De spreuken van Salomo


Het boek wordt in de titel geheel toegeschreven aan koning Salomo, maar uit de inhoud blijkt dat het ook bijdragen van anderen bevat. Theologen stellen dat het boek ergens in de tweede eeuw v.C. werd afgerond tot de huidige vorm.

De Spreuken zijn wijsheidsliteratuur pur sang: levenskunst en raadgevingen voor het dagelijks leven. Uitgangspunt daarbij is uiteraard ontzag voor God.

Er kunnen ruwweg drie delen worden onderscheiden. De eerste negen hoofdstukken zijn gesteld als vermaningen van een ouder aan een zoon, maar kunnen ook worden geplaatst in een meester-leerling context. De hoofdstukken 10 tot en met 29 bevatten de eigenlijke spreuken van Salomo, en hebben een strakker ritme dan de andere delen. De spreuken in de hoofdstukken 25 tot en met 29 zouden bijeengebracht zijn door koning Hizkia. De laatste twee hoofdstukken bevatten de spreuken van Agur (h. 30), woorden van koning Lemuël, en tot slot (vanaf 31:10) een in de vorm van een acrostichon gestelde lofzang op de deugdelijke huisvrouw.

Overigens zijn slechts weinig (of geen?) van de spreuken uit dit boek overgenomen in het gewone Nederlands. Zie ook het artikel over uitdrukkingen en gezegden uit de bijbel.