woord OT NT apo Bijbel
wijders340034

Vindplaatsen van wijders in het Oude Testament. Het woord komt er 34 keer voor, in 34 verzen.

Leviticus 5:14
Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Leviticus 6:19
Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Leviticus 21:16
Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Leviticus 22:26
Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Numeri 5:11
Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Numeri 19:1
Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:

Numeri 32:15
Wanneer gij van achter Hem u zult afkeren, zo zal Hij wijders voortvaren het te laten in de woestijn; en gij zult al dit volk verderven.

Richteren 9:37
Maar Gaal voer wijders voort te spreken en zeide: Zie daar volk, afkomende uit het midden des lands, en een hoop komt van den weg van den eik Meonenim.

Richteren 11:14
Maar Jeftha voer wijders voort, en zond boden tot den koning der kinderen Ammons.

Richteren 21:17
Wijders zeiden zij: De erfenis dergenen, die ontkomen zijn, is van Benjamin, en er moet geen stam uitgedelgd worden uit Israël.

2 Samuël 2:22
Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?

2 Samuël 2:28
Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en zij jaagden Israël niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden.

2 Samuël 3:12
Toen zond Abner boden voor zich tot David, zeggende: Wiens is het land? zeggende wijders: Maak uw verbond met mij, en zie, mijn hand zal met u zijn, om gans Israël tot u om te keren.

2 Samuël 14:17
Wijders zeide uw dienstmaagd: Het woord mijns heren, des konings, zij toch tot rust; want gelijk een Engel Gods, alzo is mijn heer de koning, om te horen het goede en het kwade; en de HEERE, uw God, zal met u zijn.

2 Samuël 17:8
Wijders zeide Husai: Gij kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman, en zal niet vernachten met het volk.

Ezra 5:10
Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen der mannen, die hoofden onder hen zijn.

Psalmen 78:17
Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.

Jeremia 1:11
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Ik zie een amandelroede.

Jeremia 8:4
Zeg wijders tot hen: Zo zegt de HEERE: Zal men vallen, en niet weder opstaan? Zal men afkeren, en niet wederkeren?

Jeremia 14:11
Wijders zeide de HEERE tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede.

Jeremia 31:39
En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.

Ezechiël 22:17
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 24:1
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op den tienden der maand, zeggende:

Ezechiël 24:15
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 27:1
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 28:11
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 28:20
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 30:1
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 35:1
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 36:16
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 37:15
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 38:1
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

Ezechiël 46:13
Wijders zult gij een volkomen eenjarig lam dagelijks bereiden ten brandoffer den HEERE; alle morgens zult gij dat bereiden.

Amos 7:4
Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet, de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk lands.