Tobias (Tobit) 11


1 EN hij reisde voort totdat zij kwamen te Nineve.

2 En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, hoe gij uw vader achtergelaten hebt.

3 Laat ons vooruit lopen voor uw vrouw, en het huis bereiden.

4 En neem de gal van de vis in de hand.

5 En zij trokken heen, en de hond kwam mede achter hen.

6 En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:

7 Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.

8 Strijk gij de gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.

schilderij van Arent de Gelder: Anna verwelkomt Tobias en Sara

9 En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.

schilderij van Rembrandt Harmensz. van Rijn: De genezing van Tobit

10 En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.

11 En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en weende en zeide:

12 Geloofd zijt gij, o God.

13 En geloofd zij uw naam in der eeuwigheid.

14 En geloofd zijn al uw heilige engelen; want gij hebt mij gekastijd, en hebt u mijner ontfermd.

15 Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.

16 En zijn zoon verblijd zijnde ging in,

17 En boodschapte zijn vader de grote dingen, die geschied waren in Medië.

18 En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

19 En Achiachar en Nasbas, zijns broeders zoon, kwamen ook tot hem.

20 En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen lang gehouden met vreugde.

« Tobias (Tobit) 10
Tobias (Tobit) 12 »