woord OT NT apo Bijbel
wies1013427

Vindplaatsen van wies in het Oude Testament. Het woord komt er 10 keer voor, in 10 verzen.

Genesis 43:31
Daarna wies hij zijn aangezicht en kwam uit; en hij bedwong zichzelven, en zeide: Zet brood op.

Exodus 1:12
Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israëls.

Leviticus 8:6
En Mozes deed Aäron en zijn zonen naderen, en wies hen met dat water.

Leviticus 8:21
Doch het ingewand en de schenkelen wies hij met water; en Mozes stak dien gehelen ram aan op het altaar; het was een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer was het den HEERE, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Leviticus 9:14
En hij wies het ingewand en de schenkelen; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar.

2 Samuël 12:20
Toen stond David op van de aarde, en wies en zalfde zich, en veranderde zijn kleding, en ging in het huis des HEEREN, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eiste brood; en zij zetten hem brood voor, en hij at.

Job 29:6
Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;

Ezechiël 16:9
Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.

Ezechiël 40:38
Haar kameren nu en haar deuren waren bij de posten der poorten; aldaar wies men het brandoffer.

Daniël 4:33
Ter zelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, want hij werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen, en zijn nagelen als der vogelen.