Esther (apocr.) 14


1 EN de koningin Esther nam ook haar toevlucht tot de Here, met doodstrijd bevangen zijnde.

2 En legde haar heerlijke klederen af, en toog klederen der benauwdheid en des treurens aan, en in plaats van prachtige en welriekende zalven, vervulde zij haar hoofd met as en vuiligheid, en vernederde haar lichaam zeer; en alle plaatsen waar zij tevoren versierd en vrolijk was geweest, vervulde zij met haar uitgeplukt haar.

3 En zij bad de Here, de God van Israël, en zeide:

4 Here, gij zijt alleen onze Koning, help mij, die nu alleen ben en geen helper heb dan u, en mijn gevaar is voor de hand.

5 Ik heb van mijn jeugd af gehoord in mijn vaderlijke stam, dat gij Israël uit al de volken, en onze vaders uit al hun voorzaten hebt aangenomen tot een eeuwig erfdeel, en hebt hun gehouden al hetgeen gij hun gesproken hadt.

6 Nu hebben wij gezondigd voor u, en gij hebt ons overgegeven in de handen onzer vijanden, omdat wij hun goden hadden geëerd.

7 Gij zijt rechtvaardig, Here, en nu zijn zij niet vergenoegd, dat zij ons in bittere dienstbaarheid houden.

8 Maar zij hebben zich bij handslag verplicht in de handen van hun afgoden,

9 Om het besluit van uw mond weg te nemen, en uw erve uit te roeien, en de mond toe te stoppen dergenen die u loven, en de heerlijkheid van uw huis en van uw altaar uit te blussen;

10 En om de mond der heidenen te openen, tot verheffing van de deugden der ijdele afgoden, en een vleselijke koning te roemen in eeuwigheid.

11 Geef, Here, uw scepter niet over aan degenen die niet zijn, en laat hen niet lachen over onze val, maar wend hun raad tegen hen, en stel die ten toon, die dat tegen ons heeft bedacht.

12 Gedenk aan ons Here, en maak u bekend in de tijd onzer verdrukking, en sterk mij, o Koning aller volken, en heerser over alle vorsten.

13 Geef mij bekwame rede in mijn mond om te spreken voor de leeuw, en wend zijn hart tot haat tegen hem, die ons bekrijgt; opdat hij teniet worde, en degenen die met hem eensgezind zijn.

14 Verlos ons door uw hand, en help mij die eenzaam ben, en niemand heb dan u, Here.

15 Gij hebt kennis van alle dingen, en weet dat ik de eer der goddelozen haat, en een afschuw heb van het bed der onbesnedenen, en van alle vreemden.

16 Gij weet, dat ik het doen moet, en dat ik een afschuw heb van het teken mijner hovaardij, dat op mijn hoofd is, in de dagen dat ik mij moet laten zien; en heb een afschuw daarvan, als van een onreine doek, en draag het niet wanneer ik in stilte ben.

17 Uw dienstmaagd heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, noch de maaltijd van de koning verheerlijkt, noch gedronken van de offerwijn.

18 En uw dienstmaagd heeft geen vreugde gehad van de dag af dat ik hier ben gebracht tot nu toe, dan in u, o Here, God van Abraham.

19 Verhoor de stem der verlatenen, gij sterke God boven allen, en verlos ons van de hand dergenen die kwaad aanrichten, en verlos mij uit mijn vrees.

« Esther (apocr.) 13
Esther (apocr.) 15 »