woord OT NT apo Bijbel
woning8051398

Vindplaatsen van woning in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 13 keer voor, in 13 verzen.

3 Ezra 1:21
En geen koning Israëls heeft zodanig Pascha gehouden, als Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël, hetwelk bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.

3 Ezra 1:50
En de God hunner vaderen zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat hij hen zou verschonen, en zijn woning.

3 Ezra 5:47
En toen nu de zevende maand kwam, en de kinderen Israëls elk in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig vergaderd in de voorhof der eerste poort, die tegen het oosten was.

4 Ezra 5:38
En ik sprak: O heersende Here, wie is er die deze dingen kan zien, dan die bij de mensen zijn woning niet heeft.

4 Ezra 10:47
En dat zij u gezegd heeft, dat zij met hem arbeid heeft opgebracht, dit was de woning binnen Jeruzalem.

Tobias (Tobit) 1:5
Opdat al de stammen daar zouden offeren, en de tempel der woning van de Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten der wereld. En al de stammen, die tezamen afgeweken waren, en het huis Naftali, mijns vaders, offerden het kalf Baäl.

Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.

Judith 15:9
En Joachim, de hogepriester, en de raad van de kinderen Israëls, die te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede dat God Israël gedaan had, en om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.

Boek der Wijsheid 9:8
Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar de gelijkheid van de heiilge tabernakel, welke gij tevoren van den beginne bereid hadt.

Baruch 3:24
O Israël hoe groot is het huis Gods! en hoe hoog de plaats zijner woning!

2 Makkabeeën 2:5
En dat Jeremia daar komende, een woning in de spelonk gevonden heeft, en dat hij de tabernakel, en de ark, en het reukaltaar daar ingebracht en de deur toegesloten heeft.

2 Makkabeeën 14:35
Gij, o Here van allen, die geen ding van node hebt, gij hebt gewild dat de tempel uwer woning bij ons zou zijn.

3 Makkabeeën 2:13
Want tot uw woning voorwaar, namelijk de hemel der hemelen, kunnen de mensen niet komen, doch dewijl het uw welbehagen is geweest, dat uw heerlijkheid onder het volk Israël zij, zo hebt gij deze plaats geheiligd.