Abraham

Een van de hoofdrolspelers in het boek Genesis. Eerste van de de drie aartsvaders van het joodse volk. Zijn verhaal wordt verteld in de hoofdstukken 11 tot 25.

Abraham stamde af van Sem, een van de zonen van Noach. Hij woonde oorspronkelijk in Ur, in het land van de Chaldeeën, Mesopotamië. Samen met zijn vader, zijn vrouw Sara en zijn neef Lot vertrok hij van daar naar Haran, alwaar ze woonden tot zijn vader overleed. Abraham kreeg enige tijd later van God de opdracht door te trekken naar het land Kanaän; hem werd daar een mooie toekomst voorgehouden.

Daar aangekomen bouwde hij een altaar. Al snel trok het gezelschap met vee en al door naar Egypte, op de vlucht voor een hongersnood. Bij terugkomst besloten Lot en Abraham uiteen te gaan; Lot koos voor het gebied rond de Jordaan.

Tot gruwel van God verviel het volk in het door Lot bewoonde deel tot zedeloos en zondig gedrag, vooral in en rond Sodom en Gomorra. Tegen Abraham vertelde hij dat hij alle inwoners wilde vernietigen. Abraham ging daarover een discussie aan door God te vragen waarom dan ook de rechtvaardigen gedood moesten worden. Uiteindelijk gingen de steden in vlammen op maar werden Lot en zijn gezin gered (behalve zijn vrouw, die op de vlucht omkeek).

Sara leek onvruchtbaar te zijn, waarop Abraham (86) een kind verwekte bij zijn slavin Hagar: Ismaël. Toen Sara dertien jaar later alsnog een zoon baarde, Isaak, zond Abraham Hagar en Ismaël weg, de woestijn in.

Als ultieme vertrouwenstest droeg God Abraham op zijn zoon Isaak te offeren. Pas toen Abraham het mes al hoog had geheven, greep een engel in.

Zie ook: Offeren van Isaak

Bekijk gerelateerde werken uit het Rijksmuseum via deze iconclass: 71C1.

Gerelateerde kunstwerken: