Het boek Tobitanders genoemd Tobias


1 HET Boek der geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het zaad van Azaël, uit de stam van Naftali.

2 Die gevankelijk weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning der Assyriërs, uit Thisbe: welke gelegen is aan de rechter zijde der stad, eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser, in Galilea.

3 Ik, Tobias, heb al de dagen mijns levens gewandeld in de wegen der waarheid, en der gerechtigheid, en heb veel aalmoezen gedaan aan mijn broederen, en mijn volk die tezamen met mij vertrokken waren in het land der Assyriërs, naar Nineve.

4 En toen ik nog was in mijn land, in het land Israëls, als ik jong was, het gehele geslacht Naftali, mijns vaders, week af van het huis Gods te Jeruzalem, hetwelk uitverkoren was, uit alle stammen Israëls,

5 Opdat al de stammen daar zouden offeren, en de tempel der woning van de Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten der wereld. En al de stammen, die tezamen afgeweken waren, en het huis Naftali, mijns vaders, offerden het kalf Baäl.

6 En ik reisde menigmaal alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, gelijk bevolen is aan al het volk Israëls met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden der vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen Aärons, voor het altaar.

7 De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen Aärons, die binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren te Jeruzalem.

8 En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk Debora, de moeder mijns vaders, geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.

9 En als ik nu een man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias.

10 En toen ik gevankelijk weggevoerd werd naar Nineve,

11 Zo hebben al mijn broeders, en die van mijn geslacht waren, gegeten van de broden der heidenen,

12 Maar ik bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan niet at.

13 Dewijl ik des Heren gedacht, met geheel mijn gemoed.

14 En de Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper.

15 En ik reisde naar Medië,

16 En ik gaf tien talenten zilvers in bewaring aan Gabaël, de broeder van Gabriël, binnen de stad Rages in Medië.

17 En toen Enemessar gestorven was, werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats.

18 En zijn handelingen waren ongestadig, en ik kon niet meer naar Medië reizen.

19 En in de dagen van Enemessar deed ik veel aalmoezen aan mijn broederen.

20 Ik gaf mijn brood de hongerigen, en klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur der stad Nineve, die begroef ik.

21 En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

22 En een van die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.

23 En al mijn goederen zijn geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten dan Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon.

24 En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.

25 En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.

Tobias (Tobit) 2 »