4 Ezra 7


1 EN het is geschied, als ik geëindigd had deze woorden te spreken, dat de engel tot mij gezonden is, die de eerste nachten tot mij gezonden was.

2 En hij zeide tot mij: Sta op Ezra, en hoor de woorden, die ik gekomen ben tot u te spreken.

3 En ik zeide: Spreek mijn God! en hij zeide tot mij: De zee is in een diepe plaats gesteld, opdat zij diep en groot zij,

4 Maar haar ingang is in een enge plaats gesteld, opdat zij de rivieren gelijk zou zijn.

5 Want wie zou gaarne in de zee willen gaan, en ze zien en beheersen; indien hij niet door het enge ging, hoe zou hij in de wijdte kunnen komen?

6 Nog een andere gelijkenis: Een stad is gebouwd en gelegen in een vlak veld, en is vol van allerlei goederen;

7 De ingang is eng en op een steilte gelegen, zodat er ter rechterzijde vuur is, en ter linkerzijde een diep water;

8 Tussen deze nu is alleen een smal pad gelegd, namelijk tussen het vuur en het water, zodat op het pad niet meer dan een mens gaan kan.

9 Indien nu deze stad iemand tot een erve gegeven werd, en hij nooit het voorgestelde gevaar zou doorgaan, hoe zal hij zijn erve verkrijgen?

10 En ik sprak: Het is zo Here; en hij zeide tot mij: Zo is ook het deel Israëls:

11 Want om hunnentwil heb ik de wereld gemaakt, en als Adam mijn inzettingen overtreden heeft, zo is dat geoordeeld, hetgeen geschied is.

12 En de ingangen dezer wereld zijn eng geworden, en droevig, en moeilijk; ook weinig in getal, en kwaad, en vol gevaar, en met arbeid zeer bezet.

13 Want de grote wereldingangen waren breed, en zeker, en brachten de vrucht der onsterfelijkheid voort.

14 Indien dan degenen die leven, niet pogen in te gaan door hetgeen hier eng en ijdel is, zo kunnen zij niet verkrijgen hetgeen weggelegd is.

15 Nu dan, waarom zijt gij bekommerd, dewijl gij verderfelijk zijt? en waarom zijt gij beroerd, dewijl gij sterfelijk zijt?

16 En waarom hebt gij niet ter harte genomen hetgeen toekomend is, maar hetgeen tegenwoordig is?

17 En ik antwoordde en zeide: O heersende Heer, ziet gij hebt in uw wet verordineerd, dat de rechtvaardigen deze dingen zouden beërven, en dat de goddelozen zouden vergaan.

18 Doch de rechtvaardigen dragen het enge, hoewel zij het wijde hopen, want die goddeloos hebben geleefd, die hebben ook het enge gedragen, en zullen het wijde niet zien.

19 En hij zeide tot mij: Daar is geen rechter boven God, en geen verstandige boven de Allerhoogste.

20 Want velen gaan tegenwoordig verloren, omdat de wet Gods, die voorgesteld is, verzuimd wordt.

21 Want God heeft ernstig geboden degenen die komen zouden, als zij kwamen, wat zij zouden doen om te leven, en wat zij zouden onderhouden om niet gestraft te worden.

22 Maar zij zijn niet gehoorzaam geweest, en hebben hem wedersproken, en hebben zichzelf ijdele gedachten verdicht.

23 En hebben zichzelf bedriegerijen der zonde voorgesteld, en hebben bovendien tot de Allerhoogste gezegd, dat hij niet is, en hebben zijn wegen niet gekend.

24 En hebben zijn wet veracht, en zijn beloften verloochend, en hebben zijn rechten niet geloofd, en hebben zijn werken niet volbracht.

25 Daarom Ezra, het ledige is voor de ledigen, en het volle voor de vollen.

26 Ziet, de tijd zal komen, en het zal geschieden, dat de tekenen, die ik u voorzegd heb, zullen komen: de bruid zal verschijnen, en zij zal openbaar vertoond worden, die nu met aarde overtogen is.

27 En een ieder, die van de voorzegde onheilen bevrijd is, zal mijn wonderen zien.

28 Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren.

29 En na die jaren zal mijn Zoon Christus sterven, en alle mensen die adem hebben.

30 En de wereld zal wederkeren tot het oude stilzwijgen, zeven dagen lang, gelijk in de voorgaande oordelen, zodat niemand zal overgelaten worden.

31 En het zal na zeven dagen geschieden, dat de wereld die nog niet ontwaakt is, zal opgewekt worden, en dat verdorven is, zal sterven.

32 En de aarde zal wedergeven die in haar slapen, en het stof degenen die daarin met stilte wonen, en de binnenkameren zullen de zielen wedergeven, die hun toevertrouwd zijn.

33 En de Allerhoogste zal geopenbaard worden op de rechterstoel, en de ellende zal voorbijgaan, en de lankmoedigen zullen verzameld worden.

34 Het recht nu zal allen overblijven; de waarheid zal bestaan, en het geloof zal sterk worden.

35 En het werk zal hen navolgen, en het loon zal vertoond worden; de gerechtigheid, zal opwaken en de ongerechtigheid zal niet heersen.

36 En ik zeide: Abraham heeft eerst voor de Sodomieten gebeden, en Mozes voor de vaderen, die in de woestijn gezondigd hebben.

37 En die na hem geweest zijn voor Israël, ten tijde van Achan en Samuël.

38 David voor die grote slachting, en Salomo voor degenen, die kwamen om geheiligd te worden.

39 En Elia voor degenen, die de regen ontvingen, en voor degene, die dood was, dat hij leven mocht;

40 En Ezechias voor het volk ten tijde van Sanherib, en anderen, velen voor velen.

41 Indien dan nu, wanneer de verdorvenheid toegenomen is, en de ongerechtigheid vermenigvuldigd is, ook de rechtvaardigen voor de goddelozen bidden, waarom zal het ook nu zo niet zijn?

42 En hij antwoordde en zeide tot mij: De tegenwoordige eeuw is niet het einde, veel heerlijkheid blijft nog in deze; daarom hebben zij voor de zwakken gebeden.

43 Maar de dag des oordeels zal het einde zijn van deze tijd en het begin van de tijd der toekomende onsterfelijkheid, waarin de verdorvenheid voorbijgegaan zal zijn.

44 De onmatigheid is losgemaakt, en het ongeloof is afgesneden, doch de gerechtigheid is toegenomen en de waarheid is opgestaan.

45 Want dan zal niemand die kunnen zalig maken die verloren is, noch tenonderbrengen, die overwonnen heeft.

46 Toen antwoordde ik, en zeide: Dit is mijn eerste en laatste reden, dat het beter ware geweest aan Adam het aardrijk niet te geven, of als hij het hem gegeven had, hem te beletten dat hij niet zou zondigen.

47 Want wat baat het de mensen tegenwoordig te leven in droefheid, en als zij dood zijn de straf te verwachten?

48 O Adam, wat hebt gij gedaan? want zo gij gezondigd hebt, de val is niet alleen de uwe geweest, maar ook de onze, die van u zijn gekomen.

49 Want wat baat het ons, indien ons een onsterfelijke tijd toegezegd is, en wij toch dodelijke werken gedaan hebben?

50 En dat ons een eeuwige hoop is voorzegd, en wij toch boos en ijdel geworden zijn?

51 En dat ons weggelegd zijn woningen der gezondheid, en der zekerheid, en wij toch kwalijk geleefd hebben?

52 En dat de eer des Allerhoogsten bewaard wordt, om hen te beschermen, die lijdzaam geleefd hebben, en wij toch in de kwaadste wegen gewandeld hebben?

53 En dat het paradijs getoond wordt, welks vrucht onverderfelijk blijft, waarin zekerheid en heilzaamheid is, en wij daar niet ingaan?

54 Want wij hebben in onaangename plaatsen gewandeld.

55 En dat de aangezichten dergenen, die zich onthouden hebben, blinken zullen boven de sterren, en toch onze aangezichten zwart zullen zijn boven de duisternis?

56 Want wij hebben, toen wij leefden, niet gedacht als wij de ongerechtigheid deden, dat wij na de dood zouden beginnen te lijden.

57 En hij antwoordde en zeide: Dit is de bedenking des strijds, die de mens op aarde geboren, moet strijden,

58 Opdat hij lijde hetgeen gij gezegd hebt, indien hij overwonnen wordt, maar indien hij overwint, zo zal hij ontvangen hetgeen ik zeg.

59 Want dit is dat leven, waarvan Mozes sprak tot het volk, toen hij leefde, en zeide: Verkiest u het leven, opdat gij leeft.

60 Doch zij hebben hem niet geloofd, noch ook de profeten na hem, ja ook niet mij, die tot hen gezegd heeft,

61 Dat de droefheid niet zou zijn tot hun verderf, gelijk de blijdschap toekomende is over degenen wie de zaligheid verzekerd is.

62 En ik antwoordde en zeide: Ik weet Here dat de Allerhoogste daarom barmhartig genoemd is, omdat hij zich hunner ontfermt, die nog in de wereld niet zijn gekomen,

63 En dat hij zich die ontfermt, die zich bekeren tot zijn wet.

64 En dat hij lankmoedig is; want hij bewijst lankmoedigheid aan degenen, die gezondigd hebben, als zijn schepselen.

65 En dat hij weldadig is; want hij wil geven naar dat nodig is.

66 En dat hij van grote barmhartigheid is, want hij bewijst menigvuldige barmhartigheid degenen die tegenwoordig zijn, en die voorbij zijn, en nog zijn zullen.

67 Want zo hij zijn menigvuldige barmhartigheid niet bewees, zo zou de wereld niet levend worden gemaakt, met degenen, die daarin erfenis zullen hebben.

68 En hij vergeeft; want indien hij niet vergaf naar zijn goedheid, opdat degenen, die ongerechtigheid gedaan hebben, van hun ongerechtigheden werden verlicht, zo zou het tienduizendste deel der mensen niet levend gemaakt worden.

69 En indien de Rechter niet vergaf aan degenen, die door zijn woord zijn geheeld, en niet uitwiste de menigte der twistingen,

70 Zo zouden mogelijk van een ontelbare menigte niet dan zeer weinigen overgelaten worden.

« 4 Ezra 6
4 Ezra 8 »