woord OT NT apo Bijbel
wordt304268200772

Vindplaatsen van wordt in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 200 keer voor, in 176 verzen.

3 Ezra 1:33
Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda.

3 Ezra 2:19
Indien dan deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen schatting willen geven, maar zullen ook de koningen wederstaan.

3 Ezra 2:24
Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat indien deze stad weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië.

3 Ezra 3:6
Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals;

3 Ezra 4:46
En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.

3 Ezra 6:10
En dat deze werken met vlijt geschieden, en dat het werk gelukkig voortgaat onder hun handen, en hetzelve in grote heerlijkheid, en zorgvuldigheid wordt volbracht.

3 Ezra 6:22
En indien bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt, zo antwoordde bij ons daarvan.

3 Ezra 6:30
Desgelijks ook koorn, en zout, en wijn, en olie, gedurig alle jaren; gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging.

3 Ezra 6:33
Daarom ook, de Here, wiens naam daar aangeroepen wordt, doe teniet een ieder koning en volk, welke zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.

3 Ezra 8:24
En ulieden wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige zangers, noch deurwachters, noch dienaren des tempels, noch schriftgeleerden enige schatting of andere lasten geschieden.

3 Ezra 8:86
En gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij machtig wordt en eet het goede des lands, en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid.

4 Ezra 2:37
Neemt de gave aan, die u aangeprezen wordt, en verheugt u, dankzeggende degene die u tot het hemels koninkrijk heeft geroepen.

4 Ezra 4:29
Zo nu hetgeen gezaaid is, omgekeerd wordt, en de plaats niet wegwijkt, waar het kwade gezaaid is, zo zal het goede niet komen waar het gezaaid is.

4 Ezra 4:43
Van het begin dan wordt u getoond, hetgeen gij begerig zijt te zien.

4 Ezra 5:3
En het zal geschieden, wanneer een voet daarop gezet wordt, dat men het land, hetwelk gij nu ziet heersen, woest zal zien.

4 Ezra 6:15
Daarom als hij spreekt, zo verschrikt niet, want het woord zal zijn van het einde, en het fundament der aarde wordt daarbij ook verstaan;

4 Ezra 6:16
Daar men dan van die dingen spreekt, zo beeft zij en wordt bewogen, want zij weet dat haar einde moet veranderd worden.

4 Ezra 7:20
Want velen gaan tegenwoordig verloren, omdat de wet Gods, die voorgesteld is, verzuimd wordt.

4 Ezra 7:52
En dat de eer des Allerhoogsten bewaard wordt, om hen te beschermen, die lijdzaam geleefd hebben, en wij toch in de kwaadste wegen gewandeld hebben?

4 Ezra 7:53
En dat het paradijs getoond wordt, welks vrucht onverderfelijk blijft, waarin zekerheid en heilzaamheid is, en wij daar niet ingaan?

4 Ezra 7:58
Opdat hij lijde hetgeen gij gezegd hebt, indien hij overwonnen wordt, maar indien hij overwint, zo zal hij ontvangen hetgeen ik zeg.

4 Ezra 8:2
Doch, Ezra! ik zal u een gelijkenis zeggen: Het is even alsof gij het aardrijk vroegt, en het u zou zeggen, dat het zeer veel aarde geeft, waaruit een aarden vat gemaakt kan worden, maar weinig stofs waaruit het goud gemaakt wordt; zo is het ook met de stand der tegenwoordige wereld.

4 Ezra 8:8
En gelijk nu het lichaam in de baarmoeder geschapen is, en gij het zijn leden geeft, zo wordt uw schepsel als in vuur en water bewaard, en uw werk dat gij gemaakt hebt, draagt negen maanden uw schepsel, dat daarin geschapen is.

4 Ezra 8:9
Hetzelve nu dat bewaart, en dat bewaard wordt, zal beide met elkander bewaard worden, en bewaard zijnde, zo geeft de baarmoeder te harer tijd weder hetgeen in haar gewassen is.

4 Ezra 8:31
Want wij en onze vaderen zijn krank van zulke gebreken, maar gij wordt barmhartig genoemd om onzentwil, die zondaren zijn.

4 Ezra 9:29
O Here, toen gij uzelf ons vertoondet, zijt gij onze vaderen openbaar geworden in de woestijn in een onvruchtbare plaats, die van niemand wordt betreden, wanneer zij uit Egypte togen, en hebt hun ernstig gezegd:

4 Ezra 9:34
En ziet, het is een gewoonte, als de aarde het zaad ontvangen heeft, of de zee een schip, of een vat de spijs en de drank, wanneer hetgeen verbroken wordt waarin gezaaid of gedaan is,

4 Ezra 9:35
Dat hetgeen gezaaid, of daarin gedaan, of ontvangen is, meteen ook verbroken wordt, en hetgeen daarin ontvangen is blijft nu niet meer bij ons;

4 Ezra 10:20
Doe zo niet als gij zegt, maar volg de raad, die u gegeven wordt, want wat zijn er al ongevallen Sions! Troost u dan om de bedroefdheid van Jeruzalem.

4 Ezra 10:22
Ons snarenspel ligt daar neder, en de lofzang zwijgt stil, en onze vreugde is teniet, en het licht van onze kandelaar is uitgeblust, en de ark van ons verbond is genomen, en onze heilige plaatsen zijn bevlekt, en de naam die over ons aangeroepen wordt is bijna ontheiligd, en onze kinderen hebben smaadheid geleden, en onze priesters zijn verbrand, en onze Levieten zijn in gevangenis gegaan, en onze maagden zijn geschonden, en onze vrouwen hebben geweld geleden, en onze rechtvaardigen zijn weggerukt, en onze kleine kinderen zijn verloren, en onze jongelingen zijn dienstbaar geworden, en onze sterke mannen zijn zwak geworden.

4 Ezra 10:31
Wat is u, en waarom is uw verstand ontroerd, en het gevoelen uws harten, en waarom wordt gij ontroerd?

4 Ezra 13:38
Die met de vlam worden vergeleken; en hij zal hen verderven zonder arbeid, door de wet, die met vuur wordt vergeleken.

4 Ezra 13:45
Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth genoemd.

4 Ezra 15:10
Ziet mijn volk wordt als een kudde schapen ter slachting geleid, ik zal nu niet meer dulden dat het in Egypte wone.

4 Ezra 16:14
Ziet het ongeval wordt gezonden, en het zal niet wederkeren, totdat het op de aarde komt.

4 Ezra 16:15
Het vuur wordt aangestoken, en het zal niet geblust worden totdat het de fundamenten der aarde zal verteerd hebben.

4 Ezra 16:69
Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden te zijn tot een spijs.

4 Ezra 16:74
Dan zal de beproeving mijner uitverkorenen openbaar worden, gelijk goud dat door vuur beproefd wordt.

4 Ezra 16:78
Wee degenen, die van hun zonden omvangen, en van hun misdaden bedekt zijn; zij zijn gelijk een veld, dat omvangen wordt van een bos, en welks paden met doornen zijn bedekt, daar geen mens doorgaat, en afgesloten wordt, en gelaten om door het vuur verbrand te worden.

Tobias (Tobit) 3:9
En zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen verstikt?

Tobias (Tobit) 3:10
Gij hebt nu zeven mannen gehad, en naar niet een hunner wordt gij genoemd.

Tobias (Tobit) 6:9
En hij zeide tot hem: Wat het hart en de lever betreft, indien iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest, moet gij roken die voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.

Judith 2:8
En heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een zeer grote menigte; mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal.

Judith 6:6
En mijn knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een der steden van hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat gij met hen verdelgd wordt. Indien gij nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner woorden zal ontvallen.

Judith 11:6
Want wij hebben van uw wijsheid gehoord, en van de vernuftige daden uws harten, en het wordt verkondigd in het gehele aardrijk, dat gij alleen kloek zijt in geheel het koninkrijk, en machtig in wetenschap, en wonderlijk in de krijgsordeningen.

Judith 11:8
Want over ons geslacht wordt geen wraak genomen, en het zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd hebben.

Boek der Wijsheid 1:2
Want hij wordt gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt die, die hem niet wantrouwen.

Boek der Wijsheid 2:1
WANT deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.

Boek der Wijsheid 2:3
Welke uitgeblust zijnde, zo wordt het lichaam tot as en onze geest wordt verspreid gelijk de wijde lucht.

Boek der Wijsheid 2:4
En onze naam wordt mettertijd vergeten, en niemand zal aan onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, gelijk de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid gelijk een nevel, die van de stralen der zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt.

Boek der Wijsheid 2:11
Maar onze sterkte zij een wet der gerechtigheid, want hetgeen zwak is wordt onnut bevonden.

Boek der Wijsheid 3:2
Zij schijnen in de ogen der dwazen te sterven, en hun uitgang wordt voor kwelling gerekend.

Boek der Wijsheid 4:1
BETER is het zonder kinderen te zijn, en deugd te hebben, want onsterfelijkheid is in de gedachtenis derzelve, dewijl zij beide bij God en bij de mensen gekend wordt.

Boek der Wijsheid 4:8
Want ouderdom is eerbaar, niet die van veel tijds is, noch die met een getal van jaren gemeten wordt.

Boek der Wijsheid 5:10
Gelijk een schip varende door de baren des waters, waarvan, als het voorbij gevaren is geen spoor gevonden wordt, noch de rechte weg zijner reis door de baren.

Boek der Wijsheid 5:11
Of gelijk geen kenteken wordt gevonden van de reis des vogels, die door de lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen worden, gaat de slag der wieken door de lichte geslagen wind, die door de kracht des suizens gespleten wordt, en daarna vindt men geen teken in hem van de doortocht.

Boek der Wijsheid 5:15
Want de hoop van de goddeloze is gelijk een vezeltje, hetwelk van de wind gedreven wordt, en gelijk een dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, die door de wind verwaaid wordt, of ook gelijk de gedachtenis voorbijgaat van degene, die maar één dag gast geweest is.

Boek der Wijsheid 6:12
Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden door die haar zoeken.

Boek der Wijsheid 7:10
Boven gezondheid en schone gestalte heb ik haar bemind, en heb haar verkoren om te hebben tot een licht; want de glans uit haar wordt niet uitgeblust.

Boek der Wijsheid 7:29
Want zij is schoner dan de zon, en verheven boven alle sterren, bij het licht vergeleken zijnde, wordt zij voortreffelijker bevonden.

Boek der Wijsheid 11:17
Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor iemand zondigt, hij daardoor wordt geplaagd.

Boek der Wijsheid 13:5
Want uit de grootte en schoonheid der schepselen wordt hun oorspronkelijke werkmeester beschouwd, daarbij vergeleken zijnde.

Boek der Wijsheid 13:12
Zo gebruikt hij de spaanders van zijn werk om spijze te bereiden, en wordt verzadigd.

Boek der Wijsheid 14:8
Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God genoemd wordt.

Jezus Sirach 2:2
Richt uw hart en verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u gebracht wordt.

Jezus Sirach 2:5
Want in het vuur wordt het goud beproefd, en aangename mensen in de oven der vernedering.

Jezus Sirach 3:1
MIJN kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat gij behouden wordt.

Jezus Sirach 3:22
Want de macht des Heren is groot, en wordt door de nederigen geëerd.

Jezus Sirach 3:29
Als ongeluk over de hovaardigen gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn aanslagen zullen ontworteld worden, want een plant der boosheid is in hem ingeworteld.

Jezus Sirach 6:9
Ook is er menig vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt bestrijden zal.

Jezus Sirach 6:12
Indien gij vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.

Jezus Sirach 6:26
Leg uw schouder onder haar, en draag haar, en wordt harer banden geen vijand.

Jezus Sirach 8:9
Veracht niet hetgeen door de wijzen verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.

Jezus Sirach 8:13
Ontsteek de kolen des zondaars niet, opdat gij niet verbrand wordt in het vuur zijner vlam.

Jezus Sirach 9:4
Ga niet om met een snarenspeelster, dat gij niet te eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen.

Jezus Sirach 9:5
Aanschouw een maagd niet te zeer, dat gij niet misschien geërgerd wordt in haar bestraffingen.

Jezus Sirach 9:9
Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de armen.

Jezus Sirach 10:8
Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere overgebracht, vanwege ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog verkregen zijn; wat verhovaardigt zich toch aarde en as?

Jezus Sirach 10:28
Een verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap zal niet murmureren als hij onderwezen wordt.

Jezus Sirach 10:33
Een arme wordt verheerlijkt vanwege zijn wetenschap, en een rijke wordt verheerlijkt vanwege zijn rijkdom.

Jezus Sirach 10:34
Die geëerd wordt in armoede, hoeveel te meer ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.

Jezus Sirach 11:18
Menigeen is er die rijk wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon.

Jezus Sirach 11:26
In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.

Jezus Sirach 11:29
Spreek niemand zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een man gekend.

Jezus Sirach 11:33
Van een kleine vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert op bloed.

Jezus Sirach 12:7
In voorspoed wordt de vriend niet uitgeworpen, en de vijand wordt niet verborgen in tegenspoed.

Jezus Sirach 12:12
Stel hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd hebbende, zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en gij ten laatste mijn woorden gewaar wordt, en vanwege mijn rede doorstoken wordt.

Jezus Sirach 13:1
DIE pek aanroert, wordt daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap heeft, wordt hem gelijk.

Jezus Sirach 13:4
Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem; een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd.

Jezus Sirach 13:9
Wacht u dat gij niet verleid wordt door uw gedachten,

Jezus Sirach 13:10
En niet vernederd wordt in de verheuging uws harten.

Jezus Sirach 13:12
Val niet in iemands rede, opdat gij niet zonder kennis der zaak verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, opdat gij niet vergeten wordt.

Jezus Sirach 13:24
Wanneer een rijke bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut; maar wanneer een arme valt, zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten.

Jezus Sirach 14:1
ZALIG is de man die niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt met de menigte der zonden.

Jezus Sirach 14:9
Het oog van de gierigaard wordt met geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.

Jezus Sirach 14:19
Gelijk een groenend blad op een dichte boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren.

Jezus Sirach 16:12
Want ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig Here, die haastig verzoend wordt, en toorn uitstort.

Jezus Sirach 18:15
Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met boze woorden, als gij om iets gebeden wordt.

Jezus Sirach 18:19
Leer eer gij spreekt, en gebruik medicijn eer gij ziek wordt.

Jezus Sirach 18:20
Eer gij geoordeeld wordt, bereid uzelf tot weldoen, en gij zult verzoening vinden in de ure der bezoeking.

Jezus Sirach 18:21
Verneder u door matigheid, eer gij ziek wordt, en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.

Jezus Sirach 19:2
Wijn en vrouwen doen de verstandigen afvallen, en wie de hoeren aanhangt, die wordt stout.

Jezus Sirach 19:25
Hij bukt het aangezicht, en maakt de dove; indien gij hem niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad te doen.

Jezus Sirach 19:26
En indien hij bij gebrek van sterkte verhinderd wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen indien hij gelegener tijd vindt.

Jezus Sirach 19:27
Een mens wordt aan het gezicht gekend, en een verstandige wordt aan de ontmoeting zijns aangezichts gekend.

Jezus Sirach 20:3
Menigeen is er die zwijgende wijs wordt bevonden, en menig een is er die gehaat wordt vanwege zijn veel klappen

Jezus Sirach 20:6
Die te veel woorden heeft, van die heeft men een gruwel, en die zichzelf te veel macht aanneemt, wordt gehaat.

Jezus Sirach 20:10
Menigeen is er die vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd opheft.

Jezus Sirach 20:21
Menigeen wordt gehinderd te zondigen vanwege gebrek, en wordt in zijn rust niet doorprikkeld.

Jezus Sirach 21:19
De vertelling van een dwaas is gelijk een last op de weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid gevonden.

Jezus Sirach 21:20
De mond van de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en elkeen overdenkt zijn woorden in zijn hart.

Jezus Sirach 21:25
De voet van de dwaas is haastig tot een huis in te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft, wordt daarvan beschaamd.

Jezus Sirach 22:3
Het is des vaders schande wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk een dochter wordt hem tot verkleining.

Jezus Sirach 22:15
Hoed u voor hem, opdat gij geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.

Jezus Sirach 22:19
Gelijk een houten band, vast ingebonden in een ge bouw, niet los gaat door een schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees bevangen.

Jezus Sirach 23:9
Want gelijkerwijs een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht wordt, geen gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.

Jezus Sirach 23:17
Dat gij niet te eniger tijd bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en gij zoudt willen dat gij niet geboren waart geweest, en zoudt de dag uwer geboorte vervloeken.

Jezus Sirach 23:20
Een hittige ziel is gelijk een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust tot het verslonden is.

Jezus Sirach 23:35
Het is een grote heerlijkheid God te volgen, en een lang leven, dat gij van hem aangenomen wordt.

Jezus Sirach 25:10
Een mens die verheugd wordt aan zijn kinderen, terwijl hij nog leeft, en die de val zijner vijanden ziet.

Jezus Sirach 26:1
GELUKKIG is de man, die een goede vrouw heeft; het getal zijner dagen wordt dubbel.

Jezus Sirach 26:3
Een goede vrouw is een goed erf deel, en wordt tot een deel gegeven degenen, die de Here vrezen.

Jezus Sirach 26:8
Een boze vrouw is gelijk een juk ossen dat ginds en weer bewogen wordt; wie ze neemt, is gelijk degene, die een schorpioen aangrijpt.

Jezus Sirach 26:10
De hoererij van een vrouw wordt bekend aan de verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.

Jezus Sirach 26:23
Een vrouw die loon neemt, wordt een mestvarken gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een toren des doods geacht worden, degenen die haar gebruiken.

Jezus Sirach 26:24
Een goddeloze vrouw zal de onrechtvaardige tot een deel gegeven worden, maar een godvrezende vrouw wordt gegeven hem, die de Here vreest.

Jezus Sirach 27:2
Gelijk een nagel tussen de voegen der stenen vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen verkopen en kopen worden gewreven.

Jezus Sirach 27:5
De oven proeft de vaten van de pottenbakker, maar de mens wordt beproefd in zijn samenspreking.

Jezus Sirach 28:11
Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer het brandt; hoe meer het gekijf wordt gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn gramschap is; en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft.

Jezus Sirach 30:8
Een ongetemd paard wordt wrevelig, en een ongebonden zoon wordt moedwillig.

Jezus Sirach 30:19
Wat is het brandoffer de afgod nut? want hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.

Jezus Sirach 31:4
De arme bemoeit zichzelf als zijn leeftocht vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig.

Jezus Sirach 31:7
Het is een hout des aanstoots degenen die het offeren, en alle onwijze wordt daardoor gevangen.

Jezus Sirach 31:8
Zalig is de rijke, die onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.

Jezus Sirach 31:18
Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig, opdat gij niet gehaat wordt.

Jezus Sirach 32:8
Spreek gij jongeling, als het u van node is, en zulks nauwe lijks, indien gij tweemaal gevraagd wordt.

Jezus Sirach 34:8
Zonder leugen wordt de wet volbracht, en wijsheid is eens getrouwen monds volkomenheid.

Jezus Sirach 34:20
De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offeranden der goddelozen, en wordt over de zonde door menigte der slachtoffers niet verzoend.

Jezus Sirach 35:18
Het gebed des nederigen gaat door de wolken, en hij wordt niet getroost, totdat hij nabij gekomen is, en laat niet af totdat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke de rechtvaardige zal oordelen en recht doen.

Jezus Sirach 36:11
Die behouden is geweest, wordt door een vurige toorn verslonden, en die uw volk kwellen, laat die het verderf vinden.

Jezus Sirach 36:27
Waar geen heining is, daar wordt hetgeen men bezit verscheurd, en waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten en dwalen.

Jezus Sirach 38:2
Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de koning wordt de geneesheer geëerd.

Jezus Sirach 38:20
Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking des harten.

Jezus Sirach 38:25
De wijsheid van een schriftgeleerde wordt verkregen door de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet wijs worden.

Jezus Sirach 38:26
Wat zou hij wijs worden, die de ploeg houdt, en roem draagt in de prikkel, die de ossen drijft, en opgevoed wordt in de werken derzelve, en die van jonge stieren weet te spreken?

Jezus Sirach 38:41
In het algemeen, niemand wordt wijs behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft in de wet des Allerhoogsten.

Jezus Sirach 39:4
Midden onder de groten dient hij, en onder de vorsten wordt hij gezien.

Jezus Sirach 40:7
Hij wordt ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.

Jezus Sirach 40:13
Als hij de handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige verheugd; gelijk degenen die overtreden, verdelgd worden tot het uiterste.

Jezus Sirach 40:24
Goud en zilver stellen de voet vast, maar raad wordt meer geacht dan beide.

Jezus Sirach 41:12
Want indien gij vermenigvuldigt, het is tot verderfenis, en indien gij geboren wordt, zo wordt gij tot een vloek geboren, en indien gij sterft, zo wordt gij de vloek tot een deel.

Jezus Sirach 42:21
De Here, de Almachtige heeft de gehele wereld gevestigd, dat zij onderstut wordt door zijn heerlijkheid.

Jezus Sirach 42:27
Hij wordt noch vermeerderd, noch verminderd; en behoeft geen raadgever.

Jezus Sirach 43:20
Het oog is verwonderd over de schoonheid van haar witheid, en het hart wordt ontsteld over haar regen.

Jezus Sirach 43:21
En hij giet de rijm op de aarde gelijk zout, welke bevroren zijnde wordt gelijk de punten der palen.

Jezus Sirach 44:9
Enigen zijn er onder hen, die een naam nagelaten hebben, waardoor hun grote lof verteld wordt.

Jezus Sirach 47:20
In de naam des Heren, de God der ganse aarde, die bij genaamd wordt de God van Israël, bracht gij goud tezamen gelijk tin, en gelijk lood vermenigvuldigdet gij, het zilver; maar gij hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;

Jezus Sirach 49:15
Onder de uitverkorenen was ook Nehemia, wiens gedachtenis vele malen wordt verhaald, die ons de vervallen muren heeft opgericht, en de poorten en richelen heeft gesteld, en de vloe ren van onze huizen wederopricht.

Jezus Sirach 51:19
Mijn hart is in haar verheugd geweest, gelijk over een druif die na het bloeisel rijp wordt.

Baruch 2:15
Opdat de ganse aardbodem wete, dat gij de Here onze God zijt, en dat Israël en zijn geslacht naar uw naam genoemd wordt.

Baruch 6:4
Ziet dan wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.

Baruch 6:43
En wanneer een dezer weggerukt zijnde van iemand der genen die daar voorbijgaat, beslapen wordt, zo verwijt die zulks degene die naast haar gezeten is, dat zij des niet waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband niet is verbroken.

Baruch 6:45
Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden toebereid, en daar wordt anders niets van dan de kunstenaars willen dat zij zijn.

1 Makkabeeën 2:64
En gij, mijn kinderen, wordt gesterkt, en houdt u als mannen in de wet, want gij zult in deze verheerlijkt worden.

1 Makkabeeën 7:35
En hij zwoer met gramschap, zeggende: Indien Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd in mijn handen, zo zal het geschieden, indien ik met vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden. En hij ging heen met grote gramschap.

2 Makkabeeën 1:36
En Nehemia noemde het Neftar, hetwelk overgezet wordt reiniging; en het wordt door velen nog genoemd Neftar.

2 Makkabeeën 2:1
Daar wordt in de schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen, die weggevoerd werden, geboden heeft van het vuur te nemen, gelijk verklaard is, en gelijk de profeet degenen, die weggevoerd zouden worden, bevolen had;

2 Makkabeeën 6:13
Want het is een teken van grote goeddadigheid, dat degenen, die zondigen, geen lange tijd wordt toegelaten, maar dat zij spoedig vervallen in straf.

2 Makkabeeën 7:7
En als de eerste op deze wijze gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; en het vel van het hoofd met het haar rondom afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees eten, eer dat het lichaam van lid tot lid gestraft wordt?

2 Makkabeeën 11:17
Johannes en Absalom, die door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden overgegeven hadden, hebben verzocht dat wij zouden inwilligen hetgeen daarin te kennen gegeven wordt.

2 Makkabeeën 15:21
Zo heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting der wapenen, en de wildheid der beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen, die wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van hem gegeven wordt degenen, die hij oordeelt dit waardig te zijn.

2 Makkabeeën 15:37
Maar dat zij de dertiende dag der twaalfde maand, die Adar genoemd wordt in de Syrische taal, zouden vieren, des daags voor de feestdag van Mordechai.

3 Makkabeeën 3:22
Voorts elke plaats, waar men enigszins zal bevinden dat een Jood verborgen wordt, die worde verwoest en verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen tijde voor het gehele menselijke geslacht. En zodanig was de inhoud en schrift van deze brief.

3 Makkabeeën 5:6
Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.

3 Makkabeeën 6:2
O machtige Koning, gij opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader!

3 Makkabeeën 6:7
Nu dan, o God, gij vijand van overlast, gij barmhartige, gij beschermer aller dingen, verschijn haastig degenen, die van het geslacht Israëls zijn, hetwelk door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaadheid aangedaan wordt.