woord OT NT apo Bijbel
wandel1018533

Vindplaatsen van wandel in het Oude Testament. Het woord komt er 10 keer voor, in 10 verzen.

Genesis 13:17
Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven.

Genesis 17:1
Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!

Richteren 17:9
Zo zeide Micha tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-juda, en ik wandel, om te verkeren, waar ik gelegenheid zal vinden.

Psalmen 26:1
Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.

Psalmen 26:3
Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.

Psalmen 26:11
Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.

Psalmen 119:1
Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.

Psalmen 138:7
Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.

Spreuken 1:15
Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

Prediker 11:9
Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.