Jezus Sirach 36


1 ONTFERM u over ons Here, gij God aller dingen, en zie ons aan.

2 En zend uw vrees over al de volken die u niet zoeken.

3 Verhef uw hand over de vreemde volken, laat hun uw vermogen zien.

4 Gelijk gij voor hun ogen geheiligd zijt geweest in ons, dat gij ook voor ons groot gemaakt moogt worden in hen.

5 Dat zij u mogen kennen gelijkerwijs ook wij u kennen, want daar is geen God behalve gij, o Here.

6 Vernieuw uw tekenen, en verander uw wonderen.

7 Verheerlijk uw hand en rechterarm, opdat zij uw wonderen mogen vertellen.

8 Verwek uw gramschap, en giet uw toorn uit.

9 Neem de tegenpartijder weg, en verbrijzel de vijand.

10 Maak dat de tijd haast kome, en gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen verteld worden.

11 Die behouden is geweest, wordt door een vurige toorn verslonden, en die uw volk kwellen, laat die het verderf vinden.

12 Verbrijzel de hoofden van de oversten der volken, die zeggen: Daar is niemand behalve wij.

13 Vergader alle stammen Jakobs, en stel hen in hun erfdeel, gelijk van het begin.

14 Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd is; en over Israël, dat gij uw eerstgeborene genoemd hebt.

15 Bewijs barmhartigheid aan uw heilige stad Jeruzalem, welke de plaats uwer rust is.

16 Vervul Sion om uw woorden te verheffen, en uw volk met uw heerlijkheid.

17 Geef getuigenis degenen die van den beginne af uw bezittingen zijn, en verwek profeten in uw naam.

18 Geef loon degenen die u verwachten, en maak dat uw profeten geloofd worden.

19 Verhoor, Here, de smekingen uwer knechten, naar de zegen van Aäron over uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen dat gij een Here der eeuwen zijt.

20 De buik eet alle spijs, toch is de ene spijs beter dan de andere.

21 De keel smaakt de spijs van het wildbraad, zo onderkent een verstandig hart leugenachtige redenen.

22 Een verdraaid hart zal droefheid geven, maar een mens, die veel ervaren heeft, zal hem vergelden.

23 Een vrouw neemt iedere man aan, maar de ene dochter is schoner dan de andere.

24 De schoonheid der vrouw verblijdt het aangezicht, en gaat alle lust des mensen te boven.

25 Is dan op haar tong barmhartigheid, en zachtmoedig heid, en genezing, zo is haar man niet gelijk andere mensenkinderen.

26 Die een goede vrouw krijgt, die begint goederen te bezitten, aangezien hij een hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar waar hij op rusten mag.

27 Waar geen heining is, daar wordt hetgeen men bezit verscheurd, en waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten en dwalen.

28 Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt herberg waar hij ook des avonds is.

« Jezus Sirach 35
Jezus Sirach 37 »