woord OT NT apo Bijbel
wonen2182848294

Vindplaatsen van wonen in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 48 keer voor, in 46 verzen.

3 Ezra 2:6
Zovelen dan, als er omtrent die plaatsen wonen, en in die plaats zijn,

4 Ezra 3:28
Handelen nu, die in Babylon wonen beter? en zal zij daarom over Sion heersen?

4 Ezra 3:34
Nu dan, weeg onze ongerechtigheden in een schaal, en dergenen daartegen die in de wereld wonen, zo zal uw naam niet gevonden worden dan in Israël.

4 Ezra 3:35
Of wanneer hebben die op aarde wonen voor u niet gezondigd? of wat volk heeft uw geboden zo gehouden?

4 Ezra 4:21
Want gelijk de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar baren, alzo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan hetgeen op de aarde is, en die in de hemel wonen hetgeen op de hoogte des hemels is.

4 Ezra 4:39
Dat nu misschien om onzentwil de oogst der rechtvaardigen niet nalate vervuld te worden, om der zonden wil dergenen die op aarde wonen.

4 Ezra 5:1
VAN de tekenen nu. Ziet de dagen zullen komen, dat die op aarde wonen, zullen gegrepen worden, in grote rijkdom, en de weg der waarheid zal verborgen zijn, en het land zal zonder trouw zijn.

4 Ezra 5:6
En hij zal heersen, die niet verwachten die op de aarde wonen, en het gevogelte zal wegtrekken.

4 Ezra 6:51
En gij hebt aan Behemoth het ene deel gegeven, dat op de derde dag was gedroogd, opdat hij daarin zou wonen, waar duizend bergen zijn.

4 Ezra 7:32
En de aarde zal wedergeven die in haar slapen, en het stof degenen die daarin met stilte wonen, en de binnenkameren zullen de zielen wedergeven, die hun toevertrouwd zijn.

4 Ezra 8:17
Daarom zal ik voor uw aanschijn beginnen te bidden voor mij en voor hen; want ik zie de overtredingen van ons die op aarde wonen;

4 Ezra 9:9
Dan zullen niet ontfermd worden, die mijn wegen misbruikt hebben, en die zullen in pijn wonen, die ze verworpen en veracht hebben.

4 Ezra 10:59
En de Allerhoogste zal u die gezichten der hoogste dingen tonen, welke de Allerhoogste die doen zal, die op aarde in de laatste dagen wonen.

4 Ezra 11:5
En ik zag, en zie de arend vloog met zijn vleugelen en heerste op aarde, en over allen die daarop wonen.

4 Ezra 11:34
Doch de twee hoofden waren nog over, welke op gelijke wijze ook heersten over de aarde, en over degenen, die daarin wonen.

4 Ezra 12:24
En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden des arends genoemd.

4 Ezra 14:20
Daarom ligt de wereld in duisternis, en die daarin wonen zijn zonder licht.

4 Ezra 15:14
Wee de wereld, en hen, die daarin wonen.

4 Ezra 15:40
En daar zullen grote en sterke wolken, die vol onstuimigheid zijn met het gesternte zich verheffen, opdat zij de gehele aarde verschrikken met degenen, die daarop wonen, en zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwzaam gesternte uitgieten;

4 Ezra 16:23
Want velen die op aarde wonen, zullen door hongersnood vergaan, en het zwaard zal de anderen verderven, die van de hongersnood zullen overgebleven zijn.

Judith 3:5
Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed is in uw ogen.

Judith 5:4
En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen, buiten al degenen die in het westen wonen.

Judith 5:8
En zijn afgetreden van de weg hunner vaderen, en hebben de God des hemels aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het land van hun vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee.

Judith 7:9
Want dit volk van de kinderen Israëls verlaat zich niet op hun spiesen, maar op de hoogte van hun bergen, waarin zij wonen, want het is niet licht de spitsen van hun bergen te beklimmen.

Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.

Judith 11:12
En zij hebben enigen naar Jeruzalem gezonden (omdat ook die daar wonen hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden overbrengen de toelating van de raad; en het zal geschieden, als hun dit zal geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan, dat zij u zullen overgegeven worden, om vernield te worden op die dag.

Judith 11:21
En nu, gij zijt schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, indien gij dan zult doen gelijk gij gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en gij zult in het huis des konings Nabuchodonosor wonen, en gij zult vermaard zijn door het gehele land.

Judith 14:5
En gijlieden zult hen achtervolgen, mitsgaders allen die in de gehele landpale Israëls wonen, en zult hen nedervellen in hun wegen.

Boek der Wijsheid 1:4
Want wijsheid zal niet komen in een ziel, die met kwade ranken omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan zonden verplicht.

Jezus Sirach 4:16
Die haar gehoorzaam is, zal de volken richten; en die op haar acht neemt, zal zeker wonen.

Jezus Sirach 11:35
Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen ontvreemden.

Jezus Sirach 21:31
Een oorblazer besmet zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden.

Jezus Sirach 25:20
Ik heb liever te wonen bij een leeuw en draak, dan te wonen bij een boze vrouw.

Jezus Sirach 28:18
Wie naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch met stilheid wonen.

Jezus Sirach 29:28
Het is een ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, want waar gij bij wonen zult, daar zult gij de mond niet durven opendoen.

Jezus Sirach 36:19
Verhoor, Here, de smekingen uwer knechten, naar de zegen van Aäron over uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen dat gij een Here der eeuwen zijt.

Jezus Sirach 38:38
Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij niet overgaan.

Jezus Sirach 50:26
Die hun zitplaats hebben op de berg van Samaria, en lieden die in der Filistijnen land wonen, en het dwaze volk dat te Sichem woont.

1 Makkabeeën 3:36
En dat hij vreemde kinderen zou doen wonen in al hun landpalen, en dat hij hun land door het lot zou uitgeven.

1 Makkabeeën 9:58
En al de verbrekers der wet hielden raad, en zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen tezamen in één nacht grijpen.

1 Makkabeeën 9:73
En zo rustte het zwaard in Israël; en Jonathan ging wonen in Michmas; en Jonathan begon het volk te richten, en maakte dat de goddelozen in Israël niet verschenen.

1 Makkabeeën 13:48
En hij wierp uit haar alle onreinheid, en stelde daarin om te wonen mannen, die de wet onderhielden, en hij versterkte haar, en bouwde zichzelf daarin een woonplaats.

1 Makkabeeën 13:53
En hij versterkte de berg des tempels, die bij de burcht was, en hij ging daar wonen met al de zijnen.

1 Makkabeeën 14:34
En hij versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in de landpalen van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij daarin.

1 Makkabeeën 14:37
En in deze burcht stelde Simon Joodse mannen om te wonen, en versterkte deze tot verzekering van het land en van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem op.

3 Makkabeeën 3:10
Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die gijlieden ook zelf weet, die door der goden onverhinderlijke bijstand naar onze wil ten einde gebracht is, zo hebben wij gedacht, niet met geweld van wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren te behandelen, en hen gaarne goed te doen.