4 Ezra 8


1 EN hij antwoordde en zeide tot mij: De Allerhoogste heeft deze wereld gemaakt voor velen, maar de toekomende voor weinigen.

2 Doch, Ezra! ik zal u een gelijkenis zeggen: Het is even alsof gij het aardrijk vroegt, en het u zou zeggen, dat het zeer veel aarde geeft, waaruit een aarden vat gemaakt kan worden, maar weinig stofs waaruit het goud gemaakt wordt; zo is het ook met de stand der tegenwoordige wereld.

3 Daar zijn wel velen geschapen, maar weinigen worden behouden.

4 En ik antwoordde en zeide: Nu dan mijn ziel, verslind de zin, en verzwelg het verstand.

5 Want gij zijt overeengekomen toe te luisteren, en wilt profeteren, en u is niet meer tijds gegeven, dan alleen dit leven.

6 O Here, zo gij uw knecht niet toelaat, dat wij voor uw aanschijn bidden, en dat gij ons zaad in het hart geeft, en bouwing aan onze zinnen, waaruit vrucht mag voortkomen, vanwaar zal een ieder die verdorven is kunnen leven, die de plaats van een mens beslaat?

7 Want gij zijt alleen, en wij zijn maar een schepping uwer handen, gelijk gij gesproken hebt.

8 En gelijk nu het lichaam in de baarmoeder geschapen is, en gij het zijn leden geeft, zo wordt uw schepsel als in vuur en water bewaard, en uw werk dat gij gemaakt hebt, draagt negen maanden uw schepsel, dat daarin geschapen is.

9 Hetzelve nu dat bewaart, en dat bewaard wordt, zal beide met elkander bewaard worden, en bewaard zijnde, zo geeft de baarmoeder te harer tijd weder hetgeen in haar gewassen is.

10 Want gij hebt ook de leden zelf, namelijk de borsten, bevolen melk te geven aan de vrucht der borsten;

11 Opdat hetgeen geschapen is voor een tijd gevoed worde, en gij het daarna uwer barmhartigheid beveelt.

12 Gij brengt hem op door uw gerechtigheid, en onderricht hem in uw wet en tuchtigt hem door uw wijsheid.

13 En gij doodt hem als uw schepsel, en maakt hem levend als uw werk.

14 Indien gij dan die verderft, die met zo grote moeite is voortgebracht, zo is het door uw bevel gemakkelijk te ordineren, dat behouden worde hetgeen gemaakt is.

15 En nu, Here, van alle mensen weet gij het best, maar veel meer zal ik spreken van uw volk, om hetwelk ik treurig ben,

16 En van uw erve, om welke ik leed draag, en van Israël, om welke ik smart lijd, en van Jakob, om wie ik mij bedroef.

17 Daarom zal ik voor uw aanschijn beginnen te bidden voor mij en voor hen; want ik zie de overtredingen van ons die op aarde wonen;

18 Maar ik heb de snelheid gehoord des Rechters, die komende is.

19 Daarom hoor mijn stem, en versta mijn reden, en ik zal voor u spreken.

20 Het begin der woorden van Ezra, eer hij werd opgenomen. En ik zeide: Here, die de eeuwigheid bewoont, wiens ogen in de hoogte verheven zijn, en in de lucht nederzien;

21 Wiens troon onmetelijk, en wiens heerlijkheid onbegrijpelijk is; voor wie het heerleger der engelen sidderend staat.

22 Wier opmerking zich keert met wind en vuur; wiens woord waarachtig, en wiens redenen standvastig zijn;

23 Wiens bevel sterk, en wiens ordening verschrikkelijk is; wiens aanschouwen de afgronden uitdroogt; en wiens toom de bergen doet verdwijnen, gelijk de waarheid getuigt.

24 Verhoor het gebed uws dienaars, en vat met uw oren de smeking van uw maaksel.

25 Want dewijl ik leef, zo zal ik spreken, en dewijl ik vernuft heb, zo zal ik antwoorden.

26 En zie niet aan de misdaden uws volks, maar degenen, die u in waarheid dienen.

27 En let niet op het goddeloze der heidenen, maar op degenen, die uw getuigenissen met smarten onderhouden.

28 En gedenk niet aan degenen, die vals voor u hebben gewandeld, maar aan degenen die naar uw wil uw vreze bekend hebben.

29 En wil niet verderven degenen, die als vee geleefd hebben; maar zie die aan, die uw wet heerlijk geleerd hebben.

30 En vertoorn u niet over degenen, die erger dan beesten geoordeeld zijn: maar heb die lief, welke altijd op uw gerechtigheid en heerlijkheid betrouwen.

31 Want wij en onze vaderen zijn krank van zulke gebreken, maar gij wordt barmhartig genoemd om onzentwil, die zondaren zijn.

32 Want zo gij begerig zijt u onzer te ontfermen, dan zult gij barmhartig genoemd worden, over ons namelijk, die geen werken der gerechtigheid hebben.

33 Want de rechtvaardigen, wie vele werken weggelegd zijn, zullen uit hun werken het loon ontvangen.

34 Maar wat is de mens, dat gij u over hem zoudt vertoornen, of het verderfelijk geslacht, dat gij daartegen zo verbitterd zoudt zijn?

35 Want in der waarheid, daar is niemand van die geboren zijn, die niet goddeloos heeft gehandeld, en van degenen die u belijden, die niet misdaan heeft.

36 Want daarin zal uw gerechtigheid en uw goedheid verkondigd worden, Here, wanneer gij u zult ontfermen over degenen, die het wezen der goede werken niet hebben.

37 En hij antwoordde en zeide tot mij: Gij hebt sommige dingen recht gesproken, en naar uw redenen zal het ook geschieden.

38 Want ik zal waarlijk niet gedenken aan het werk dergenen, die gezondigd hebben, vóór de dood, vóór het oordeel, en vóór het verderf.

39 Maar ik zal vreugde hebben over het pogen der rechtvaardigen, en ik zal ook gedenken aan hun vreemdelingschap, aan hun behoudenis, en aan het ontvangen des loons.

40 Gelijk ik dan gesproken heb, zo is het ook.

41 Want gelijk de landman op de aarde veel zaad zaait, en vele planten plant, maar alle die in de tijd gezaaid zijn niet worden behouden, noch alle, die geplant zijn wortelen krijgen, zo ook alle, die in de wereld gezaaid zijn, worden niet behouden.

42 En ik antwoordde, en zeide: Indien ik genade gevonden heb, zo laat mij spreken.

43 Gelijk het zaad des landmans verloren gaat indien het niet opkomt, of uw regen intijds niet ontvangt, of indien het door de veelheid des regens verderft,

44 Zo gaat ook desgelijks verloren de mens, die door uw handen is geschapen, en zijt hem een evenbeeld genoemd, omdat gij hem gelijk zijt, om wie gij alle dingen hebt geschapen, en die gij het zaad des landmans gelijk gemaakt hebt.

45 En vertoorn u niet over ons, maar spaar uw volk, en ontferm u over uw erfdeel; want gij ontfermt u over uw schepsel.

46 En hij antwoordde en zeide tot mij: De tegenwoordige dingen zijn voor de tegenwoordige, maar de toekomstige voor de toekomstige.

47 Want u ontbreekt nog veel, dat gij mijn schepsel zoudt liefhebben meer dan ik: doch ik ben u en hetzelve dikmaals genaderd, maar de onrechtvaardige nooit.

48 Maar ook daarin zijt gij wonderlijk voor de Allerhoogste;

49 Omdat gij u vernederd hebt, gelijk het u betaamt, en hebt u zelf niet waardig geoordeeld, dat gij onder de rechtvaardigen zeer zoudt verheerlijkt worden.

50 Daarom zal vele en jammerlijke ellende hun overkomen, die de wereld in de laatste tijden zullen bewonen, omdat zij in vele hoovaardij gewandeld hebben.

51 Maar gij, versta dit voor u zelf, en onderzoek de heerlijkheid van degenen, die u gelijk zijn.

52 Want ulieden is het paradijs geopend, de boom des levens geplant, de toekomende tijd bereid, de overvloed toebereid, de stad gebouwd, de rust beproefd, de goedheid volmaakt, en de wijsheid voltrokken.

53 De wortel des kwaads is ver van ulieden verzegeld, de zwakheid en mot is van voor u verborgen, en de verderfenis is naar de hel gevlucht in vergetelheid.

54 De smarten zijn vergaan, en de schat der onsterfelijkheid is aan het einde getoond.

55 Daarom wil niet verder vragen van de veelheid dergenen, die verloren gaan.

56 Want zij hebben hun vrijheid aangenomen, en de Allerhoogste veracht, en hebben zijn wet versmaad, en zijn wegen verlaten.

57 Daarenboven hebben zij de rechtvaardigen met voeten vertreden.

58 En hebben in hun hart gezegd, dat er geen God is, daar zij nochtans weten dat zij sterven moeten.

59 Want gelijk ulieden zal wedervaren hetgeen tevoren gezegd is, zo zal hun dorst en smart wedervaren, welke hun toebereid zijn. Want hij heeft niet gewild, dat de mens teniet zou worden.

60 Maar ook zij, die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt desgenen die hen gemaakt heeft, en zijn ondankbaar geweest tegen die, die hun het leven bereid had.

61 En daarom nadert nu mijn oordeel.

62 Hetwelk ik niet allen vertoon, maar u, en andere weinigen, die u gelijk zijn. En ik antwoordde, en zeide:

63 Zie, Here, nu hebt gij mij de veelheid der tekenen getoond, die gij in de laatste dagen zult beginnen te doen, maar gij hebt mij niet getoond wanneer en op welke tijd.

« 4 Ezra 7
4 Ezra 9 »