4 Ezra 11


1 EN ik zag een droom, en zie een arend klom op van de zee, welke twaalf vleugelen van vederen had, en drie hoofden.

2 En ik zag, en ziet, hij strekte zijn vleugelen uit over de gehele aarde, en al de winden des hemels woeien daarop, en werden vergaderd.

3 En ik zag dat van zijn vederen andere vederen daartegen wiessen, en dat zij tot kleine en smalle vederkens werden.

4 Want zijn hoofden waren in rust, en het middelste hoofd was groter dan de andere hoofden, en hij was met deze ook in rust.

5 En ik zag, en zie de arend vloog met zijn vleugelen en heerste op aarde, en over allen die daarop wonen.

6 En ik zag dat alle dingen hem onder de hemel onderdanig waren, en niemand wedersprak hem, ja niet een van de schepselen die op aarde zijn.

7 En ik zag, en ziet de arend stond op zijn klauwen, en sprak tot zijn vederen, en zeide:

8 Gij zult niet allen tegelijk waken, een ieder slape op zijn plaats, en wake te zijner tijd.

9 De hoofden nu zullen tot het laatste behouden worden.

10 En ik zag, en ziet, de stem kwam niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam.

11 En ik telde zijn vederen, die tegen de andere gewassen waren, en ziet, die waren acht.

12 En ik zag, en ziet, van de rechterzijde stond een veder op, en zij heerste over de gehele aarde.

13 En het geschiedde, toen zij heerste, dat haar einde kwam, en haar plaats werd niet meer gevonden. En de volgende is opgestaan en heerste, en zij heeft het lange tijd gehouden.

14 En het is geschied toen zij heerste, gelijk als de voorgaande.

15 En een stem is tot haar gekomen; zeggende:

16 Hoort gij, die zo lange tijd het aardrijk ingehouden hebt, dit verkondig ik u, eer gij begint te verdwijnen;

17 Niemand zal het na u zo lange tijd, als de uwe is, houden, ja niet de helft daarvan.

18 En de derde heeft zich verheven, en heeft de heerschappij gehouden als de vorige, en ook deze is verdwenen.

19 En zo ging het met al de andere, dat zij elk in het bijzonder de heerschappij voerden, en weder verdwenen.

20 En ik zag, en ziet, de volgende vederen werden mettertijd opgericht van de rechterzijde, opdat zij zelf de heerschappij zouden verkrijgen, en onder haar waren enige die ze verkregen, maar verdwenen nochtans in korte tijd.

21 Want enige uit hen richtten zich ook op, maar verkregen de heerschappij niet.

22 En ik zag daarna, en ziet de twaalf vederen werden niet meer gezien, noch de twee vederkens.

23 En daar was niet meer over aan het lichaam des arends, dan twee hoofden, die in rust waren, en zes vederkens.

24 En ik zag, en ziet, van de zes vederkens zijn de twee afgescheiden, en zijn onder het hoofd gebleven dat ter rechterzijde was, maar de vier bleven aan haar plaats.

25 En ik zag, en ziet, die onder de vleugelen waren, meenden zich op te richten en heerschappij te verkrijgen.

26 En ik zag, en ziet, de ene heeft zich opgericht, maar zij is terstond verdwenen.

27 En de tweede zijn eer verdwenen dan de eerste.

28 En ik zag, en ziet, de twee die nog overig waren, dachten ook zelf bij zichzelf heerschappij te verkrijgen.

29 En toen zij daaraan dachten, ziet zo is een van de hoofden die rustten, dat het middelste was, opgewaakt, want dit was groter dan de twee andere.

30 En ik zag dat de twee hoofden hiermee samengevoegd waren.

31 En ziet, dit hoofd keerde zich om, met degenen die bij hem waren, en verslond twee vederen die onder de vleugelen waren, welke heerschappij meenden te verkrijgen.

32 Dat hoofd nu verschrikte het ganse aardrijk, en heerste daarop, over allen die de aarde met veel arbeid bewonen, en het voerde heerschappij op de aardbodem, over al de vleugelen, die daar geweest waren.

33 En ik zag daarna, dat het middelste hoofd haastig verdween, en dat ook gelijk de vleugelen.

34 Doch de twee hoofden waren nog over, welke op gelijke wijze ook heersten over de aarde, en over degenen, die daarin wonen.

35 En ik zag, en ziet, het hoofd, dat van de rechterzijde was, verslond dat van de linkerzijde was.

36 En ik hoorde een stem die tot mij zeide: Zie tegenover u, en merk op hetgeen gij ziet.

37 En ik zag, en ziet, een leeuw, als een leeuw die brult, van het bos snel lopende, en ik zag dat hij een mensenstem uitgaf tot de arend, en zeide:

38 Hoor gij, ik zal tot u spreken, en de Allerhoogste zal tot u zeggen:

39 Zijt gij niet het dier, dat overgebleven is van de vier dieren, die ik de heerschappij had gegeven in mijn wereld, opdat naar haar het einde der tijden zou komen?

40 En hetwelk, in de vierde plaats komende, al de dieren heeft overwonnen, die voorbij zijn, en door zijn heerschappij de wereld heeft ingehouden met grote vrees, en het ganse aardrijk met onbehoorlijke arbeid, en de aardbodem met zoveel bedrog heeft bewoond?

41 En hebt de aarde gericht niet naar waarheid?

42 Want gij hebt de zachtmoedige verdrukt, en die in rust waren beledigd, en gij hebt de leugen liefgehad, en hebt de woningen afgebroken dergenen, die vruchten brachten, en hebt de muren ternedergeworpen dergenen, die u niet beschadigen.

43 Daarom is uw versmading gekomen, tot de Allerhoogste, en uw hovaardigheid tot de sterke.

44 En de Allerhoogste heeft de hovaardige tijden aangezien, en ziet, zij zijn geƫindigd, en hun boze daden zijn vervuld.

45 Daarom gij arend! verschijn niet meer, noch uw gruwelijke vleugelen, noch uw snode vederkens, noch uw boze hoofden, noch uw kwade klauwen, noch uw geheel onnut lichaam,

46 Opdat de gehele aarde weder verkwikt worde, en tot zichzelf kome, van uw geweld bevrijd zijnde, en dat zij mag hopen op het oordeel en de barmhartigheid desgenen die haar gemaakt heeft.

« 4 Ezra 10
4 Ezra 12 »