3 Ezra 4


1 TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte des konings, en zeide:

2 O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?

3 De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij.

4 Indien hij hun zegt dat zij de een de anderen zullen oorlog aandoen, zij doen het; en indien hij uitzendt tegen hun vijanden, zij gaan; zij slechten de bergen, en de muren, en de torens;

5 Zij slaan dood, en worden dood geslagen, en het woord des konings zullen zij niet overtreden; en indien zij overwinnen zo brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd hebben en alle andere dingen.

6 En allen die in de krijg niet gaan noch oorlog voeren, maar het land bouwen, wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen zij de koning schatting; en de een dwingt de ander om de koning schatting toe te brengen, daar die maar één alleen is.

7 Indien hij zegt dat men dode, zo doden zij; indien hij zegt dat men aflate, zo laten zij af.

8 Zegt hij dat men sla, zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, zo bouwen zij.

9 Zegt hij dat men afbreke, zo breken zij af; zegt hij dat men plante, zo planten zij;

10 En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam.

11 Daarenboven zit hij neder, eet hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan, noch zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.

12 O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.

13 De derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken:

14 O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid der mensen, noch de wijn is de sterkste.

15 Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren.

16 En zij hebben zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, uit welke de wijn voortkomt.

17 En zij zelf maken de kleding der mensen, en zij maken hetgeen heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder de vrouwen niet zijn.

18 En indien zij goud en zilver en allerlei fraaie zaken verzameld hebben, en een vrouw zien die schoon is van gedaante en van gestalte,

19 Zo verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.

20 Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan.

21 En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land.

22 Ook hieruit moet gij weten, dat de vrouwen u regeren.

23 En werkt gij niet, en arbeidt gij niet? en geeft gij niet alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man neemt zijn zwaard, en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee en rivieren te varen;

24 En ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, zo brengt hij dat tot zijn beminde.

25 En een man heeft zijn eigen vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder.

26 En velen zijn van hun zinnen beroofd om der vrouwen wil, en zijn om harentwil tot slaven geworden.

27 En velen zijn omgekomen, en zijn verworgd geworden, en hebben gezondigd om der vrouwen wil.

28 En nu, gelooft gij mij niet? Is de koning niet groot in zijn macht? en vrezen niet alle landen hem aan te raken?

29 Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten Bartacus, des konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings zat,

30 En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.

31 En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.

32 O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, dewijl zij, zo doen?

33 Toen zagen de koning en de groten op elkander. En hij, begon te spreken van de waarheid.

34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.

35 Is die niet groot die zodanige dingen doet? Doch de waarheid is groot en sterker dan allen.

36 De gehele aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelve, en al de werken worden bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht.

37 De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle kinderen der mensen is onrecht, en alle zodanige hun werken zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen zij vergaan.

38 Maar de waarheid blijft en is sterk in der eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle eeuwigheid.

39 En bij haar is geen aanneming des persoons; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet hetgeen recht is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken.

40 En in haar oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, van alle eeuwen. Geprezen zij de God der waarheid!

41 En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en sprak toen: Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal.

42 Toen zeide de koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, daar gij wijzer bevonden zijt dan de anderen, en gij zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend genoemd worden.

43 Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen hebt.

44 En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem genomen zijn, terug zoudt zenden, welke Cyrus afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts te zenden.

45 En gij hebt beloofd de tempel te bouwen, welke de Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest.

46 En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.

47 Toen stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem te bouwen.

48 En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.

49 En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd, noch vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan.

50 En dat het gehele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken der Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;

51 En tot de bouw des tempels jaarlijks twintig talenten zouden geven, totdat die zou voltooid zijn.

52 En dat zij, om op het altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks brandofferen te offeren, nog tien andere talenten jaarlijks zouden opbrengen.

53 En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al de priesters die mede zouden opgaan.

54 En hij schreef ook van het onderhoud der priesters, en van de priesterlijke kleding waarin zij dienst doen.

55 En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou geven, tot de dag toe dat het huis Gods zou voleindigd, en Jeruzalem zou herbouwd zijn.

56 En schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel en bezoldiging zou geven.

57 En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.

58 En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:

59 Van u is de overwinning, en van u is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid, en ik ben uw dienstknecht.

60 Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.

61 En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn broederen.

62 En zij loofden de God hunner vaderen, dat hij hun verkwikking en verlossing gegeven had.

63 Om op te trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen lang.

« 3 Ezra 3
3 Ezra 5 »