
En Judas, verstaande dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan was, gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen op te nemen; en God aanroepende tot een rechtvaardige rechter,

2 Makkabeeën 12:7
En als de plaats ingesloten was, zo vertrok hij, als die weder zou komen, en de ganse burgerschap van Joppe uitroeien.

2 Makkabeeën 12:13
En hij ondernam ook een brug te slaan tegen een sterke stad, die met muren omsingeld was, en die van allerlei volk, ondereen gemengd, bewoond werd, met name Caspin.

2 Makkabeeën 12:18
En zij vonden Timotheüs niet in die plaatsen; en toen van die plaatsen, zonder iets uitgericht te hebben, vertrokken zijnde, heeft hij een bezetting gelaten in zekere plaats, die zeer sterk was.

2 Makkabeeën 12:21
Timotheüs nu, vernemende de komst van Judas, zond tevoren weg al de vrouwen en kinderen, en al de bagage naar een plaats genaamd Karnion, want deze plaats was moeilijk te belegeren en bij te komen, om de engte van al die plaatsen.

2 Makkabeeën 12:24
En Timotheüs zelf, als hij gevallen was in de handen van Dositheüs en Sosipater, bad met grote bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde behouden en loslaten, omdat hij velen hunner ouders en hunner broeders had, en het geschieden zou dat men anderszins op die geen acht zou hebben.

2 Makkabeeën 12:27
En na de vlucht en nederlaag van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht voor Efron, een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei volk woonde; de dappere jongelingen, staande voor de muren, vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten en pijlen.

2 Makkabeeën 12:31
Zo dankten zij hen, en vermaanden hen, dat zij ook voortaan hun volk goedgunstig zouden zijn, en als het feest der weken aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen.

2 Makkabeeën 12:32
En als het feest, genoemd Pinksteren, voorbij was, zo trokken zij op tegen Gorgias, de veldoverste van Idumea.


1 - 500  [501 - 571]