4 Ezra 16


1 WEE u Babylon en Azië! wee u Egypte en Syrië!

2 Trekt zakken en harige klederen aan, beweent uw kinderen, en treurt, want uw verderf is nabij.

3 Een zwaard is over u gezonden, en wie is er die het zal afkeren?

4 Een vuur is over u aangestoken, en wie is er die het zal blussen?

5 Veel ongeval is over u gezonden, en wie is er die het zal afweren?

6 Kan ook iemand een leeuw afweren, die hongerig is in het bos? of het vuur in de stoppelen blussen als het begint te branden?

7 Kan ook iemand een pijl afweren, die van een sterk schutter is geschoten?

8 De almachtige Here zendt ongeval over, en wie is er die het zal verdrijven?

9 Het vuur is van zijn gemeenschap uitgegaan, en wie is er die het zal blussen?

10 Hij zal bliksemen, en wie zal niet vrezen? Hij zal donderen, en wie zal niet beven?

11 De Here zal dreigen, en wie zal niet gans vermorzeld worden van zijn aanschijn?

12 Het aardrijk beeft met zijn fundamenten; de zee bruist van de diepte op, en haar baren zullen ontsteld worden met haar vissen, van het aanschijn des Heren, en van de heerlijkheid zijner kracht.

13 Want zijn rechterhand, die de boog spant is sterk; zijn pijlen zijn scherp die door hem geschoten worden. Zij zullen niet ontbreken, wanneer ze zullen geschoten worden tegen de einden der aarde.

14 Ziet het ongeval wordt gezonden, en het zal niet wederkeren, totdat het op de aarde komt.

15 Het vuur wordt aangestoken, en het zal niet geblust worden totdat het de fundamenten der aarde zal verteerd hebben.

16 Gelijk de pijl niet wederkeert, die door een sterk schutter is geschoten, zo zullen de ongevallen niet wederkeren, die over de aarde zijn gezonden.

17 Wee mij, wee mij; wie zal mij bevrijden in die dagen?,

18 Het begin der smarten, en veel zuchtens; het begin des hongers, en veel stervens; het begin der krijgen, en de machtigen zullen bevreesd worden; het begin des ongevals, en zij zullen allen beven.

19 Wat zal ik in deze doen, wanneer de ongevallen zullen komen?

20 Ziet honger en plagen, verdrukking en benauwdheid zijn gezonden, als geselen ter verbetering.

21 En in alle deze zullen zij zich niet bekeren van hun ongerechtigheden, en zullen de geselen niet altijd gedenken.

22 Ziet de leeftocht zal goedkoop zijn op aarde, zodat zij zullen menen, dat hun vrede toebereid is, maar dan zullen de ongevallen spruiten op aarde, namelijk zwaard, honger en grote verwarring.

23 Want velen die op aarde wonen, zullen door hongersnood vergaan, en het zwaard zal de anderen verderven, die van de hongersnood zullen overgebleven zijn.

24 En de doden zullen als drek weggeworpen worden, en daar zal niemand zijn die hen vertroosten zal. Want het land zal woest gelaten, en de steden zullen ternedergeworpen worden.

25 Daar zal niemand overig zijn, die het aardrijk bouwe, en die het bezaaie.

26 De bomen zullen vruchten geven, en wie zal ze aflezen?

27 De druif zal rijp worden, en wie zal ze treden? want in alle plaatsen zal grote eenzaamheid zijn.

28 Want een mens zal begerig zijn om een ander mens te zien of zijn stem te horen.

29 Ja van een stad zullen er alleen tien overblijven, en twee van het veld, die zich verstoken zullen hebben in de dichte bossen, en in de kloven der steenrotsen.

30 Gelijk als in een olijfhof aan elke boom drie of vier olijven overig zijn,

31 Of gelijk aan een wijngaard, die afgeplukt is, sommige druiven alleen worden overgelaten, bij degenen, die de wijngaard naarstig doorzoeken.

32 Zo zullen er in die dagen drie of vier overgelaten worden, bij degenen, die hun huizen met het zwaard doorzoeken.

33 En het land zal woest blijven, en zijn velden zullen verouderen, en zijn wegen en al zijn paden zullen met doornen bewassen, omdat er geen mensen door hetzelve zullen gaan.

34 De maagden zullen treuren, omdat zij geen bruidegoms hebben; de vrouwen zullen treuren, omdat zij geen mannen hebben; haar dochters zullen treuren, omdat zij geen hulp hebben.

35 Haar bruidegoms zullen in de krijg omkomen, en haar mannen zullen door honger verdwijnen.

36 Maar gij dienstknechten des Heren hoort dit, en verstaat dit.

37 Ziet dit is het woord des Heren, neemt dat aan, en gelooft de goden niet, waarvan de Here spreekt.

38 Ziet de ongevallen genaken, en zullen niet vertragen.

39 Gelijk een zwangere vrouw, die na de negen maanden haar zoon baart, wanneer de tijd van haar baren nabij is, een uur, twee of drie tevoren, zo gaan de kindsweeën door haar lichaam, en als het kind nu in de geboorte is, zo vertoeven zij niet een ogenblik;

40 Zo zullen de ongevallen niet vertoeven op aarde te komen, en de wereld zal zuchten, en de smarten zullen haar omvangen.

41 Hoort het woord, mijn volk, bereidt u ten strijd, en zijt in het ongeval zo, als de vreemdelingen der aarde.

42 Die verkoopt zij als een die vliedt, en die koopt, als een die verliezen zal.

43 Die koopmanschap doet, als een die geen nuttigheid daaruit zal genieten, en die bouwt, als een die het niet zal bewonen.

44 Die zaait, als een die niet zal maaien, zo ook die een wijngaard snijdt, als een die de druiven niet zal lezen.

45 Die zich ten huwelijk begeven, als die geen kinderen zullen krijgen, die zich niet ten huwelijk begeven, als de weduwnaars.

46 Daarom die daar arbeiden, die arbeiden tevergeefs.

47 Want hun vruchten zullen de vreemden maaien, en zullen hun goederen roven, en hun huizen verstoren, en zullen hun kinderen gevangen nemen, want tot de gevangenis en tot hongersnood zullen zij hen voortbrengen.

48 Want die hun handel met roof drijven, hoe zij hun steden en huizen, en bezittingen, en personen meer versieren,

49 Hoe ik tegen hen meer zal ijveren om hunner zonden wil, spreekt de Here.

50 Gelijk een vrome en zeer deugdzame vrouw ijvert tegen een overspeelster,

51 Zo zal ook de gerechtigheid ijveren tegen de ongerechtigheid, wanneer zij zich versiert, en zal haar in het aangezicht beschuldigen, als die komt, welke verdedigt degenen, die onderzoek doet over alle zonde op aarde.

52 Daarom wil hun niet gelijk worden, noch hun werken.

53 Want nog een weinig tijds is het, en de ongerechtigheid zal van de aarde weggenomen worden en de gerechtigheid zal over u heersen.

54 De zondaar zegge niet, dat hij niet heeft gezondigd, want vurige kolen zal hij op het hoofd desgenen branden, die zegt: Ik heb niet gezondigd voor God de Here en voor zijn heerlijkheid.

55 Ziet de Here kent alle daden en raadslagen der mensen, en hun gedachten, en hun harten.

56 Want hij heeft gezegd: De aarde worde, en zij is geworden, en de hemel worde, en hij is geworden.

57 En door zijn woord zijn de sterren gefundeerd, en hij weet haar getal.

58 Hij is het die de afgrond doorgrondt, en zijn schatten; die de zee afmeet, en haar begrip.

59 Die de zee besloten heeft in het midden der wateren, en de aarde gehangen heeft op de wateren door zijn woord.

60 Die de hemel uitspant als een gewelf; bij heeft die over de wateren bevestigd.

61 Die in de woestijn waterfonteinen heeft gesteld, en op de spitsen der bergen watermeren, om rivieren uit te geven van de hoge rotssteen, om het aardrijk te bevochtigen.

62 Die de mens gemaakt heeft, en zijn hart gesteld heeft in het midden des lichaams, en heeft hem de geest, het leven en het verstand gegeven.

63 En de adem des almachtigen Gods is het, die alle dingen gemaakt heeft, en doorgrondt alle verborgen dingen in de diepten der aarde.

64 Die weet uw raadslagen, en wat gij in uw harten bedenkt, wanneer gij zondigt, en uw zonden wilt bedekken.

65 Daarom dat God al uw werken ernstig heeft doorgrond, en zal u allen te voorschijn brengen.

66 En gij zult schaamrood worden, als uw zonden voor de mensen zullen voortkomen, en uw ongerechtigheden uw beschuldigers zullen zijn, in die dag.

67 Wat zult gij doen, en hoe zult gij uw zonden verbergen voor God en zijn engelen?

68 Ziet, God is de rechter, vreest hem; laat af van uw zonden, en vergeet uw ongerechtigheden eeuwig te bedrijven, zo zal God u uitleiden, en van alle ongeval bevrijden.

69 Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden te zijn tot een spijs.

70 En die met hen eens zullen zijn, zullen hun zijn tot een spot, en tot versmading, en tot vertreding.

71 Want van plaats tot plaats, en in de omliggende steden zal grote opstand zijn tegen degenen, die God vrezen.

72 Zij zullen zijn als woedenden, en zullen niemand sparen, om te beroven, en te verstoren die God nog vrezen.

73 Want zij zullen hen verstoren, en hun goederen roven, en zullen hen uit hun huizen stoten.

74 Dan zal de beproeving mijner uitverkorenen openbaar worden, gelijk goud dat door vuur beproefd wordt.

75 Hoort, mijn geliefden, spreekt de Here: ziet, de dagen der verdrukking zijn nabij, en ik zal u daarvan verlossen.

76 En vreest niet, en zijt niet beangst, want God is uw leidsman.

77 En gij die mijn geboden en bevelen houdt, spreekt de Here, ziet toe dat uw zonden niet het overwicht hebben, en dat uw misdaden zich over u niet verheffen.

78 Wee degenen, die van hun zonden omvangen, en van hun misdaden bedekt zijn; zij zijn gelijk een veld, dat omvangen wordt van een bos, en welks paden met doornen zijn bedekt, daar geen mens doorgaat, en afgesloten wordt, en gelaten om door het vuur verbrand te worden.

« 4 Ezra 15