Eerste aanhangsel aan het boek van de profeet Daniël, namelijk: Het gebed van Azaria hetwelk aan het derde hoofdstuk van Daniël, na het 23ste vers wordt gehecht.


Azaria, Ananias en Misaël waren vrienden van de profeet Daniël ten tijde van de Babylonische ballingschap. Dankzij Daniëls gave om dromen te verklaren, genoten ze een beschermde positie aan het hof van de koning, Nebukadnezar. Toen echter op een dag de koning een gouden beeld liet maken en gebood dat iedereen het moest aanbidden, weigerden zij en werden ze in het vuur gegooid. Azaria sprak een gebed uit, een engel daalde neer in het vuur en zorgde ervoor dat de vlammen geen vat kregen op de mannen, en na het zingen van een loflied stapten ze levend uit het vuur.

In Daniël 3 worden de drie vrienden Azaria, Ananias en Misaël anders genoemd: Abed-nego, Sadrach respectievelijk Mesach, de namen die ze van de Babylonische bezetters hadden gekregen. Nebukadnezar was danig onder de indruk van hun wonderbaarlijke avontuur en van hun vertrouwen in hun god, en gaf ze hoge posten in zijn landsbestuur.

Dit apocriefe bijbelboek was in de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, opgenomen na Daniël 3:23. Het werd gevolgd door het eveneens apocriefe Gezang in de Vuuroven. In katholieke bijbels zijn beide boeken integraal onderdeel van Daniël 3.