woord OT NT apo Bijbel
wel17114987407

Vindplaatsen van wel in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 87 keer voor, in 86 verzen.

3 Ezra 3:3
En als zij gegeten en gedronken hadden, en wel verzadigd waren, keerden zij weder naar huis. Doch Darius, de koning, keerde weder in zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weder.

3 Ezra 5:65
Zodat het volk de bazuinen niet wel hoorde, vanwege het schreien des volks, want de schare bazuinde zeer luid, zodat zij van verre gehoord werd.

3 Ezra 6:28
En ik ook schreef hij heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis des Heren voltooid is.

4 Ezra 1:37
Ik betuig van de genade van het komende volk, wiens kleine kinderen zich met blijdschap verheugen, welke mij met de lichamelijke ogen wel niet zien, maar in de geest geloven hetgeen ik gezegd heb.

4 Ezra 3:36
Deze zult gij wel met namen vinden, dat zij uw geboden gehouden hebben, maar bij de heidenen zult gij hen niet vinden.

4 Ezra 5:45
Toen sprak ik: Gelijk gij tot uw knecht hebt gezegd, dat gij het schepsel, hetwelk geschapen is, op eenmaal levend gemaakt heb, en het schepsel verdroeg het, zo kan het ook nu wel op eenmaal de tegenwoordige dragen.

4 Ezra 8:3
Daar zijn wel velen geschapen, maar weinigen worden behouden.

4 Ezra 9:36
Maar ons is het zo niet geschied, want wij die de wet ontvangen hebben, vergaan wel als wij zondigen, en ook ons hart dat ze ontvangen heeft,

Tobias (Tobit) 5:14
En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.

Tobias (Tobit) 5:18
Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel;

Tobias (Tobit) 5:23
En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden wel.

Tobias (Tobit) 6:14
En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen meer dan enig man.

Tobias (Tobit) 7:5
En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem wel.

Tobias (Tobit) 11:9
En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.

Tobias (Tobit) 14:11
En Achiachar is wel verlost geworden, doch hijzelf heeft zijn vergelding gekregen, en is in de duisternis nedergedaald. Manasse heeft aalmoezen gedaan, en is uit de strik des doods verlost, die zij hem gelegd hadden, maar Haman is in de strik gevallen en omgekomen.

Judith 5:19
En zo lang zij niet zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid haat.

Judith 8:18
Gelijk wel in de vorige dagen is geschied, om welke oorzaak onze vaders ten zwaard en ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden met een grote val.

Boek der Wijsheid 3:4
Want of zij wel in het gezicht der mensen gepijnigd worden, zo is nochtans hun hoop vol onsterfelijkheid.

Boek der Wijsheid 11:11
Want dezen hebt gij wel als een Vader vermaand en beproefd, maar genen, scherp onderzocht hebbende, hebt gij als een streng koning veroordeeld.

Boek der Wijsheid 12:10
Maar gij straffende gaandeweg, gaaft hun tijd tot bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en hun boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden veranderen in der eeuwigheid.

Boek der Wijsheid 16:9
Want die werden wel van de beten der sprinkhanen en vliegen gedood, en geen genezing werd voor hun ziel gevonden, omdat zij waardig waren van zulke geplaagd te worden.

Boek der Wijsheid 16:14
En een mens doodt wel een ander door zijn boosheid maar de geest die uitgevaren is kan hij niet doen wederkeren, noch de ziel wederbrengen die weggenomen is.

Boek der Wijsheid 18:1
MAAR uw heiligen hadden een zeer groot licht, welker stem zij (de Egyptenaars) wel hoorden, maar zagen hun gedaante niet,

Boek der Wijsheid 18:16
Dragende een scherp zwaard, namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging ook op de aarde.

Jezus Sirach 1:27
Want de vreze des Heren is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen is geloof en zachtmoedigheid.

Jezus Sirach 6:11
Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken.

Jezus Sirach 6:20
Want in haar werking zult gij wel een weinig vermoeid worden, en haast zult gij van haar gewas eten.

Jezus Sirach 9:15
Heb geen welbehagen aan dat, waarin de goddelozen wel behagen hebben; gedenk dat zij tot in de hel toe niet, zullen gerechtvaardigd worden.

Jezus Sirach 12:2
Doe wel aan de godvrezende, en gij zult vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers bij de Allerhoogste.

Jezus Sirach 12:15
En de vijand zal wel met zijn lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.

Jezus Sirach 13:31
Een groenend aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen in overlegging met moeite.

Jezus Sirach 14:3
De rijkdom voegt geen karig mens wel, en waartoe dient geld een nijdig mens?

Jezus Sirach 14:7
Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.

Jezus Sirach 15:9
De lof in de mond des zondaars voegt niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.

Jezus Sirach 21:8
Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een verstandige merkt wel wanneer hij struikelt.

Jezus Sirach 21:26
De onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan.

Jezus Sirach 26:15
Een vrouw die weinig spreekt, en van een goed gemoed is, is een gave des Heren, en daar is niets waartegen men een wel onderwezen ziel verwisselen kan.

Jezus Sirach 29:25
Het voornaamste van het leven des mensen is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet wel voegt.

Jezus Sirach 29:27
Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote, opdat gij niet hoort het verwijt van uw huis.

Jezus Sirach 31:21
Hoe weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig ingewand, hij staat des morgens vroeg weder op, en zijn vernuft is bij hem.

Jezus Sirach 32:3
En doe al wat nodig is te doen, en als gij zult geprezen zijn, zo rust, opdat gij van hunnentwege verheugd zijt, en om wel versierd te wezen een kroon moogt ontvangen.

Jezus Sirach 32:15
Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken, zullen vinden wat hun wel behaagt.

Jezus Sirach 37:1
IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap gehouden, maar menige vriend is alleen vriend met de naam.

Jezus Sirach 38:36
Hij begeeft zijn hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om de oven te reinigen.

Jezus Sirach 40:3
Zo wel bij hem, die op de troon der heerlijkheid zit, als bij degene, die vernederd is, zittende in aarde en as.

Jezus Sirach 40:4
Zo wel bij hem, die een purperen kleed en een kroon draagt, als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed is.

Jezus Sirach 41:6
En wat wilt gij weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste wel behaagt?

Jezus Sirach 42:5
Noch dat gij aan de kooplieden verscheidenlijk verkoopt, en dat gij de kinderen wel tuchtigt;

Jezus Sirach 43:29
Wij zouden wel veel dingen zeggen, maar wij zouden het niet kunnen bereiken, en opdat ik mijn woorden voleindige, hij is het Al.

Jezus Sirach 47:12
Hij heeft op de feesten ingesteld dingen die wel staan, en de bestemde tijden volkomen versierd, opdat zij zouden prij zen zijn heilige naam, en van des morgens vroeg aan zijn heiligdom weerklank zouden doen geven.

Jezus Sirach 48:18
Enigen hunner deden wel hetgeen, God behagelijk was, maar enigen vermenigvuldigden de zonden.

Baruch 3:23
De kinderen van Agar doorzoeken de wetenschap wel op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers der wetenschap, maar de weg der wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht aan haar paden.

Baruch 6:4
Ziet dan wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.

Baruch 6:7
Want hun tong is van de werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud en zilver versierd, maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet spreken.

Baruch 6:54
Want ook, als het vuur valt in het huis van deze houten, vergulde en verzilverde goden, zo zullen hun priesters wel kunnen ontvlieden en ontkomen, maar zij zullen als balken midden daarin verbrand worden.

Baruch 6:63
Daarom moet men noch houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen.

Esther (apocr.) 16:7
Dit kan opgemerkt worden niet zozeer uit de oude historiën, gelijk wij verhaald hebben, als wel uit hetgeen ons voor de voeten is, zo gij onderzoekt hetgeen onrechtvaardig is volbracht, door het valse beleid dergenen, die de macht onbehoorlijk hebben gebruikt.

Esther (apocr.) 16:23
Opdat het beide, nu en hierna, ons wel ga, mitsgaders degenen, die de Perzen gunstig zijn, maar degenen, die ons lagen leggen, zij het een gedenkteken van ondergang.

Susanna (Dan. 13) 1:55
Toen zeide Daniël: Zeer wel, gij hebt tegen uw eigen hoofd gelogen; want de engel des Heren zal nu bevel van God ontvangen, en u midden doorklieven.

Susanna (Dan. 13) 1:59
Toen zeide Daniël tot hem: Zeer wel, gij hebt ook tegen uw eigen hoofd gelogen, want de engel Gods, die het zwaard heeft, wacht op u, om u middendoor te houwen, opdat hij ulieden uitroeie.

1 Makkabeeën 8:15
Maar dat zij zichzelf een Raad hadden gemaakt, en dat dagelijks driehonderdentwintig Raadslieden des volks raad hielden, om het wel te regeren;

1 Makkabeeën 11:42
Gij zult dan nu wel doen, dat gij mij mannen zendt, die mij helpen strijden, omdat al mijn krijgsvolk mij is afgevallen.

1 Makkabeeën 12:18
En voorts zult gij wel doen, dat gij ons hierop antwoordt.

1 Makkabeeën 12:22
En nu nadat wij deze dingen verstaan hebben, zo zult gij wel doen, dat gij ons schrijft van uw welstand.

1 Makkabeeën 16:16
En als Simon en zijn zonen wel gedronken hadden, stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen nemende, overvielen zij Simon in de maaltijd, en doodden hem, en zijn twee zonen, en enigen van zijn knechten.

2 Makkabeeën 2:16
Dewijl wij dan zullen houden het feest der reiniging, zo hebben wij u dat geschreven, en gij zult dan wel doen, dat gij deze dagen viert.

2 Makkabeeën 2:26
Hebben getracht om degenen, die lezen willen, enig vermaak te geven, en degenen die begerig zijn om wel te onthouden, enige hulp, en allen, wie dit boek zal voorkomen, enig nut toe te brengen.

2 Makkabeeën 2:28
Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen, niet licht is, om van velen goede dank te behalen, zo zullen wij nochtans gaarne deze moeite nemen.

2 Makkabeeën 3:38
Indien gij een vijand hebt, of een die uw zaken lagen legt, zendt die daar, en gij zult hem wel gegeseld weder krijgen, indien hij behouden ontkomt, omdat in der waarheid in die plaats een kracht Gods is.

2 Makkabeeën 4:27
En Menelaüs heeft wel het opperste gezag verkregen, maar hij stelde gans geen orde aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had, hoewel Sostrates, de overste van de burcht het eiste.

2 Makkabeeën 4:33
Onias, als hij deze dingen wel verstaan had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te Dafne, gelegen bij Antiochië.

2 Makkabeeën 7:9
En als hij nu in de uiterste adem was, zeide hij: Gij booswicht, gij beneemt ons wel het tegenwoordige leven, maar de koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding des levens weder opwekken.

2 Makkabeeën 10:18
En als er niet minder dan negenduizend gevlucht waren in twee torens, die zeer sterk waren en wel voorzien van alles wat nodig was om een belegering te doorstaan,

2 Makkabeeën 10:32
En Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette sterkte, genaamd Gazara, waar Cherea de overste was.

2 Makkabeeën 11:21
Vaart wel in het honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag der maand van Jupiter Corinthius.

2 Makkabeeën 11:38
Vaart wel. De vijftiende dag der maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.

2 Makkabeeën 12:43
En enige voorraad gemaakt hebbende uit een hoofdschatting, van tweeduizend drachmen zilver, zond die naar Jeruzalem om offerande te doen voor de zonde; gans wel en edel doende, daar hij dacht aan de opstanding.

2 Makkabeeën 15:39
En indien ik dit wel, en gelijk het in een historie behoort, bijeen gesteld heb, dat is mijn wil geweest; maar indien ik het slecht en onvolledig heb gedaan, dat is hetgeen dat ik heb kunnen doen.

3 Makkabeeën 3:3
Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw, doch omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo hebben zij enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken der gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen.

3 Makkabeeën 3:5
Maar de Grieken, die in de stad waren, wie gans geen leed geschied was, als zij dit onverhoopt oproer zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop geschiedde, konden wel geen hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze),

3 Makkabeeën 3:9
De koning Ptolomeüs Filopator wenst alle stadhouders en krijgslieden in Egypte, en de andere plaatsen geluk en voorspoed; ik zelf, en onze zaken varen wel.

3 Makkabeeën 3:12
Doch zij hebben wel met woorden onze tegenwoordigheid vriendelijk ontvangen, maar inderdaad met valse harten; want toen wij voorgenomen hadden in het binnenste van hun tempel in te gaan, en die met zeer betamelijke en zeer schone geschenken te vereren, zo hebben zij, gedreven zijnde door hun oude opgeblazenheid, ons verhinderd daarin te gaan.

3 Makkabeeën 3:17
Daarom zijn wij door zekere merktekenen wel verzekerd, dat dezen op alle manier ons kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk hierna enig oproer tegen ons mocht ontstaan, wij deze goddeloze mensen van achteren tot verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden.

3 Makkabeeën 4:9
Als nu dezen in dat voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, gelijkerwijs het door de koning was geboden, zo heeft hij gelast dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld der straf te zien; opdat zij noch met zijn krijgsvolk gemeenschap zouden hebben noch enigszins waardig geacht der stadsmuren.

3 Makkabeeën 5:14
Toen nu de koning dit gezegd had, prezen allen die daar tegenwoordig waren hem tegelijk, gaarne en met blijdschap, en keerden een ieder weder naar zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te slapen, als wel om allerlei bespottingen tegen deze, zo men meende, ellendige te bedenken.

3 Makkabeeën 7:1
De koning Ptolomeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over des lands zaken gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook nog wel.