3 Ezra 9


1 EN Ezra opstaande, van de voorhof des tempels, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.

2 En bleef daar, en at geen brood en dronk geen water, treurig zijnde over de grote overtredingen der menigte.

3 En daar werd een aankondiging gedaan door geheel Judea en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren, opdat zij binnen Jeruzalem bijeen zouden komen,

4 En dat hun, die binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel der overste ouderlingen, hun vee zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden worden van de menigte der gevangenis.

5 En zij vergaderden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste dag der maand.

6 En de gehele menigte zat op de grote voorplaats des tempels, bevende van koude vanwege de aanstaande winter.

7 En Ezra stond op, en zeide tot hen: Gijlieden hebt onrecht gedaan, en hebt uitlandse vrouwen ten huwelijk genomen, om zonden op Israël te leggen.

8 Maar nu, bekent het, en geeft heerlijkheid de Here, de God onzer vaderen.

9 En doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land, en van de uitlandse vrouwen.

10 Toen riep de ganse menigte, en zeide met luider stem: Wij zullen alzo doen gelijk gij gezegd hebt:

11 Maar de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd.

12 Doch dat de voorgangers der menigte staan, en al degenen die uit onze inwoners uitlandse vrouwen hebben;

13 Dat zij hier komen, en tijd nemen, en de oudsten en rechters van iedere plaats, totdat de toorn des Heren van ons geweerd zij, ter oorzake van dit gebod.

14 Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs waren hun mede-rechters.

15 En die uit de gevangenis waren, volgden hen hierin na.

16 En Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan der tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken.

17 En het is ten einde gebracht, aangaande de mannen die uitlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand.

18 En onder de priesters werden gevonden, die uitlandse vrouwen hadden genomen.

19 Van de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn broederen, Nathelas, en Eleazar, en Joreb en Joadan.

20 En legden de hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden tot verzoening over hun misdaden.

21 En van de kinderen van Emmer: Ananias, en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en Hereël, en Azarias.

22 En van de kinderen van Fesur: Elionais, Massias, Ismaël, en Nathaneël, en Okodel, en Saloas.

23 En van de Levieten: Josabad, en Semeïs, Kovis (deze is Kalitas) en Patheüs, en Judas, en Jonas.

24 Van de heilige zangers: Eliaseb, en Bacchu.

25 Van de deurwachters: Salum en Telbanes.

26 Van de Israëlieten, uit de kinderen van Foros: Hiermas, en Jezias, en Melchias, en Maël, en Eleazar, en Asebias, en Baneas.

27 Van de kinderen van Ela: Mathanias, en Zacharias, en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, en Aidias.

28 En van de kinderen van Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth, en Labath, en Zeralias.

29 En van de kinderen van Bebai: Joannes, en Ananias, en Josabdus, en Amathias,

30 En van de kinderen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth.

31 En van de kinderen van Addi: Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, Matthanias, en Sesthel, en Balim, en Manassias.

32 En uit de kinderen van Anan: Elionas, en Asajas, en Melchias, en Sabbeüs, en Simon Chosameüs.

33 En van de kinderen van Asom: Altaneüs, en Matthatias, Sabbaneüs, en Elifalat, en Manasses, en Semer.

34 En van de kinderen van Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, en Mammitanem, Eliasis, Bannus, Eliali, Sameis, Selemias, Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus, Zamvre, Jozef.

35 En van de kinderen van Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel, Baneas.

36 Deze allen hadden uitlandse vrouwen ten huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen.

37 En de priesters, en de Levieten, en die anderen uit Israël zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de kinderen Israëls waren in hun woonplaatsen.

38 En de gehele menigte kwam eendrachtig tezamen in de grote plaats, welke is voor de heilige poort tegen het oosten.

39 En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls was gegeven.

schilderij van Gustave Doré: Ezra draagt de Wet voor

40 En Ezra, de overste priester, bracht de wet voor de ganse menigte, zo der mannen als der vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan der zevende maand.

41 En hij las die in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde hun zinnen tot de wet.

42 En Ezra, de priester en leermeester der wet, stond op een houten verheven stoel, die daartoe bereid was.

43 En bij hem stonden Matthatias, Sammus, Ananias, Azarias, Urias, Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand.

44 En aan de linkerhand Chaldeüs, en Misaël, Melchias, Haothasufus, Nabarias, Zacharias.

45 En Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat heerlijk in de tegenwoordigheid van allen.

46 En als hij de wet uitlegde, zo stonden zij rechtop. En Ezra loofde de Here, de hoogste God, de God der heerscharen, de almachtige;

47 En al het volk antwoordde daarop Amen! En hun handen opwaarts heffende, en op de aarde vallende, baden zij de Here aan.

48 Jozua nu, en Anniuth, en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, en Kalitas, Azarias en Jozabdus, en Ananias, de Levieten, leerden de wet des Heren.

49 En zij lazen de wet des Heren voor de menigte, hun stem in het lezen verheffende.

50 En Attaratas zeide tot Ezra de overste priester en leermeester, en tot de Levieten die het volk boven allen leerden:

51 Deze dag is de Here heilig; en zij weenden allen, als zij de wet hoorden.

52 Gaat dan henen, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt geschenken aan hen, die niet hebben.

53 Want deze dag is heilig de Here, en zijt niet droevig, want de Here zal u verheerlijken.

54 En de Levieten bevalen het ganse volk, zeggende: Deze dag zelf is heilig, zijt niet droevig.

55 En zij gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich grotelijks te vervrolijken;

56 Dewijl zij waren onderricht in het woord, dat hun geleerd was, en waartoe zij vergaderd waren.

« 3 Ezra 8