De algemene brief van de apostel Jakobus


Auteur en datering van deze korte brief zijn omstreden. Eén stroming beschouwt als auteur 'Jakobus de Rechtvaardige', ook wel 'broeder des Heren' genoemd. Deze was enige tijd een leidende figuur in de christelijke gemeente te Jeruzalem. Als hij de auteur zou zijn, valt de brief te dateren op ca. 45 n.C., waarmee de brief het oudste geschrift van het Nieuwe Testament zou zijn. Maar anderen houden het op ca. 60 n.C.

Sommigen, waaronder kennelijk de Statenvertalers, denken dat Jakobus de Rechtvaardige dezelfde persoon is als de apostel Jakobus.

De andere stroming dateert de brief na 100 n.C. en stelt dat de brief vanwege het elegante Grieks niet door een jood geschreven zou kunnen zijn. De verder onbekende auteur gebruikte de naam Jakobus waarschijnlijk als pseudoniem.

De brief is gericht aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn. Daarmee kunnen zowel de christelijke joden in de diaspora worden aangeduid (na de vernietiging van de tempel in het jaar 70), als de twaalf joodse stammen.

Het belangrijkste deel van de brief is hoofdstuk 2, vers 14-26, waarin gesteld wordt dat geloof zonder werken dood is. Die stelling is strijdig met de leer van de opper-zendeling Paulus, die stelde dat hard werken en een goede ethiek niet voldoende zijn om als goed christen door het leven te kunnen gaan.

De naam Jakobus is de Latijnse vorm van het Hebreeuwse Jakob, hetgeen zowel 'beschermer' als 'bedrieger' betekent.