Tobias (Tobit) 6


1 EN ze reisden hun weg heen, en kwamen tegen de avond aan de rivier Tigris, en vernachtten aldaar.

schilderij van Rembrandt Harmensz. van Rijn: Tobias schrikt van de vis» meer

2 En de jongeling klom neder om zich te wassen, en een vis schoot op uit de rivier.

3 En hij wilde de jongeling verslinden.

4 Maar de engel zeide tot hem: Grijp de vis aan.

5 En de jongeling vatte de vis en wierp hem op het land.

schilderij van Pieter Lastman: De engel en Tobias met de vis

6 En de engel zeide tot hem: Snijd de vis in stukken, en neem het hart, en de lever, en de gal, en leg ze weg om te bewaren.

7 En de jongeling deed gelijk de engel hem gezegd had, maar de vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana.

8 En de jongeling zeide tot de engel: Azarias, broeder, wat is van het hart, en de lever, en de gal van deze vis?

9 En hij zeide tot hem: Wat het hart en de lever betreft, indien iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest, moet gij roken die voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.

10 En bestrijk met de gal een mens, die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.

11 En zo zij nu nabij Ragis gekomen waren,

12 Zo zeide de engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen heden te Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.

13 Want u komt haar erfenis toe. En gij zijt alleen over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.

14 En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen meer dan enig man.

15 Toen zeide de jongeling tot de engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer zijn omgekomen.

16 En nu, ik ben een enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.

schilderij van Andrea del Verrocchio: Tobias en de engel

17 En de engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet de woorden, die uw vader u bevolen heeft, dat gij een huisvrouw zoudt nemen uit uw geslacht?

18 En nu hoor mij, broeder, want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor die duivel.

19 Want deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden, en als gij ingaat in de bruidskamer, zo zult gij as nemen van het reukoffer, en zult daarop leggen van het hart en van de lever van de vis, en zult roken.

20 En de duivel zal het ruiken en zal vluchten, en zal in alle eeuwigheid niet wederkomen.

21 Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich uwer ontfermen.

22 En vrees niet, dewijl deze u is bereid van der eeuwigheid, en gij zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit haar zullen geworden.

23 En als Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.

« Tobias (Tobit) 5
Tobias (Tobit) 7 »