Aanhangsel aan het boek Esther


4 En Mordechai zeide: Deze dingen zijn van God geschied.

5 Want ik gedenk aan de droom, die ik van deze dingen gezien heb, want geen dezer is voorbijgegaan.

6 De kleine fontein is een rivier geworden, en daar was licht, en een zon en veel water. Deze rivier is Esther, die de koning getrouwd en tot koningin gemaakt heeft.

7 De twee draken nu zijn ik en Haman.

8 En de heidenen die tezamen gekomen waren om de naam der Joden te verdelgen;

9 En mijn volk is het volk van Israƫl, die tot God riepen en behouden zijn, en de Here heeft zijn volk behouden, en de Here heeft zijn volk verlost uit al deze ongevallen, en God heeft deze grote tekenen en wonderen gedaan, welke onder de heidenen niet geschied zijn.

10 Daarom heeft hij twee loten gemaakt, het ene voor het volk Gods, en het andere voor al de heidenen.

11 En deze twee loten zijn voor God gekomen op de ure en tijd en dag des gerichts, hetwelk onder alle heidenen is bestemd;

12 En God is zijns volks gedachtig geworden, en heeft zijn erfdeel gerechtvaardigd.

13 Daarom zullen deze dagen hun tot vierdagen zijn, in de maand Adar, op de veertiende dag der maand, met vergadering, en vreugde, en vrolijkheid voor God, door elk geslacht in eeuwigheid onder zijn volk.

Esther (apocr.) 11 »

Dit is het apocriefe vervolg op Esther 10. Het bevat de bepaling dat jaarlijks Poerim gevierd dient te worden.