4 Ezra 12


1 EN het is geschied toen de leeuw deze woorden sprak tot de arend, dat ik zag,

2 En ziet, het hoofd dat nog over was, doch de vier vleugelen, die tot hetzelve overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer.

3 En ik zag, en ziet, zij kwamen niet meer te voorschijn, en het gehele lichaam des arends werd brandende, en de aarde verschrikte zeer, en ik ontwaakte vanwege het groot gewoel en de grote vrees uit de verdrukking mijner zinnen, en ik zeide tot mijn geest:

4 Ziet, gij hebt mij dit gedaan, daarmee dat gij de wegen des Allerhoogsten onderzoekt.

5 Ziet, ik ben nog vermoeid in mijn gemoed, en ik ben zeer zwak in mijn geest, en daar is geen kracht meer in mij, vanwege de grote vrees, waarmee ik deze nacht verschrikt ben geweest.

6 Nu dan, ik zal de Allerhoogste bidden, dat hij mij versterke tot het einde.

7 En ik zeide: O heersende Here, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, en indien ik gerechtvaardigd ben bij u voor vele anderen, en indien mijn gebed waarlijk voor uw aangezicht opgekomen is,

8 Zo versterk mij, en toon aan mij, uw knecht, de verklaring en onderscheiding van dit gruwzaam gezicht, opdat gij mijn ziel ten volle moogt vertroosten.

9 Want gij hebt mij waardig geacht, dat gij het laatste der tijden mij zult vertonen.

10 En hij zeide tot mij: Dit is de verklaring van dit gezicht:

11 De arend, die gij hebt zien opkomen van de zee, is het rijk, dat in een gezicht gezien is door uw broeder Daniël;

12 Maar het is hem niet verklaard, doch nu verklaar ik het u.

13 Ziet de dagen komen, dat een rijk op aarde zal opstaan, en het zal vreselijker zijn dan al de rijken, die daarvoor geweest zijn.

14 In hetzelve nu zullen twaalf koningen heersen, de een na de ander.

15 Want de tweede zal beginnen te heersen, en zal het meer tijds houden dan de andere twaalf.

16 Dit is de verklaring van de twaalf vleugelen, die gij gezien hebt.

17 En wat aangaat de stem die gesproken heeft, en die gij gehoord hebt, uitgaande niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam.

18 Dit is de verklaring, namelijk dat na de tijd van dit rijk geen kleine twisten zullen ontstaan en het zal in gevaar staan van te vallen, doch het zal dan niet vallen, maar zal weder in zijn eerste stand worden gesteld.

19 En dat gij gezien hebt acht onderste vleugelen, die vast waren aan zijn vleugelen.

20 Daarvan is de verklaring: Daar zullen in dit rijk acht koningen opstaan, wier tijden kort en jaren snel zijn zullen, en twee van die zullen vergaan.

21 Doch wanneer het midden des tijds zal naderen, zo zullen de vier behouden worden in die tijd, als zijn einde zal beginnen te naderen, maar de twee zullen tot het einde toe behouden worden.

22 En dat gij hebt gezien drie hoofden die rustten.

23 Daarvan is dit de verklaring: Aan het einde van dit rijk zal de Allerhoogste drie rijken verwekken, en zal vele dingen daarin wederroepen, en zij zullen over de aarde zelf heersen,

24 En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden des arends genoemd.

25 Want het zijn die, welke zijn goddeloosheid tezamen zullen te voorschijn brengen, en deze tot het uiterste toe zullen volbrengen.

26 En dat gij gezien hebt, dat het grootste hoofd niet meer verscheen, dit is zijn verklaring, namelijk dat een van hen op zijn bed zal sterven, en nochtans met smarten.

27 Doch de twee, die overgebleven zullen zijn, zal het zwaard verslinden.

28 Want het zwaard des enen zal verslinden hem die met hem is, maar nochtans zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen.

29 En dat gij gezien hebt twee vederen, die van onder de vleugelen over het hoofd gingen, dat aan de rechterzijd was,

30 Daarvan is dit de verklaring: Deze zijn het die de Allerhoogste behouden heeft tot op het einde, dit is een klein rijk. en vol oproer.

31 Gelijk gij ook een leeuw gezien hebt, die gij zaagt uit het bos ontwaken, en brullen, en spreken, tot de arend, en hem bestraffen, en zijn ongerechtigheid, door al zijn redenen die gij gehoord hebt.

32 Deze is de wind, die de Allerhoogste tot het einde toe behouden heeft, tegen hen en hun goddeloosheid, en hij zal hen bestraffen, en hij zal over henzelf hun verscheuring brengen.

33 Want hij zal hen levend voor het gericht stellen, en het zal geschieden, als hij hen zal overtuigd hebben, dat hij hen zal straffen.

34 Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn palen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag des oordeels komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb.

35 Dit is de droom, die gij gezien hebt, en dit zijn de verklaringen.

36 Gij dan zijt alleen waardig geacht, om deze verborgenheid des Allerhoogsten te weten.

37 Daarom schrijf al deze dingen, die gij gezien hebt, in een boek, en leg dat in een verborgen plaats.

38 En gij zult ze de verstandigen onder uw volk leren, namelijk wier harten gij weet dat deze verborgenheden kunnen vatten en behouden.

39 Maar verbeid gij hier nog andere zeven dagen, opdat u vertoond worde hetgeen de Allerhoogste goeddunken zal u te vertonen.

40 En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was wedergekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste vergaderd, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende:

41 Wat hebben wij u misdaan, of wat onrecht hebben wij u gedaan, dat gij ons verlaat, en aan deze plaats blijft zitten?

42 Want gij zijt alleen voor ons over uit alle volken als een druiftak van de wijngaard, en als een kaars in een duistere plaats, en als een haven, en een schip, dat uit het onweder ontkomen is.

43 Of zijn ons de zwarigheden niet genoegzaam, welke ons overkomen?

44 Indien gij ons dan verlaat, hoe veel beter ware het ons, dat wij ook met de brand Sions verbrand waren?

45 Want wij zijn niet beter dan degenen, die daar gestorven zijn; en zij weenden met luider stem.

46 Toen antwoordde ik hen en zeide: Zijt goedsmoeds Israël! en zijt niet bedroefd, gij huis Jakobs!

47 Want de Allerhoogste gedenkt uwer, en de Almachtige heeft uwer niet vergeten in de verzoeking.

48 En ik heb ulieden niet verlaten, en ben uit u niet geweken, maar ik ben in deze plaats gekomen, opdat ik zou bidden voor de verwoesting Sions, en opdat ik barmhartigheid zocht voor de vernedering uws heiligdoms.

49 En nu, zo ga een ieder van u in zijn huis, en ik zal na die dagen tot u komen.

50 En het volk is naar de stad vertrokken, gelijk ik hun gezegd had.

51 Doch ik zat nog zeven dagen in het veld, gelijk hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen des akkers, en uit de kruiden is mij spijs geworden in die dagen.

« 4 Ezra 11
4 Ezra 13 »