De toren van Babel

Enige tijd na de zondvloed vestigden nakomelingen van Noach zich op een laagvlakte in het land Sinear, niet ver van de Eufraat. Zij spraken één taal en vormden één gemeenschap. In Genesis 11 staat hun verhaal: En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden! De toren zou moeten dienen als een herkenningspunt in het landschap, waardoor de mensen elkaar niet kwijt zouden kunnen raken. En dat terwijl God Noach en de zijnen had opgedragen de aarde te 'vervullen' (Gen. 9:1). Het bouwwerk zou ook een veilig heenkomen kunnen bieden bij een mogelijke nieuwe zondvloed.

De toren van Babel
Anonieme meester, ca. 1425

De toren van Babel
Pieter Bruegel, 1563

De toren van Babel
Lucas van Valckenborch, 1595

De spraakverwarring
Gustave Doré (1865): de spraakverwarring

De val van de toren van Babel
Cornelis Anthonisz. (1547): vernietiging van de toren

God bekeek deze nijvere lieden en oordeelde dat ze te ambitieus waren: ze probeerden gelijk te zijn aan hem. Hij besloot de mensheid te straffen met de Babylonische spraakverwarring. Hierdoor konden de mensen elkaar niet meer verstaan, en raakten ze alsnog verspreid over de aarde. De plek waar dit allemaal gebeurde, noemde men voortaan Babel, hetgeen 'verwarring' zou betekenen.

Pieter Bruegel de Oude schilderde de toren driemaal; zijn eerste versie is verloren gegaan. De twee behouden werken (beide vermoedelijk uit 1563) zijn enorm gedetailleerd en kunnen (uiteraard) het best in het echt worden bekeken: de 'grote' toren meet 114 bij 155 cm en bevindt zich in het Kunsthistorisch Museum te Wenen; de 'kleine' meet 60 bij 74,5 cm in hangt in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.

Op de voorgrond van de grote versie zien we een leidersfiguur; sommige bronnen stellen dat deze Nimrod leiding gaf aan de bouw. De talloze miniscule figuurtjes benadrukken de monumentaliteit van de toren en de nietigheid van de mens.

Bruegel is waarschijnlijk uitgegaan van de vorm van het Colosseum te Rome – een ander gebouw dat door de christenen van zijn tijd gezien werd gezien als uiting van ongelovige hoogmoed. De torens lijken op het eerste gezicht stevig en verstandig gebouwd, maar bij nadere inspectie valt op dat het ontwerp fouten bevat – waarschijnlijk aangebracht om aan te geven hoe onmogelijk en overmoedig de hele onderneming was.

Pieter Bruegel was niet de eerste en zeker niet de laatste kunstenaar die de Toren heeft uitgebeeld. Zijn tijd- en landgenoot Lucas van Valckenborch maakte vrijwel identieke schilderijen: ronde toren, gebaseerd op het Colosseum, met Nimrod. Anderen namen de toren op in uitbeeldingen van de apocalyptische vernietiging van Babylon.

De toren van Babel heeft echt bestaan, alleen hoogstwaarschijnlijk geheel anders gebouwd dan Bruegel dacht. Op oude kleitabletten zijn vermeldingen gevonden van een zikkoerrat, een trapvormige tempeltoren, die 91 meter hoog was op een basis van 91 x 91 meter. De toren hoorde bij de tempel van Mardoek, de voornaamste god van Babylonië. Het gebouw werd vernietigd door de Assyrische koning Sanherib in 689 v.C., en later herbouwd en voltooid door o.a. Neboekadnezar II. De Babyloniërs noemden hun toren Bab-Iloe, Poort van God. De Perzen van Xerxes sloopten de toren opnieuw, in 478 v.C.

Joden in de Babylonische ballingschap moeten de zikkoerat gezien hebben. Uit de gevonden spijkergeschriften blijkt dat de Babyloniërs met de toren daadwerkelijk de hemel wilden bereiken. Een afgod vereren in zo'n enorm gebouw, en naar de hemel willen reiken: dat moeten de joden hebben afgekeurd. Wellicht dat die weerzin tegen het gebouw heeft bijgedragen aan het ontstaan van het bijbelse verhaal.