Het boek der Psalmen


Dit boek bestaat uit vijf delen, die elk eindigen met een lofzang op God; het woord psalm komt van het Griekse woord voor lofzang. De vijf delen zijn: hoofdstuk 1-41; 42-72; 73-89; 90-106 en 107-150. In de Septuagint stond een psalm 151, maar die is in latere edities vervallen.

Een aanzienlijk deel van de psalmen wordt toegeschreven aan koning David, die tussen ca. 1000 en 960 v.C. regeerde over Israël (zie de tijdlijn). David kende de liederen een grote rol toe bij bijeenkomsten in de tempel. De meeste andere psalmen zijn nieuwer; het merendeel stamt van vóór de Babylonische ballingschap (587-538 v.C.). Een enkele psalm zou door Mozes geschreven zijn. De bundeling in de bijbel is een selectie uit de grote hoeveelheid religieuze liederen van het joodse volk.

De Duitse onderzoeker H. Gunkel bedacht een aantal ideaaltypen, een niet-uitputtende indeling van de psalmen naar genre (Gattungen), waarbij gekeken werd naar vorm, setting en inhoud:

  1. leergedichten: psalm 1, 49, 73, 78 en 119. Educatieve strekking, wijsheidsliteratuur.
  2. koningspsalmen: psalm 2, 18, 20, 21, 45, 72 en 110. God wordt als koning geprezen.
  3. boetepsalmen: uitingen van schuldbesef. Psalm 6, 32, 38, 51, 102, 130 en 143.
  4. dankpsalmen: dank voor Gods zegen (psalm 65), de redding van het volk (66), het gewas (67), Gods hulp (116).
  5. klaagzangen: gemeenschappelijke en individuele. Psalm 7, 13, 17, 22, 31, 35, 38, 42, 43, 44, 60, 74, 78 en 80.
  6. lofpsalmen (hymnen): liederen waarin God lof wordt toegezongen. Psalm 8, 19, 46, 47, 100, 103, 104 en 150.