woord OT NT apo Bijbel
werden257133132522

Vindplaatsen van werden in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 132 keer voor, in 122 verzen.

3 Ezra 1:19
En de kinderen Israëls, die daar op die tijd gevonden werden, hielden het Pascha, en het feest der ongehevelde broden, zeven dagen lang.

3 Ezra 2:12
En door deze werden zij overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder van Judea.

3 Ezra 2:14
Al de vaten dan, die overgebracht werden, zo gouden als zilveren, zijn vijfduizend, vierhonderdennegenenzestig.

3 Ezra 3:16
Roept de jongelingen, en laat henzelf hun redenen verklaren; en zij werden geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden tot hen:

3 Ezra 5:1
DAARNA werden verkoren om op te trekken de oversten van de huizen der vaderen naar hun stammen, met hun vrouwen en hun zonen en dochteren, en hun dienstknechten en dienstmaagden, en hun beesten.

3 Ezra 6:5
En nadat het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden de oudsten der Joden genade van de Here, en werden niet verhinderd in de bouw, totdat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen.

3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.

3 Ezra 8:73
En tot mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.

3 Ezra 9:18
En onder de priesters werden gevonden, die uitlandse vrouwen hadden genomen.

4 Ezra 3:12
En het is geschied, toen degenen, die op aarde woonden begonnen te vermenigvuldigen, en vele kinderen verkregen, en tot vele volken en natiën werden, dat zij weder goddelozer werden dan de eersten.

4 Ezra 3:23
Alzo verliepen de tijden, en de jaren werden geëindigd, en gij verwektet u een knecht, met name David.

4 Ezra 6:3
En eer de schone bloemen gezien werden, en eer de bewogen krachten waren bevestigd, en eer de ontelbare heerscharen der engelen verzameld waren,

4 Ezra 6:5
En eer men de tegenwoordige jaren opzocht, en eer de vonden dergenen, die nu zondigen, afkerig werden, en opgetekend waren die het geloof tot een schat vergaderd hebben,

4 Ezra 7:68
En hij vergeeft; want indien hij niet vergaf naar zijn goedheid, opdat degenen, die ongerechtigheid gedaan hebben, van hun ongerechtigheden werden verlicht, zo zou het tienduizendste deel der mensen niet levend gemaakt worden.

4 Ezra 11:2
En ik zag, en ziet, hij strekte zijn vleugelen uit over de gehele aarde, en al de winden des hemels woeien daarop, en werden vergaderd.

4 Ezra 11:3
En ik zag dat van zijn vederen andere vederen daartegen wiessen, en dat zij tot kleine en smalle vederkens werden.

4 Ezra 11:20
En ik zag, en ziet, de volgende vederen werden mettertijd opgericht van de rechterzijde, opdat zij zelf de heerschappij zouden verkrijgen, en onder haar waren enige die ze verkregen, maar verdwenen nochtans in korte tijd.

4 Ezra 11:22
En ik zag daarna, en ziet de twaalf vederen werden niet meer gezien, noch de twee vederkens.

4 Ezra 14:42
De Allerhoogste nu gaf de vijf mannen verstand, dat zij schreven de dingen die in verrukkingen der zinnen van mij werden gezegd, welke zij nochtans niet wisten.

Tobias (Tobit) 1:21
En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

Tobias (Tobit) 11:10
En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.

Tobias (Tobit) 12:16
En zij werden beiden ontroerd en vielen op het aangezicht, want zij vreesden.

Judith 4:2
En zij werden uitermate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel des Heren huns Gods, want zij waren onlangs wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse volk was kort tevoren vergaderd geweest uit Judea; en de vaten en het altaar en het huis Gods waren van de ontheiliging geheiligd.

Judith 7:4
De kinderen Israëls nu als zij hun menigte zagen, werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze zullen nu het aanschijn van het gehele land opslikken, en noch de hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen zullen onder deze last kunnen bestaan.

Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 10:18
En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel, hetwelk van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was tezamen geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen.

Judith 15:2
En daar was geen mens die staande bleef voor het aanschijn zijns naasten, maar liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië, werden ook op de vlucht gebracht.

Boek der Wijsheid 11:10
Want toen zij zijn verzocht geworden, hoewel zij in ontferming werden gekastijd, hebben zij verstaan hoe de goddelozen, in toorn veroordeeld zijnde, gepijnigd worden.

Boek der Wijsheid 11:12
En beiden, die afwezig en die tegenwoordig waren, werden gelijk gekweld.

Boek der Wijsheid 12:27
Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.

Boek der Wijsheid 16:4
Want het betaamde dat degenen, die tirannie oefenden, een onvermijdelijke behoefte overkwam, en dezen alleen getoond werd, hoe hun vijanden gepijnigd werden.

Boek der Wijsheid 16:5
Want ook wanneer een schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven werden,

Boek der Wijsheid 16:6
Zo duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar zij werden voor een kleine tijd ontroerd tot vermaning, hebbende een teken der behoudenis, om hen te doen gedenken aan het gebod van uw wet.

Boek der Wijsheid 16:9
Want die werden wel van de beten der sprinkhanen en vliegen gedood, en geen genezing werd voor hun ziel gevonden, omdat zij waardig waren van zulke geplaagd te worden.

Boek der Wijsheid 16:11
Want zij werden als met prikkelen gestoken om te gedenken aan uw woorden, en snel weder geheeld, opdat zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid, zulken zouden worden, die niet zouden kunnen aangehaald worden door uw weldadigheid.

Boek der Wijsheid 16:18
Want somtijds matigde zich de vlam, opdat zij niet zoude verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven werden.

Boek der Wijsheid 17:3
Want menende te schuilen in hun heimelijke zonden, onder een donker deksel der vergetelheid, zo werden zij verstrooid, schrikkelijk verbaasd, door spokerijen zeer beroerd zijnde.

Boek der Wijsheid 17:8
Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik en beroertenis te verdrijven, deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk was.

Boek der Wijsheid 17:15
Werden eensdeels door de wonderlijke spokerijen gedreven en anderdeels bezweken zij door begeven hunner ziel: want een snelle en onverwachte vrees overkwam hun.

Boek der Wijsheid 17:20
Want de gehele wereld lichtte met helder klaar licht, en was bezig met werken die niet verhinderd werden.

Boek der Wijsheid 18:4
Want zij waren ook waardig, dat zij van het licht beroofd en in de duisternis gevangen werden gehouden, die uw kinderen gevankelijk ingesloten hielden door welke het onverderfelijke licht uwer wet aan de wereld zou gegeven worden.

Boek der Wijsheid 18:10
En daarentegen klonk een niet overeenstemmend gekrijt der vijanden en een erbarmelijke stem over de kinderen die beweend werden, verspreidde zich ginds en weder.

Boek der Wijsheid 18:11
En de knecht met de heer werden met gelijke straf geplaagd, en de gemene man moest met de koning hetzelfde lijden.

Boek der Wijsheid 19:8
Waardoor al het volk overging, die met uw hand beschermd werden, en zagen wonderlijke wonderwerken.

Boek der Wijsheid 19:9
Want zij werden als paarden geweid en huppelden gelijk lammeren, prijzende u Here, die hen verlost had.

Boek der Wijsheid 19:16
Maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijkerwijs degenen die voor de deur des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur.

Jezus Sirach 44:19
Daarom geschiedde de zondvloed, en eeuwige verbonden werden met hem opgericht, opdat niet alle vlees door de zond vloed zou verdelgd worden.

Jezus Sirach 45:17
Hun slachtoffers werden des daags tweemaal gedurig geheel verbrand.

Jezus Sirach 47:28
Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn en wraak over hen zouden komen.

Jezus Sirach 48:21
Toen werden hun harten en handen bewogen, en kregen weedom gelijk de barende vrouwen.

Baruch 6:23
Want indien niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering, zo zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet als zij gegoten werden.

Esther (apocr.) 11:5
En door hun stem werden alle volken ten krijg bereid, om het volk der rechtvaardigen te beoorlogen;

Esther (apocr.) 11:9
En het licht en de zon gingen op, en de nederigen werden verhoogd, en verslonden de heerlijken.

Esther (apocr.) 12:3
En de koning deed onderzoek over zijn twee kamerlingen, en nadat zij het bekend hadden, werden zij opgehangen.

Susanna (Dan. 13) 1:5
En daar werden in hetzelfde jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; van welke de Here gesproken heeft, dat ongerechtigheid uit Babylon was uitgegaan van de oudsten en rechters, die het volk schenen te regeren.

Susanna (Dan. 13) 1:8
En de twee oudsten zagen haar alle dagen in de hof gaan en wandelen, en werden over haar met begeerlijkheid ontstoken.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:2
De Babyloniërs hadden een afgod, die genoemd was Bel; aan deze werden alle dagen ten koste gelegd twaalf schepel meel, en veertig schapen, en zes metreten wijn.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:31
En daar waren zeven leeuwen in de kuil, en hun werden dagelijks gegeven twee lichamen, en twee schapen; maar toen werd hun dat niet gegeven, opdat zij Daniël verslinden zouden.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:41
En die oorzaak waren van zijn verderf, liet hij in de kuil werpen, en zij werden terstond verslonden in zijn tegenwoordigheid.

1 Makkabeeën 1:5
En hij vergaderde een zeer sterke krijgsmacht bijeen, en veroverde landen, volken, en heerschappijen; en zij werden hem cijnsbaar.

1 Makkabeeën 1:27
Want de oversten en ouderlingen zuchtten; de maagden en de jongelingen werden verzwakt, en de schoonheid der vrouwen werd veranderd.

1 Makkabeeën 1:36
En stelden daarin een zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en werden sterk in dezelve.

1 Makkabeeën 1:37
En brachten daarin wapenen en spijze; en de plundering van Jeruzalem bijeengebracht hebbende, stelden die daar; en zij werden tot een grote schrik;

1 Makkabeeën 1:42
Haar heiligdom is verwoest als een woestijn; haar feestdagen werden verkeerd tot rouw, haar sabbatten tot versmaadheid, en haar eer tot verachting.

1 Makkabeeën 1:62
Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, die gevonden werden van maand tot maand in al de steden.

1 Makkabeeën 2:16
En velen van Israël kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook gebracht.

1 Makkabeeën 2:38
En zij stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen der mensen.

1 Makkabeeën 2:43
En allen die deze rampen ontvloden waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking.

1 Makkabeeën 3:6
Zodat de goddelozen uit vrees voor hem zich introkken, en dat alle werkers der ongerechtigheid tezamen beroerd werden, en dat het welging met de behoudenis door zijn hand.

1 Makkabeeën 4:14
En zij kwamen aan elkander, en de heidenen werden geslagen, en vloden over het vlakke veld.

1 Makkabeeën 5:1
Het geschiedde, als de heidenen daar rondom hoorden dat het altaar opgebouwd en het heiligdom weder ingewijd was als tevoren, dat zij zeer toornig werden.

1 Makkabeeën 5:14
Toen deze brieven nog gelezen werden, ziet andere boden kwamen uit Galilea, hun klederen verscheurd hebbende, en boodschapten volgens deze woorden.

1 Makkabeeën 5:16
Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, zo werd daar vergaderd een grote vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broeders, die in de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.

1 Makkabeeën 5:20
En Simon werden toegedeeld drieduizend man, om naar Galilea te trekken, en Judas achtduizend man om te trekken naar Galaäditis.

1 Makkabeeën 5:43
En hij was de eerste die over de beek tegen hen trok, en al zijn volk trok hem achterna. En al de heidenen werden vermorzeld voor zijn aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg, en vloden in het bos, dat te Karnaïn was.

1 Makkabeeën 5:60
En Jozefus en Azaria werden op de vlucht gedreven, en vervolgd tot de landpalen van Judea; en daar vielen op die dag van het volk Israëls tot tweeduizend man, en daar werd een grote vlucht onder het volk Israël;

1 Makkabeeën 6:23
Wij hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in hetgeen door hem geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor de lieden van dit volk van ons vervreemd werden.

1 Makkabeeën 6:24
Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden, die werden gedood, en onze erfgoederen werden geroofd;

1 Makkabeeën 6:35
En zij verdeelden de beesten onder de slagorden, en zij stelden bij elke olifant duizend mannen te voet, voorzien met pantsers van ijzeren maliën, en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd uitgelezen ruiters werden geordineerd bij elk beest.

1 Makkabeeën 6:41
En zij werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het gedruis der wapenen hoorden, want het leger was zeer groot en sterk.

1 Makkabeeën 7:22
En tot hem werden vergaderd allen die hun volk ontroerden, en zij bemachtigden het land van Juda, en brachten een grote nederlaag te Jeruzalem.

1 Makkabeeën 7:24
Trok uit in al de landpalen van Judea rondom, en deed wraak over al de mannen, die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen.

1 Makkabeeën 8:2
Want hem werden verhaald hun oorlogen, en mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden, en hen onder schatting hadden gebracht.

1 Makkabeeën 9:55
En in dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn werken werden verhinderd, en zijn mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam, en hij kon niet een enig woord meer spreken, noch over zijn huis enige bevelen geven.

1 Makkabeeën 9:69
En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.

1 Makkabeeën 10:82
En Simon, zijn krijgsvolk voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij was afgemat, en zij werden door hem geslagen en zij vloden;

1 Makkabeeën 10:85
En die met het zwaard waren omgebracht, met die verbrand werden, waren tot achtduizend man.

1 Makkabeeën 11:18
En de koning Ptolomeüs stierf de derde dag daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren, werden omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.

1 Makkabeeën 12:28
En de vijanden hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd gereed waren, en vreesden, en werden in hun hart verslagen, en ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken.

1 Makkabeeën 13:49
Die op de burcht te Jeruzalem waren, werden verhinderd uit en in te gaan in het land, te kopen en te verkopen, en zij leden grote hongersnood, en velen van hen stierven van honger.

1 Makkabeeën 14:19
En deze brieven werden gelezen voor de ganse gemeente te Jeruzalem. En dit is het afschrift der brieven, die de Spartiaten zonden:

1 Makkabeeën 15:12
Want hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden verlieten.

2 Makkabeeën 1:19
Want toen onze vaders in Perzië werden gevoerd, zo namen de godvruchtige priesters, die toen waren, heimelijk van het vuur van het altaar, en verbergden het in de holte van een put, die een droge grond had, en hebben het daarin verzekerd, zodat die plaats allen onbekend was.

2 Makkabeeën 2:1
Daar wordt in de schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen, die weggevoerd werden, geboden heeft van het vuur te nemen, gelijk verklaard is, en gelijk de profeet degenen, die weggevoerd zouden worden, bevolen had;

2 Makkabeeën 3:1
Als de heilige stad in alle vrede bewoond werd, en als de wetten op het best werden onderhouden, om des hogepriesters Onias' godzaligheid en haat der boosheid.

2 Makkabeeën 3:3
Zodat ook Seleucus, koning van Azië uit zijn eigen inkomsten al de onkosten betaalde die gedaan werden in de dienst der offeranden.

2 Makkabeeën 4:3
En als de vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een dergenen, die Simon voor zijn vertrouwde vrienden hield, doodslagen gedaan werden;

2 Makkabeeën 5:2
En het gebeurde dat door de gehele stad, bijna veertig dagen lang in de lucht gezien werden ruiters rijdende met gouden rokken, bij troepen, met lansen gewapend, en met blote zwaarden;

2 Makkabeeën 5:13
En er geschiedde een grote moord van jongen en van ouden; en mannen, en vrouwen, en kinderen werden omgebracht, en de maagden en kleine kinderen gedood.

2 Makkabeeën 5:14
Zodat in drie dagen tachtigduizend omgebracht werden; veertigduizend werden met de hand gevangen en er werden niet minder verkocht dan er gedood waren.

2 Makkabeeën 6:7
En zij werden door een bittere noodwendigheid gedwongen, om des konings geboortedag alle maanden te houden, met het eten van de geofferde ingewanden; en als de feestdag van Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen wijnloofkransen dragende, in het Bacchusfeest om te gaan.

2 Makkabeeën 6:10
Want twee vrouwen werden voorgebracht, die haar kinderen hadden besneden, welke zij, haar kinderen aan haar borsten gehangen hebbende, door de stad openlijk omvoerden, en van de muren afstieten.

2 Makkabeeën 6:11
En enige anderen, te zamen lopende in de naaste spelonken, opdat zij daar verborgen de zevende dag zouden houden, Filippus aangebracht zijnde, werden met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten zichzelf te hulp te komen, vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige dag.

2 Makkabeeën 7:1
Het gebeurde ook dat zeven broeders, met de moeder gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden varkensvlees, hetwelk ongeoorloofd is, te proeven; en werden met geselen en pezen geslagen.

2 Makkabeeën 9:7
Doch hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.

2 Makkabeeën 10:30
Dezen nemende Makkabeüs midden tussen hen, beschermden hem met hun wapenen, en bewaarden hem dat hij niet gewond werd, en wierpen op de vijanden pijlen en bliksemen, waardoor ze door blindheid in verwarring gebracht zijnde, geslagen en met verbaasdheid vervuld werden.

2 Makkabeeën 10:31
En er werden verslagen twintigduizendenvijfhonderd man te voet en zeshonderd ruiters.

2 Makkabeeën 11:9
En allen prezen de barmhartige God eendrachtig, en werden in hun zielen zeer gesterkt, bereid zijnde niet alleen de mensen, maar ook de allerwildste dieren, en ijzeren muren te doorsteken.

2 Makkabeeën 12:22
Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning desgenen, die alle dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken werden.

2 Makkabeeën 14:20
En als hierover vele raadplegingen gehouden werden, en de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen eenparig waren, zo stonden zij de verbonden toe.

3 Makkabeeën 1:6
En zo is het geschied, dat de vijanden in het gevecht hand aan hand vernield, en dat ook velen gevangen genomen werden.

3 Makkabeeën 2:17
Daarom werden beide zijn vrienden en lijfwachten, als zij de snelle straf zagen, die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen, trokken zij hem terstond uit de tempel.

3 Makkabeeën 2:21
Dat men ook, die opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men ook zou afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren bestemd.

3 Makkabeeën 3:3
Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw, doch omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo hebben zij enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken der gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen.

3 Makkabeeën 4:3
Wat landschap of stad, of om in het gemeen te spreken welke bewoonde plaats, of welke straten werden niet om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld?

3 Makkabeeën 4:4
Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.

3 Makkabeeën 4:6
Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.

3 Makkabeeën 4:8
En zij werden gedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden; sommigen werden met de halzen aan de boorden der schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien aan de benen verzekerd; en daarenboven werd een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun ogen alleszins zouden verblind worden, en zij in de ganse scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden uitstaan.

3 Makkabeeën 5:22
Zo verdroeg Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; en de een voor, de ander na van de vrienden werden droevig van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, die daar vergaderd waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid.

3 Makkabeeën 6:17
Toen heeft de zeer heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig aanschijn vertoond, en de poorten van de hemel geopend; uit welke twee heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen gezien werden, nevens de Joden.

3 Makkabeeën 6:26
En dit sprak de koning; en zij werden van stonden aan ontbonden, en loofden de heilige God, hun behouder, als zij de dood ontkomen waren.

3 Makkabeeën 7:18
En zij werden door niemand enigszins van hun goederen verstoten, maar zij allen kregen allen het hunne uit de aantekening weder, zodat die iets van het hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees wedergaven, overmits de opperste God grote daden tot hun behoud gedaan had.