De brief van de apostel Paulus aan de Hebreeën


Alleen de naam van het boek en de laatste verzen doen denken aan een brief. Verder lijkt dit geschrift meer op een preek, een retorisch betoog. Het boek wordt doorgaans gedateerd rond het jaar 80, dus na de dood van Paulus.

Het geschrift is gericht aan een joods-christelijk publiek, hetgeen niet alleen blijkt uit de titel maar ook uit de inhoud. Er worden allerlei joodse gebruiken genoemd, en er wordt uitvoerig geciteerd uit de joodse bijbel, thans het Oude Testament.

Centraal thema zijn de verschillen tussen het jodendom en het christendom. Jezus wordt gepresenteerd als een joods hogepriester, maar dan anders: zittend naast God, in de hemel. Daarbij wordt Psalm 110 aangehaald, een interessant anachronisme. De schrijver waarschuwt zijn kennelijk twijfelende publiek het christendom niet te verlaten: voor afvalligen bestaat geen weg terug (6:4-8).

In hoofdstuk 8 wordt het verbond tussen God en het volk van Mozes tot oud verklaard (8:13). Met de komst van Jezus is een nieuw verbond gevormd; men kan dus maar beter de leer van Jezus volgen dan die van de joodse hogepriesters.