3 Makkabeeën 4


1 En overal waar dit bevel bekend werd gemaakt, hielden de heidenen een gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, overmits de vijandschap nu met stoutheid zich blijkbaar openbaarde, welke in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was geweest.

2 Maar de Joden waren in een gedurige droefheid, en hun gekrijt was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart brandde alleszins, en zuchtte over dat onverwacht verderf, hetwelk jegens hen zo schielijk besloten was.

3 Wat landschap of stad, of om in het gemeen te spreken welke bewoonde plaats, of welke straten werden niet om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld?

4 Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.

5 Want daar ging vooraan een menigte van oude mannen met grauwe haren bedekt, en zij misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen, zonder enige schaamte, om snel op de weg voort te gaan.

6 Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.

7 En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven dagen der bruiloft door niet jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen.

8 En zij werden gedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden; sommigen werden met de halzen aan de boorden der schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien aan de benen verzekerd; en daarenboven werd een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun ogen alleszins zouden verblind worden, en zij in de ganse scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden uitstaan.

9 Als nu dezen in dat voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, gelijkerwijs het door de koning was geboden, zo heeft hij gelast dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld der straf te zien; opdat zij noch met zijn krijgsvolk gemeenschap zouden hebben noch enigszins waardig geacht der stadsmuren.

10 Als dit geschied was, en de koning hoorde, dat der Joden landslieden heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hunner broederen, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig zou behandelen, gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het ganse geslacht der Joden met hun namen zou beschrijven.

11 Overmits hij hen niet wilde belasten met de dienst een weinig tevoren aan hen bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en zo eindelijk op een bestemde dag uitroeien.

12 Zo geschiedde dan hun beschrijving met veel naarstigheid, en gestadig zitten van de opgang der zon tot derzelver ondergang, en in veertig dagen hadden zij nog geen einde.

13 Intussen was de koning grotelijks en gestadig vervuld met blijdschap, en hield maaltijden voor alle afgoden; zijn hart was verre van de waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond prees hij de stomme afgoden, die hem niet konden toespreken of helpen; maar tegen de hoogste God sprak hij dingen die niet betamen.

14 Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving der Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, dewijl daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen.

15 En als hij hen te harder dreigde, alsof zij met giften omgekocht waren om de Joden te doen ontvluchten, zo gebeurde het dat zij hem klaar bericht deden, als zij hem zeiden en bewezen, dat beide papier en schrijfpennen, die zij zouden gebruiken hun reeds ontbraken.

16 Doch dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp bood.

« 3 Makkabeeën 3
3 Makkabeeën 5 »