Judith 9


1 EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van die avond geofferd werd, en Judith riep met luider stem tot de Here, en zeide:

2 Here, gij God mijns vaders Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot der maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot schande, (want gij hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom gij hun oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun leger, hetwelk hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen met de geweldigen, en de geweldigen op hun tronen.

3 En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.

4 Want gij hebt de dingen gedaan, welke voor die waren, en die dingen zelf, en die daarna zijn geschied, en weet de dingen die nu zijn, en die toekomende zijn, en, die dingen, die gij beraadslaagd hebt, zijn daar komen staan, en hebben gezegd: Ziet hier zijn wij.

5 Want al uw wegen zijn bereid, en uw oordeel is u tevoren bekend.

6 Want ziet, de Assyriërs zijn vermenigvuldigd in hun heerleger, zij zijn hoogmoedig op hun paarden en ruiters, en roemen op de arm van hun voetvolk. Zij hopen op hun schilden en lansen, en bogen, en slingers, en weten niet, dat gij de Here zijt, die de krijgen verplettert; Here is uw naam.

7 Breek gij hun geweld met uw kracht, en sla hun sterkte ter neder in uw toorn;

8 Want zij hebben voorgenomen uw heiligdom te ontheiligen,

9 En te bevlekken de tabernakel der rust van uw heerlijke naam, en met het breekijzer om te werpen de hoorn van uw altaar.

10 Zie op hun hoogmoed.

11 Zend uw toorn over hun hoofden,

12 En geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de sterkte, die ik bedacht heb.

13 Sla met mijn bedriegelijke lippen de knecht met de overste, en de overste met zijn dienaar.

14 Breek hun hoogmoed door de hand ener vrouw.

15 Want uw sterkte is niet in de menigte, noch uw vermogen in de geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen; gij zijt een helper der kleinen, een aannemer der zwakken, een beschutter der vertwijfelenden, en een behouder dergenen, die geen hoop hebben.

16 Ja, ja, gij God mijns vaders, gij God van het erfdeel Israëls, gij Here des hemels en der aarde, gij schepper der wateren, gij Koning van al uw schepselen,

17 Verhoor gij toch mijn gebed,

18 En geef dat mijn rede en mijn bedrog hun tot een wonde en striem worde, die zo harde raadslagen genomen hebben tegen uw verbond, en tegen uw geheiligd thuis, en tegen de spits des bergs Sion, en tegen het huis der bezitting van uw kinderen;

19 En maak, dat men onder al uw volk en alle stammen wete en bevinde, dat gij de God zijt aller kracht en sterkte, en dat er geen ander beschutter van het geslacht Israëls is dan gij.

« Judith 8
Judith 10 »