Jezus Sirach 47


1 NA deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David.

2 Gelijk het vette is afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd uit de kinderen Israëls.

3 Onder leeuwen verkeerde hij gelijk onder geitebokjes, en onder beren, gelijk onder lammeren.

4 In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid uit het volk weg.

5 Toen hij zijn hand ophief om met de steen des slingers de trots van Goliath terneder te werpen.

6 Want hij riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns volks te ver hogen.

7 Zodat het hem verheerlijkte onder tienduizenden, en prees hem met zegeningen des Heren, als hem de kroon der heerlijk heid gebracht werd.

8 Hij verdelgde de vijanden rondom, en bracht tot niet de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken.

9 In al wat hij deed gaf hij God, de heilige en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden.

10 Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene lief die hem gemaakt had.

11 En heeft zangers ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid een zoete toon te maken, en dagelijks God te prijzen met hun gezangen,

12 Hij heeft op de feesten ingesteld dingen die wel staan, en de bestemde tijden volkomen versierd, opdat zij zouden prij zen zijn heilige naam, en van des morgens vroeg aan zijn heiligdom weerklank zouden doen geven.

13 De Here heeft zijn zonden weggenomen, en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond des koninkrijks, en de troon der heerlijkheid in Israël.

14 Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond.

15 Salomo regeerde in de tijd des vredes, en is beroemd geworden, gelijk God rondom hem rust gegeven had, opdat hij voor zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden in der eeuwigheid.

16 Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld met verstand gelijk een stroom.

17 Uw ziel heeft de ganse aarde bedekt, en met scherpzinnige spreuken vervuld.

18 Uw naam is verre tot in de eilanden gekomen, en gij zijt bemind geweest in uw vrede.

19 De landschappen waren verwonderd over uw gezangen, en spreuken, en gelijkenissen, en uitleggingen.

20 In de naam des Heren, de God der ganse aarde, die bij genaamd wordt de God van Israël, bracht gij goud tezamen gelijk tin, en gelijk lood vermenigvuldigdet gij, het zilver; maar gij hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;

21 En zijt met uw lichaam in haar macht gekomen.

22 Zo hebt gij uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en uit Efraïm een on gehoorzaam koninkrijk ontstond.

23 Doch de Here verliet zijn barmhartigheid niet, en werd gans niet afgewend van zijn werken.

24 Hij delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad desgenen, die hem had liefgehad, niet weg.

25 En gaf Jakob een overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten.

26 En Salomo rustte met de vaderen, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm, die het volk deed afvallen door zijn raad.

27 Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die maakte Israël zondigende, en gaf Efraïm een weg der zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer;

28 Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn en wraak over hen zouden komen.

« Jezus Sirach 46
Jezus Sirach 48 »