Baruch 3


1 ALMACHTIGE Here, gij God van Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een beangste geest roept tot u.

2 Hoor Here, en wees genadig, want wij hebben voor u gezondigd.

3 Want gij zijt gezeten in alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen.

4 Almachtige Here, gij God van Israël, hoor toch het gebed der gestorvenen van Israël, en der kinderen die voor u gezondigd hebben, die de stem van de Here hun God niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd.

5 Gedenk niet de ongerechtigheden onzer vaderen, maar gedenk aan uw hand en aan uw naam te dezer tijd.

6 Want gij zijt de Here onze God, en wij zullen u loven, Here.

7 Want daarom hebt gij uw vreze gegeven in onze harten, op dat wij uw naam zouden aanroepen, en wij zullen u loven in onze vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen al de ongerechtigheden onzer vaderen, die tegen u gezondigd hebben.

8 Zie, wij zijn heden in onze vreemdelingschap waarheen gij ons verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering naar al de ongerechtigheden onzer vaderen, die van de Here onze God afgeweken zijn.

9 Hoor Israël, de geboden des levens, laat ze ter ore ingaan, opdat gij wijsheid moogt weten.

10 Wat is er Israël, dat gij in het land der vijanden zijt?

11 Gij zijt verouderd geworden in een vreemd land, gij zijt verontreinigd geworden onder de doden, gij zijt gerekend met degenen, die in het graf zijn.

12 Gij hebt de fontein der wijsheid verlaten.

13 Indien gij op de weg van God hadt gewandeld, gij zoudt eeuwig met vrede gewoond hebben.

14 Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, op dat gij meteen moogt weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar het licht der ogen is, en vrede.

15 Wie heeft haar plaats gevonden, en wie is in haar schat kamers ingegaan?

16 Waar zijn de oversten der heidenen, en die heersen over de wilde gedierten, die op aarde zijn?

17 Die spotten met de vogelen des hemels, en het zilver tot een schat vergaderen, en het goud, waar de mensen op betrou wen, en hun bezitting is geen einde.

18 Want die het zilver bewerken, en daarvoor zorgvuldig zijn, welker geen uitvinding hunner werken is,

19 Die zijn verdwenen en in het graf nedergedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan.

20 De nakomelingen hebben het licht gezien, en hebben op de aarde gewoond, maar de weg der wetenschap hebben zij niet gekend.

21 En hebben haar paden niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven.

22 Zij is in Kanaän niet gehoord, noch in Theman gezien geworden.,

23 De kinderen van Agar doorzoeken de wetenschap wel op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers der wetenschap, maar de weg der wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht aan haar paden.

24 O Israël hoe groot is het huis Gods! en hoe hoog de plaats zijner woning!

25 Zij is groot, en heeft geen einde, hoog, en onmetelijk.

26 Daar waren de reuzen, beroemde lieden, die van den beginne geweest zijn; groot waren zij van lichaam, en ervaren in de krijg.

27 Deze heeft de Here niet verkoren, noch hun de weg der kennis te verstaan gegeven.

28 Zij zijn vergaan, omdat zij de wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan om hunner onberadenheid wil.

29 Wie is ten hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken nedergebracht?

30 Wie is getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren goud?

31 Daar is niemand die haar weg weet, noch haar pad bedenkt.

32 Maar die alle dingen weet, die kent haar; hij heeft haar gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten.

33 Die het licht zendt, en het gaat voort; hij roept het, en het is hem gehoorzaam met beven.

34 En de sterren lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd.

35 Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen met vrolijkheid voor hem, die haar ge maakt had.

36 Deze is onze God, en geen ander is tegen hem te achten.

37 Hij heeft al de weg der wetenschap gevonden, en bij heeft die gegeven aan Jakob zijn knecht, en aan Israël, dat door hem bemind geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft onder de mensen mede verkeerd.

« Baruch 2
Baruch 4 »