Het Grabower altaar

In de Hamburgse Kunsthalle bevindt zich een beroemd altaarstuk van maar liefst 7,26 meter breed en 2,66 meter hoog. Het wordt Grabower altaar genoemd, dateert uit 1383 en is gemaakt door de Duitse meester Bertram (ca. 1340 - 1415), die afkomstig was uit het Westfaalse stadje Minden. Het indrukwekkende staaltje schilderkunst wordt door velen beschouwd als het hoogtepunt uit Bertrams oeuvre, en als een van de mooiste en meest complexe van alle overgebleven altaarstukken uit de stijlperiode van de Gotiek.

Het geschilderde deel van het altaarstuk.

Het houtsnijwerk.

Achtergrond

Hamburg was in de 14e eeuw een welvarende Hanzestad met ongeveer 8000 inwoners die geld verdienden met de verkoop van bier en handel in haring en zout. Burgers die het zich konden veroorloven, gaven opdrachten aan kunstenaars en ambachtslieden tot het vervaardigen van kunstwerken die in kerken werden gebruikt ter decoratie. Ze verhoogden daarmee hun status in de gemeenschap. Een van die rijke Hamburgers was Wilhelm Horborch, telg uit een oud patriciërsgeslacht. Hij is vermoedelijk degene geweest die aan meester Bertram de opdracht gaf een altaarstuk te maken voor de Petrikerk in Hamburg. Waarschijnlijk begon Bertram in 1379 aan het werk en was het in 1383 gereed. De bron voor het jaartal 1383 is een vermelding in de Hamburgse kronieken, die voor hedendaagse Nederlanders nog gemakkelijk te lezen is: "Anno 1383 wort de tafel des hogen altares tho S. Peter tho Hamborch gemaket. De se makede, hetede mester Bertram van Mynden."

In de loop van de 18e eeuw vond het bestuur van de Petrikerk het altaarstuk niet meer passen in de kerk. Het raakte in onbruik, en het overgrote deel belandde in Grabow in Mecklenburg; vandaar de gangbare naam Grabower altaar. De Kunsthalle noemt het formeel Der Petri Altar. Door de verhuizing ontkwam het werk aan de brand die de Petrikerk in 1842 in de as legde.

In het begin van de 20e eeuw ontdekten kunsthistorici het bijzondere altaar en werd het door de Kunsthalle aangekocht. Ook de twee zijvleugels, die niet naar Grabow waren gegaan, werden opgespoord, zodat het altaarstuk in 1905 weer compleet was.

In de loop der eeuwen heeft het werk de nodige wijzigingen en aanslagen moeten doorstaan. Zo staan de meeste beelden vermoedelijk niet meer op de oorspronkelijke plek. Erger waren de schilderingen die de Vlaming Gilles Coignet in 1596 op de buitenvleugels aanbracht, maar die konden gelukkig grotendeels verwijderd worden. Alleen op het paneel met de bouw van de ark is nog een grote vlek zichtbaar. Eveneens in 1596 voegde de Hamburgse houtsnijder Jost Rogge de heuvel toe onder het crucifix, en werd de goudkleurige achterwand vernieuwd.

Beschrijving

Het altaarstuk, om precies te zijn het retabel van het hoogaltaar, bestaat tegenwoordig uit twee delen: een groot houtsnijwerk en een geschilderd deel dat zich vóór het houtsnijwerk bevond. Oorspronkelijk waren de zijluiken van het schilderwerk ook aan de achterzijde beschilderd, maar die schilderingen zijn verloren gegaan.

Het altaarstuk kende zodoende drie zichten. Het houtsnijwerk werd alleen getoond op de belangrijkste feestdagen. Doorgaans waren de buitenluiken gesloten, zodat de schilderingen daarop het reguliere aanzicht vormden. Het schilderwerk met de gouden achtergrond werd vermoedelijk getoond tijdens reguliere missen. Het is ook mogelijk dat het aanzicht in de loop van het kerkjaar werd aangepast aan het seizoen. In het Duits wordt een altaarstuk met dergelijke verschillende aanzichten een Wandelaltar genoemd.

Grabower altaar: inleiding | » houtsnedes | » geschilderde panelen

Inhoud