3 Ezra 8


1 EN na deze, als Artaxerxes, de koning der Perzen, regeerde, trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,

2 De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester.

3 Deze Ezra trok henen uit Babylonië, als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods Israëls was gegeven.

4 En de koning had hem heerlijkheid gegeven, dewijl hij genade bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.

5 En met hem trokken naar Jeruzalem sommigen op, uit de kinderen Israëls, en uit de priesters en Levieten, en uit de heilige zangers en deurwachters, en dienaars des heiligdoms.

6 In het zevende jaar als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende jaar des konings) zo gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe maan der eerste maand,

7 En kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.

8 Want Ezra had grote wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet der dingen die van de wet des Heren waren, en van de geboden om gans Israël al de rechten en gerichten te leren.

9 Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan het afschrift is hetgeen volgt:

10 De koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester van de wet des Heren, voorspoed.

11 Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar Jeruzalem.

12 Zo velen als er dan begerig zijn, dat zij mede trekken; gelijk het mij, en mijn zeven vrienden mijn raadsheren heeft goedgedacht:

13 Opdat zij hetgeen in Judea en Jeruzalem is bezoeken, en doen volgens hetgeen in de wet des Heren vervat is.

14 En zij de Here Israëls gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat zou mogen bevonden worden in het land van Babylonië, dat men dat weder brenge de Here te Jeruzalem:

15 Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot de tempel des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren, en hetgeen daartoe behoort.

16 Opdat men de Here offere offeranden op het altaar des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is;

17 En alles wat gij en uw broederen zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt dat naar de wil uws Gods.

18 En de heilige vaten des Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,

19 Die zult gij geven uit des konings schatkamer.

20 En ik Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,

21 Dat zo wat Ezra, de priester en leermeester, van de wet des hoogsten Gods zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,

22 Tot honderd talenten zilvers toe, desgelijks tot honderd mudden koorn, en honderd metreten wijn, en andere, dingen met menigte.

23 Alles worde zorgvuldig volbracht naar de wet Gods, voor de hoogste God; opdat de toorn Gods niet kome over het koninkrijk des konings, en zijn zonen.

24 En ulieden wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige zangers, noch deurwachters, noch dienaren des tempels, noch schriftgeleerden enige schatting of andere lasten geschieden.

25 Noch dat iemand macht hebbe hun iets op te leggen.

26 En gij Ezra, naar de wijsheid Gods, stel tot rechters en scheidslieden, opdat zij gericht houden in geheel Syrië en Fenicië, al degenen die de wet uws Gods verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.

27 En al die de wet uws Gods en des konings overtreden, zullen streng worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.

28 En Ezra de schriftgeleerde zeide: Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen, die dit in het hart des konings heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken zou.

29 En die mij heeft geëerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten.

30 En ik werd welgemoed, naar de hulp des Heren, mijns Gods; en vergaderde mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.

31 En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en verdelingen der heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder het rijk des konings Artaxerxes.

32 Uit de kinderen Pinehas: Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël; uit de kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia.

33 Uit de kinderen van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig mannen.

34 Uit de kinderen van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.

35 Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.

36 Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.

37 Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.

38 Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen.

39 Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.

40 Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.

41 Uit de kinderen van Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.

42 Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.

43 En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger drie dagen lang op, en ik overzag ze.

44 En uit de priesters en uit de Levieten niemand daar vindende,

45 Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon de oversten, en geleerden.

46 En ik zeide hun, dat zij zouden komen tot Loddeus de overste, die daar was in de plaats der schatkamer,

47 Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen, en de schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen, dat zij ons enigen zouden toezenden, die het priesterschap in het huis onzes Gods mochten bedienen.

48 En zij brachten tot ons, naar de sterke hand onzes Heren, enige verstandige mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen, zijnde achttien;

49 En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen;

50 En van degenen, die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig dienaars des tempels, dezer aller namen zijn schriftelijk aangetekend.

51 En ik beval daar een vasten aan de jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken een goede reis voor ons, en voor degenen die bij ons waren, namelijk onze kinderen en ons vee.

52 Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en ruiters te begeren, en ander geleide tot verzekering tegen onze tegenpartijders.

53 Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.

54 En wij baden al deze dingen van de Here, en wij vonden hem zeer genadig.

55 En ik zonderde van de oversten der priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen nog twaalf mannen.

56 En ik woog hun het zilver en het goud, en de heilige vaten van het huis onzes Heren, welke de koning, en zijn raadsheren, en de groten, en het ganse Israël gegeven hadden.

57 En als ik het gewogen had, heb ik hun overgegeven zeshonderdvijftig talenten zilvers, en honderd talenten aan gouden vaten, en honderd talenten aan goud;

58 En twintig gouden schalen, en twaalf koperen vaten van fijn koper, blinkende gelijk goud.

59 En ik zeide tot ben: Gijlieden zijt ook de Here heilig, en de vaten zijn heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften des Heren, namelijk des Heren onzer vaderen.

60 Zo waakt, en bewaart ze, totdat gij ze overlevert aan de oversten der priesters en Levieten, en aan de oversten der vaderlijke huizen Israëls te Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes Gods.

61 En deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en de vaten tot zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel des Heren.

62 En wij trokken weder op van de rivier Thera, de twaalfde dag der eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand onzes Heren, die over ons was.

63 En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.

64 En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles over naar het getal en gewicht;

65 En het gehele gewicht daarvan werd opgeschreven in dezelfde ure.

66 En die uit de gevangenis aangekomen waren, offerden tot offeranden de Here de God Israëls, twaalf stieren, voor het ganse Israël,

67 Zesennegentig rammen, tweeënzeventig lammeren, twaalf bokken tot dankoffer: alles tot een offerande voor de Here;

68 En gaven de bevelen des konings over, aan de rentmeesters des konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.

69 En als deze dingen volbracht waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het volk Israëls, en de oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden:

70 Van de volken der Kanaänieten, en Chetteeërs, en Feresieten en Jebusieten, en Moabieten, en Egyptenaars en Idumeeërs.

71 Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met dezer volken dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd geworden onder de vreemde volken des lands; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig geworden.

72 En zodra als ik dit hoorde, verscheurde ik mijn klederen, en mijn heilige rok; en ik plukte mijn haren van mijn hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol gedachten en zeer treurig.

73 En tot mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.

74 En ik stond op van het vasten, hebbende de klederen verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde neder, mijn handen uitstrekkende tot de Here, zeide ik:

75 Here, ik ben beschaamd, en bevreesd voor uw aangezicht:

76 Want onze zonden zijn vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, zelfs van de tijden onzer vaderen.

77 En wij zijn in grote zonde tot deze dag toe.

78 En om onzer zonde wil, en om de zonden onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven met schande, aan de koningen der aarde, tot zwaard, en gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.

79 En nu is ons een weinig genade geschied van de Here, om ons een wortel over te laten, en een naam, in de plaats uws heiligdoms:

80 En om ons een licht te ontdekken in het huis des Heren onzes Gods, en om ons spijs te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.

81 Ja, toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Here onze God, maar hij heeft ons in genade gesteld voor de koningen der Perzen, om ons spijs te geven.

82 En om de tempel onzes Heren te verheerlijken, en het verwoeste Sion op te richten, en om ons een vastigheid te geven in Judea en Jeruzalem.

83 En nu, Here, wat zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door de dienst uwer knechten de profeten, zeggende:

84 Het land waarin gij komt om dat tot een erve te hebben, is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde volken des lands bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.

85 En nu zult gij uw dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren zult gij niet nemen voor uw zonen.

86 En gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij machtig wordt en eet het goede des lands, en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid.

87 Doch al hetgeen ons overkomt, geschiedt vanwege onze boze werken en onze grote zonden.

88 Want gij, Here, die onze zonden hebt verlicht, hebt ons zodanige wortel in het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts gekeerd, om uw wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken des lands.

89 Zoudt gij dan over ons niet vertoornd zijn totdat gij ons uitgeroeid hebt? totdat gij noch onze wortel, noch zaad, noch naam hebt overgelaten?

90 Here Israëls, gij zijt waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten op de huidige dag.

91 Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden: want wij kunnen om dezer wil niet langer voor u bestaan.

92 En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en weende, liggende voor de tempel op de aarde, zo is is tot hem vergaderd een zeer grote schare uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongelingen, want het wenen was groot onder de menigte.

93 En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de kinderen Israëls riep en zeide: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de Here, wij hebben vreemde vrouwen ten huwelijk genomen, uit de volken des lands.

94 En nu, gans Israël is in twijfel, maar laat daarover door ons een eed geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven.

95 Gelijk u zal goeddunken, en al degenen die de wet des Heren gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.

96 Want u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te doen.

97 En Ezra stond op, en beëedigde de oversten der priesters en Levieten van gans Israël, dat zij hiernaar doen zouden, en zij zwoeren.

« 3 Ezra 7
3 Ezra 9 »