De profeet Jeremia


Grote profeten

Jeremia wordt gerekend tot de grote profeten van het oude testament. Hij leefde van ca. 645 tot ca. 587 v.C. en werd geboren in Anatot, even ten noorden van Jeruzalem. Hij wordt vooral herinnerd als een fel criticaster van de politiek-religieuze verhoudingen in Judea, die uiteindelijk leidden tot de val van Jeruzalem in 587, het begin van de Babylonische ballingschap.

Zijn profetiën werden niet altijd enthousiast ontvangen door de heersende kringen. Hij mocht na waarschuwingen voor de naderende verwoesting van de tempel het tempelcomplex niet meer betreden, en koning Jojakim liet rollen met Jeremia's uitspraken verbranden. De profeet liet hierop zijn leerling Baruch een nieuwe rol maken en voorlezen op verschillende plekken in de stad. Nadat Nebukadnezar Jeruzalem definitief had ingenomen, koos Jeremia ervoor in de stad te blijven en niet in ballingschap te gaan. Niet veel later was de situatie echter zo gevaarlijk geworden dat landgenoten hem dwongen met hen te vluchten naar Egypte.

In de hoofdstukken 1 t/m 24, opgetekend door Baruch, vertelt Jeremia over zijn worstelingen met God, zijn roeping en het geloof. Op delen van de hoofdstukken 19 en 20 na, zijn ze geschreven in de ik-vorm. Het begint met de twee visioenen die hij in 627 kreeg: God waarschuwt Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands. De hoofdstukken 26 t/m 45 beschrijven de ervaringen van Jeremia in de derde persoon. Het boek is niet chronologisch samengesteld, en bevat allerlei aanvullingen en uitbreidingen. In het aansluitende boek Klaagliederen doet Jeremia uitgebreid zijn beklag over de val van zijn geliefde stad.

De naam Jeremia betekent in het Hebreeuws 'Jahweh sticht'.

Filmtip: De Bijbel - Jeremia op DVD