Jean Fouquet ca. 1420 – 1477/81

Maria met kind (Madonna van Melun)

tempera op paneel (93 × 85 cm) — ca. 1450
Museum Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

Biografie van Jean Fouquet

Bestel een reproductie

Scroll s.v.p. omlaag voor meer informatie over het kunstwerk.

Dit spectaculaire paneel is een van een tweeluik, bekend als het diptiek van Melun. Het andere paneel toont Étienne Chevalier met de heilige Stephanus; het bevindt zich in Berlijn.

Jean Fouquet: Étienne Chevalier en de heilige Stephanus

Fouquet werkte aan het hof van koning Karel VII van Frankrijk. Chevalier was de schatkistbewaarder van de koning. Het diptiek diende zijn graf te sieren.

De sfeer aan het hof lijkt te zijn doorgedrongen in Fouquets schilderkunst: Maria heeft een hoofse, aristocratische uitstraling. Men vermoedt dat Agnès Sorel model heeft gestaan, een maîtresse van de koning.

De rode en blauwe engeltjes ontnemen elk zicht op een achtergrond. Ze geven het werk nog wel een enigszins sacrale sfeer - als tegenwicht van erotiek van de blote borst van Maria. Opvallend is de detaillering van de troon en de sieraden, die de invloed verraadt van de Vlaamse primitieven.

De historicus Johan Huizinga vond dit werk een fraai voorbeeld van middeleeuwse decadentie aan het hof. In zijn Herfsttij der Middeleeuwen schrijft hij in het hoofdstuk De teugellooze verbeelding van het heilige:

"Niets geeft wellicht die toenadering [van het godsdienstige en het erotische, red.] zoo levendig te zien als de Antwerpsche Madonna, aan Fouquet toegeschreven, voorheen in het koor der Lieve Vrouwenkerk te Melun als diptiek vereenigd met het luik, dat den stichter Etienne Chevalier, tresorier des konings, met den heiligen Stephanus vertoont, thans te Berlijn.

Een oude traditie, in de 17e eeuw door den oudheidkundige Denis Godefroy opgeteekend, wil, dat de Madonna de trekken van Agnes Sorel weergeeft, de koninklijke maîtresse, voor wie Chevalier zijn hartstocht niet verborg. Het is inderdaad, bij al de groote hoedanigheden der schildering, een modepop, die wij voor ons zien, met het gebombeerde kaalgeschoren voorhoofd, de wijd uiteenstaande, kogelronde borsten, het hooge dunne middel. De bizarrerie van de hermetische gelaatsuitdrukking, de stijve roode en blauwe engelen, alles werkt mee, om aan het schilderij een waas van décadente goddeloosheid te geven, waarbij de forsche, slichte voorstelling van den stichter en zijn heilige op het andere luik wonderlijk afsteekt. Godefroy zag op het blauw fluweel eener breede lijst de naamletter E in parelen, telkens verbonden door liefdestrikken (lacs d'amour) uit goud- en zilverdraad. Ligt in het geheel niet een blasphemische vrijmoedigheid met het heilige, die door geen Renaissance-geest te overtreffen was?"