1 Makkabeeën 10


1 En in het honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning.

2 En de koning Demetrius dat horende, vergaderde een grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.

3 En Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden, om hem grotelijks te verheffen.

4 Want hij zeide: Laat ons hem voorkomen om met hem vrede te maken, eer hij vrede make met Alexander tegen ons;

5 Want hij zal gedachtig zijn al het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broeders, en tegen zijn volk.

6 En hij gaf hem macht om krijgsvolk te vergaderen, en de wapenen gereed te maken; en dat hij zijn medegenoot in de wapenen zou zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood hij hem over te geven.

7 En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht waren.

8 En zij vreesden met grote vreze, als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om krijgsvolk te verzamelen.

9 En die op de burcht waren gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.

10 En Jonathan woonde te Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen.

11 En hij gebood de werklieden, dat zij de muren zouden opbouwen en de berg Sion rondom met vierkante stenen, tot een sterkte, en zij deden alzo.

12 En de vreemdelingen, die in de sterkte waren, die Bacchides had gebouwd, vloden;

13 En een ieder verliet zijn plaats, en trok naar zijn land.

14 Alleen in Bethsura zijn enigen overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.

15 En Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.

16 Zo zeide hij: Zouden wij ook een zodanige man vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en tot onze bondgenoot.

17 En hij schreef aan hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:

18 De koning Alexander wenst zijn broeder Jonathan voorspoed.

19 Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig man zijt in sterkte, en dat gij bekwaam zijt om onze vriend te zijn.

20 En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.

21 En Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand van het honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten, en hij vergaderde krijgsvolk, en maakte vele wapenen gereed.

22 Demetrius hoorde deze dingen, en werd bedroefd, en zeide:

23 Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee te sterken?

24 Ik zal ook aan hen schrijven woorden van vermaning, en van hoogheid, en van geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn.

25 En hij schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.

26 Dat gij de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven zijt in onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover verblijd geweest.

27 En nu blijft nog daarin, dat gij ons trouwe houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden voor hetgeen gij ons doet.

28 Wij zullen u vele lasten kwijtschelden, en u geschenken geven.

29 En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u ten gevalle, al de Joden, van de tollen, en van de impost van het zout, en van de kroongelden, en van het derde deel van het gezaaide.

30 En van de helft der boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat gij die ontvangt van het land Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en van Galilea, en dat van deze huidige dag af ten eeuwigen tijde.

31 En Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar landpalen, en tienden, en tollen.

32 Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen zodanige mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.

33 En alle ziel der Joden, die uit het land Juda gevangen zijn in mijn ganse koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de schattingen kwijtgescholden worden, ook van hun beesten.

34 En alle feestdagen, en sabbatten en nieuwe maanden, en andere vastgestelde dagen, en drie dagen voor het feest, en drie dagen na het feest, al deze dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen.

35 Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei zaak.

36 En uit de Joden zullen tot de krijgslieden des konings aangeschreven worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, gelijk betaamt de krijgslieden des konings. En uit hen zullen gesteld worden enigen in de grote sterkten des konings;

37 En uit dezen zullen ook gesteld worden over de zaak des koninkrijks, waar trouw in gelegen is; en die over dezelve zijn en hun oversten zullen uit dezelve gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun wetten, gelijk ook de koning bepaald heeft in het land Juda.

38 En aangaande de drie streken, die van het land van Samarië aan Judea gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd blijven, dat zij gerekend worden onder één te zijn, om geens anderen macht onderworpen te zijn, dan van de hogepriester.

39 De stad Ptolomaïs, en het land daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten gedaan worden.

40 En ik geef ook jaarlijks vijftienduizend sikkelen zilver van de rekeningen des konings uit de plaatsen die hem toebehoren.

41 En al dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften, gelijk in de eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken des tempels.

42 En boven deze, de vijfduizend sikkelen zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, gelijk in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen des heiligdoms, die worden ook kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren, die de dienst doen.

43 En allen, die in de tempel te Jeruzalem zullen vluchten, en die in al de landpalen daarvan het recht des konings, of enige andere zaken, schuldig zijn, zullen losgelaten worden; en al wat zij in mijn koninkrijk hebben.

44 En tot het opbouwen en vernieuwen van de werken des heiligdoms zullen de kosten gegeven worden uit de rekening van de koning.

45 Ook om de muren van Jeruzalem op te bouwen, en rondom sterk te maken, zullen de kosten gegeven worden uit de rekening des konings; en ook tot het opbouwen van de muren, die in Judea zijn.

46 Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.

47 Maar het dacht hun goed dat zij het houden zouden met Alexander, omdat hij hun de eerste aanleider tot woorden van vrede was geweest; en zij hielden het met hem al die tijd.

48 En de koning Alexander vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich tegen Demetrius.

49 En deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.

50 En als hij zeer sterk aanhield in de slag, tot de ondergang der zon toe, zo viel Demetrius op die dag.

51 En Alexander zond aan Ptolomeüs de koning van Egypte, gezanten, die volgens deze woorden zeiden:

52 Dewijl ik wedergekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, en gezeten ben op de troon mijner vaderen, en het gebied bemachtigd heb, en Demetrius verslagen hebbende, onze landen weder heb veroverd;

53 En tegen hem heb gestreden, en hij en zijn leger door ons verslagen is, en wij gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk;

54 Laat ons dan nu met elkander vriendschap maken, en geef gij nu uw dochter mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven, die uwer waardig zijn.

55 En de koning Ptolomeüs antwoordde, en zeide: Gelukkig is de dag, waarop gij zijt wedergekeerd in het land uwer vaderen, en gezeten zijt op de troon van hun koninkrijk.

56 En nu ik zal u doen hetgeen gij geschreven hebt; doch kom mij tegemoet tot Ptolomaïs, opdat wij elkander mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, gelijk gij gezegd hebt.

57 En Ptolomeüs trok uit Egypte, hij en zijn dochter Cleopatra; en zij kwamen te Ptolomaïs in het honderdentweeënzestigste jaar.

58 En de koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter, en hield haar bruiloft in Ptolomaïs, gelijk de koningen, in grote heerlijkheid.

59 En de koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.

60 En hij reisde met grote heerlijkheid naar Ptolomaïs, en ontmoette beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en goud, en vele gaven, en hij vond genade bij hen.

61 En daar vergaderden tegen hem enige boosaardige mannen uit Israël, verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.

62 Maar de koning gebood dat men Jonathan zijn klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, hetwelk zij deden; en de koning zette hem bij zich;

63 En zeide tot zijn oversten: Gaat uit met hem in het midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat niemand hem van enige zaak beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe over enige zaak.

64 En het geschiedde, als zijn beschuldigers zijn heerlijkheid zagen, gelijk uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan, zo vloden zij allen.

65 En de koning verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een overste van het krijgsvolk, en tot een metgezel in de regering.

66 En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde.

67 En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land zijner vaderen.

68 En Alexander, dat horende, werd zeer bedroefd, en keerde weder naar Antiochië.

69 En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:

70 Zult gij alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en smaadheid geworden; waarom maakt gij de meester tegen ons in de bergen?

71 Nu dan, indien gij u vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat ons daar met elkander strijden, want bij mij is de macht der steden.

72 Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; daar uw vaderen tweemaal op de vlucht zijn geslagen in hun eigen land.

73 En nu, gij zult niet kunnen bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote krijgsmacht, in dit vlakke veld, waar geen steen, noch rots, noch plaats is om te vlieden.

74 Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoor tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.

75 En hij legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.

76 En die van de stad, vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde Joppe.

77 Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters en veel krijgsvolk;

78 En hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen, en meteen trok bij naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.

79 En Jonathan vervolgde hem van achteren naar Azote, en de legers raakten met elkaar ten strijde achter hem.

80 En Apollonius liet achter hen in het verborgene duizend ruiters.

81 En Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk van des morgens vroeg tot de avond, en het volk stond stil gelijk Jonathan gelast had; en hun paarden waren vermoeid.

82 En Simon, zijn krijgsvolk voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij was afgemat, en zij werden door hem geslagen en zij vloden;

83 En de ruiterij werd verstrooid in het vlakke veld, en vloden naar Azote, en begaven zich in Beth-Dagon, hetwelk was de tempel van hun afgod, om daar behouden te zijn.

84 En Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden waren, met vuur.

85 En die met het zwaard waren omgebracht, met die verbrand werden, waren tot achtduizend man.

86 En Jonathan trok vandaar op, en legerde zich tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.

87 En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit.

88 En het geschiedde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.

89 En hij zond hem een gouden gesp, gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden der koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar landpalen tot een erfgift.

« 1 Makkabeeën 9
1 Makkabeeën 11 »