woord OT NT apo Bijbel
wil166220102488

Vindplaatsen van wil in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 102 keer voor, in 98 verzen.

3 Ezra 2:23
En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welker oorzaken wil die stad ook verwoest is.

3 Ezra 4:26
En velen zijn van hun zinnen beroofd om der vrouwen wil, en zijn om harentwil tot slaven geworden.

3 Ezra 4:27
En velen zijn omgekomen, en zijn verworgd geworden, en hebben gezondigd om der vrouwen wil.

3 Ezra 8:17
En alles wat gij en uw broederen zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt dat naar de wil uws Gods.

3 Ezra 8:78
En om onzer zonde wil, en om de zonden onzer vaderen, zijn wij met onze broederen en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven met schande, aan de koningen der aarde, tot zwaard, en gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.

3 Ezra 8:91
Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden: want wij kunnen om dezer wil niet langer voor u bestaan.

3 Ezra 9:9
En doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land, en van de uitlandse vrouwen.

4 Ezra 2:11
En ik wil hun heerlijkheid tot mij nemen, en zal hun de eeuwige tabernakelen geven, die ik genen bereid had.

4 Ezra 3:8
En een ieder volk wandelde naar zijn wil, en deed wonderlijke dingen voor u, verachtte uw geboden.

4 Ezra 3:14
Die hebt gij liefgehad, en hebt hem alleen uw wil aangewezen.

4 Ezra 4:28
Doch waarvan gij mij vraagt wil ik u zeggen: Het boze is gezaaid, maar zijn verstoring is nog niet gekomen.

4 Ezra 4:39
Dat nu misschien om onzentwil de oogst der rechtvaardigen niet nalate vervuld te worden, om der zonden wil dergenen die op aarde wonen.

4 Ezra 5:32
En hij zeide tot mij: Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en luister naar mij, en ik wil u verder zeggen.

4 Ezra 5:42
En hij zeide tot mij: Ik wil mijn oordeel met een cirkel vergelijken; gelijk de laatste geen vertraging is, alzo is de eerste geen verhaasting.

4 Ezra 7:65
En dat hij weldadig is; want hij wil geven naar dat nodig is.

4 Ezra 8:28
En gedenk niet aan degenen, die vals voor u hebben gewandeld, maar aan degenen die naar uw wil uw vreze bekend hebben.

4 Ezra 8:29
En wil niet verderven degenen, die als vee geleefd hebben; maar zie die aan, die uw wet heerlijk geleerd hebben.

4 Ezra 8:55
Daarom wil niet verder vragen van de veelheid dergenen, die verloren gaan.

4 Ezra 9:20
En ik heb de wereld aangemerkt, en ziet, daar was gevaar om der gedachten wil, die daarin waren voortgekomen.

4 Ezra 13:53
Dit is de verklaring van de droom, die gij gezien hebt, en om welks wil gij alleen hier verlicht zijt.

4 Ezra 16:49
Hoe ik tegen hen meer zal ijveren om hunner zonden wil, spreekt de Here.

4 Ezra 16:52
Daarom wil hun niet gelijk worden, noch hun werken.

Tobias (Tobit) 2:9
En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig geweest, en ziet, wederom begraaft hij de dode.

Tobias (Tobit) 4:6
Gedenk, kind, alle tijd de Here onze God, en wil niet zondigen noch zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al de dagen uws levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid. Want als gij oprechtelijk zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid doen.

Tobias (Tobit) 4:20
Loof de Here te allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang mogen hebben. Want geen volk heeft raad bij zich; maar de Here zelf geeft al het goed, en zo wie hij wil vernedert hij, gelijk het hem belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden, en laat die uit uw hart niet uitgewist worden.

Tobias (Tobit) 5:17
En wil over mij niet gram worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten.

Tobias (Tobit) 7:11
Doch ik wil u de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt, zijt vrolijk.

Tobias (Tobit) 11:9
En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.

Tobias (Tobit) 12:18
Dewijl ik niet gekomen ben door mijn eigen genade, maar door de wil van onze God; daarom looft hem in der eeuwigheid.

Judith 8:14
Niet alzo, broeders, verwekt de Here, onze God, niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen ons niet helpen wil, hij heeft de macht om ons te beschutten in welke dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen voor het aanschijn onzer vijanden.

Judith 12:18
En Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen mijner geboorte.

Judith 13:25
Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart der mensen, die de kracht Gods zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, opdat gij uw leven niet gespaard hebt, om der vernedering wil van ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, dewijl gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.

Boek der Wijsheid 9:13
Want wie van de mensen kan de raad Gods kennen? Of wie kan bedenken wat God wil?

Boek der Wijsheid 16:25
Daarom ook toen in alles veranderd zijnde, diende zij uw alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.

Jezus Sirach 6:35
Houd u onder de menigte der ouden, en is er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan.

Jezus Sirach 7:13
Wil niet liegen enigerlei leugen, want gedurig plegen der zelve komt niet ten goede.

Jezus Sirach 7:18
Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broeder om goud uit Ofir.

Jezus Sirach 8:18
Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door zijn dwaas heid mee vergaan.

Jezus Sirach 12:17
Indien u iets kwaads zou ontmoeten, gij zult hem aldaar eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.

Jezus Sirach 16:18
Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden; de ganse wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.

Jezus Sirach 18:2
De Here is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle dingen zijn zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.

Jezus Sirach 23:5
Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks, en de bij slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.

Jezus Sirach 29:13
Verlies uw geld om uws vriends en broeders wil, en verberg dat niet onder een steen tot verderfenis.

Jezus Sirach 31:1
HET waken om des rijkdoms wil doet het vlees verdwijnen, en daarover bekommerd zijn, vermindert de slaap.

Jezus Sirach 31:6
Velen zijn gebonden geworden om des gouds wil, en hun verderf is geweest voor hun ogen.

Jezus Sirach 32:18
Een goddeloos mens ontwijkt de bestraffing, en naar zijn wil vindt hij uit hetgeen hem behaagt.

Jezus Sirach 37:5
Een metgezel arbeidt met zijn vriend om des buiks wil, en neemt een schild tegen de vijand.

Jezus Sirach 38:18
En, maak de rouw naar zijn waardigheid, een dag of twee, om der lastering wil, en troost u vanwege de droefenis.

Jezus Sirach 39:8
Indien die grote Here wil, zo zal hij met de geest des verstands vervuld worden.

Jezus Sirach 39:22
Al zijn welbehagen is in zijn gebod, en daar is niemand die verminderen zal hetgeen hij behouden wil.

Jezus Sirach 43:18
Door zijn wil blaast de zuidenwind, en de buiige noorden wind, en de wervelwind.

Jezus Sirach 44:24
En alzo heeft hij ook in Izaäk gesteld, om Abraham, zijns vaders wil, de zegen aller mensen, en het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob.

Baruch 1:17
Om der zonden wil, die wij voor de Here begaan hebben;

Baruch 3:28
Zij zijn vergaan, omdat zij de wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan om hunner onberadenheid wil.

Baruch 4:22
Want ik heb nu van de eeuwige uw verlossing gehoopt, en mij is vreugde toegekomen van de heilige; om der barmhartig heid wil, die ulieden haastig zal komen van onze eeuwige ver losser.

Baruch 6:1
OM der zonden wil waarmee gij gezondigd hebt tegen God, zult gij van Nabuchodonosor, de koning der Babyloniërs, naar Babel gevankelijk weggevoerd worden.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:28
Gij hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat gij over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad onzer vaderen, want gij hebt in waarheid en gericht deze dingen over ons gebracht, om onzer zonden wil.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:34
Doch geef ons niet over ten einde toe om uws naams wil, en verstoot uw verbond niet.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:35
En neem uw barmhartigheid niet van ons, om Abrahams wil, die door u geliefd is, en om Izaäk uws knechts wil, en om Israël uws heiligen wil;

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:37
Want, Here, wij zijn minder geworden dan al de heidenen, en wij zijn heden vernederd op de ganse aarde, om onzer zonden wil.

Susanna (Dan. 13) 1:20
Zie de deuren van de hof zijn gesloten, en niemand ziet ons, en wij zijn met lust tegen u ontstoken, daarom doe onze wil en zijt bij ons.

Gebed van Manasse 1:10
Ik ben gekromd in zware ijzeren banden, en ik kan mijn hoofd niet opheffen, en heb geen rust, omdat ik uw toorn verwekt, en kwaad voor uw ogen gedaan heb; dewijl ik uw wil niet heb gedaan, en uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelen opgericht, en vele ergernissen begaan.

1 Makkabeeën 2:21
De Here wil ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de wet en de rechten.

1 Makkabeeën 3:60
Doch gelijk de wil van God in de hemel zal zijn, zo doe hij met ons.

1 Makkabeeën 4:10
En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.

1 Makkabeeën 6:13
Ik beken dat om dezer dingen wil mij deze ellenden getroffen hebben; en ziet, ik verga van grote droefheid in een vreemd land.

1 Makkabeeën 6:59
En laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar hun wetten, gelijk tevoren. Want om hunner wetten wil, die wij verbroken hebben, zijn zij toornig geworden, en hebben al deze dingen gedaan.

1 Makkabeeën 9:10
En Judas zeide: Dat zij verre van mij, dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vlieden; zo onze tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven om onzer broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer.

1 Makkabeeën 12:45
Nu dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil ben ik hier.

1 Makkabeeën 13:4
Daarom zijn al mijn broeders omgekomen, om Israëls wil, en ik alleen ben overgebleven.

1 Makkabeeën 13:46
En zeiden: Wil met ons niet handelen naar onze boosheid, maar naar uw barmhartigheid.

1 Makkabeeën 15:4
En ik wil in het land komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele steden in het koninkrijk verwoest hebben, moge bekomen

2 Makkabeeën 1:3
En geve u allen een hart om hem te dienen, en om zijn wil te doen met een goed hart, en gewillige ziel.

2 Makkabeeën 2:30
Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil bouwen, bekommerd moet zijn over het ganse gebouw, en een, die met inbranden voorneemt iets te schilderen, naarstig moet onderzoeken wat tot sieraad nodig is, zo acht ik dat wij ook moeten doen.

2 Makkabeeën 4:16
Om dezer oorzaak wil is over hen een zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen, wier leidingen zij naijverden, en wie zij in alles zich gelijk wilden maken.

2 Makkabeeën 5:9
En hij, die velen uit hun vaderland in ballingschap verdreven had, is in ballingschap omgekomen, tot de Lacedemoniërs getrokken zijnde, alsof hij bij hen om der maagschap wil in bescherming zou worden genomen.

2 Makkabeeën 5:17
Zo werd Antiochus in zijn gemoed zeer hovaardig, niet aanmerkende, dat om der zonden wil dergenen, die in de stad woonden, de Here een kleine tijd vertoornd was geweest, en dat hij daarom de plaats niet aanzag.

2 Makkabeeën 6:30
En als hij nu door de slagen sterven zou, zeide hij al zuchtende: Aan de Here, die een heilige wetenschap heeft, is bekend dat ik, kunnende van de dood bevrijd worden, zware pijnen in mijn lichaam verdrage, gegeseld zijnde, en dat ik naar de ziel dit gewillig lijde, om zijner vreze wil.

2 Makkabeeën 7:18
Na deze brachten zij de zesde voor, en als hij sterven zou, zeide hij: Dwaal niet tevergeefs, want wij lijden deze dingen om ons zelfs wil, omdat wij tegen onze God gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen geschied die verwondering waardig zijn.

2 Makkabeeën 7:23
Daarom de Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid, gelijk gij uzelf niet acht om zijner wetten wil.

2 Makkabeeën 7:29
Vrees deze beul niet, maar wil u zo gedragen dat gij uwer broederen waardig zijt, en ontvang de dood, opdat ik in barmhartigheid u weder mag verkrijgen met uw broeders.

2 Makkabeeën 7:32
Want wij lijden om onzer zonden wil.

2 Makkabeeën 7:33
Indien onze Here, die daar leeft, om der tuchtiging en kastijding wil, een korte tijd toornig is, bij zal nochtans weer met zijn dienstknechten verzoend worden.

2 Makkabeeën 7:34
Maar gij goddeloze en onreinste van alle mensen, wil u niet tevergeefs verhovaardigen, trots zijnde op onzekere hoop, om uw hand op te heffen, tegen de hemelse kinderen.

2 Makkabeeën 7:37
En ik, gelijk als mijn broeders, geef mijn lichaam en ziel over voor de wetten der vaderen, aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig zijn, en dat gij door pijnigingen en geselen moogt bekennen dat bij alleen God is;

2 Makkabeeën 8:16
En Judas Makkabeüs, vergaderd hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal, vermaande hen dat zij om der vijanden wil niet zouden verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte der heidenen, die onrechtvaardig tegen hen kwamen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden, zichzelf voor ogen stellende de smaadheid, die zij onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats;

2 Makkabeeën 12:16
En de stad door Gods wil ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee stadiën, van bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn.

2 Makkabeeën 12:42
En tot het gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien hetgeen geschied was, om der zonden wil dergenen, die gevallen waren.

2 Makkabeeën 14:9
Daarom gij, o koning, dit alles verstaan hebbende, wil zorgdragen zowel voor het land als voor ons geslacht dat rondom bezet is, naar uw bekende goedertierenheid, die gij allen bewijst.

2 Makkabeeën 15:2
En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen geenszins zo wreed en barbaars ombrengen, maar wil die dag, die eertijds met heiligheid geëerd is door hem, die alle dingen aanziet, in ere houden,

2 Makkabeeën 15:23
En nu, gij prins der hemelen, wil uw goede engel voor ons heenzenden, tot vrees en beving.

2 Makkabeeën 15:39
En indien ik dit wel, en gelijk het in een historie behoort, bijeen gesteld heb, dat is mijn wil geweest; maar indien ik het slecht en onvolledig heb gedaan, dat is hetgeen dat ik heb kunnen doen.

3 Makkabeeën 2:19
Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers en metgezellen, die tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid afgezonderd waren, zo heeft hij niet alleen zichzelf met ontelbare ontuchtigheden verzadigd, maar hij is ook tot zo grote vermetelheid voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen van de vrienden, lettende op des konings voorstel, ook zelf zijn wil volgden.

3 Makkabeeën 3:10
Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die gijlieden ook zelf weet, die door der goden onverhinderlijke bijstand naar onze wil ten einde gebracht is, zo hebben wij gedacht, niet met geweld van wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren te behandelen, en hen gaarne goed te doen.

3 Makkabeeën 5:6
Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.

3 Makkabeeën 5:20
Maar hij werd om dezer woorden wil vervuld met grote grimmigheid, overmits al zijn gedachten aangaande deze dingen, door Gods voorzienigheid verstrooid waren, en op hem de ogen houdende, sprak hij met veel dreigen.

3 Makkabeeën 6:30
Desgelijks hield ook de koning om dezer zaken wil een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, die hem geschied was.

3 Makkabeeën 7:9
En zij wendden voor, dat, die om des buiks wil de Goddelijke geboden overtreden hadden, nimmer welgezind zouden zijn tot de geboden des konings.