Het boek Nehemia


Nehemia was tijdens de Babylonische ballingschap als schenker verantwoordelijk voor het beheer van de drankvoorraad van de Perzische koning Artaxerxes I (Arthahsasta). Hij hoorde over de ontberingen van de joden die met Ezra naar Jeruzalem waren teruggekeerd, en vroeg toestemming van de koning om ook naar de eeuwige stad af te mogen reizen.

Artaxerxes benoemde Nehemia in 445 v.C. tot landvoogd van Juda en stadhouder van Jeruzalem. Onder leiding van Nehemia werden de stadsmuren in 52 dagen hersteld en opnieuw ingewijd. Hij maakte de stad bestuurlijk los van de provincie Samaria, zodat de stadhouder van Samaria de joden in Jeruzalem niet meer tot last kon zijn.

De eerste zeven hoofdstukken handelen over het bestuurlijke werk van Nehemia. De hoofdstukken 8 tot en met 10 gaan over zijn religieuze beleid: hij liet Ezra de wet van Mozes voorlezen aan alle Israëlieten, waarop die beloofden voortaan naar die wet te leven. Een herbevestiging van het verbond van God met het joodse volk. De laatste hoofdstukken bevatten onder meer lijsten van inwoners van Jeruzalem.

Het boek is geschreven in de ik-vorm. Oorspronkelijk vormde het samen met Ezra één boek. Het hoort tot de historische boeken van het Oude Testament, hoewel de joden het tot de Geschriften rekenen. De naam Nehemia betekent "God heeft getroost".