[inhoud]

G.J. van der Vlis - De Statenvertaling

Het vertaalprincipe

Na de beoordeling van de credentiebrieven kon de synode met haar werk beginnen. Het eerste onderwerp dat op de agenda stond, was de nieuwe Bijbelvertaling. Eerst werd advies ingewonnen bij de buitenlandse afgevaardigden. De Engelsen vertelden hoe zij te werk waren gegaan bij het maken van hun vertaling die korte tijd tevoren gereed was gekomen. Vervolgens was het woord aan de Nederlanders. Zij verklaarden eenstemmig dat “een betere overzetting [= vertaling] des Bijbels, uit de oorspronkelijke talen zelven in de Nederduitsche, niet alleenlijk voor onze Nederlandsche Kerken profijtelijk, maar ook gansch noodzakelijk zou zijn, en derhalve [...] dat dit werk van eene nieuwe overzetting, op zijn spoedigst, en op de bekwaamste en kortste wijze, begonnen mocht worden. Is ook bij stemmen der Synode raadzamer geoordeeld, van stonde aan eene nieuwe overzetting voor te nemen, dan de oude Nederlandsche te overzien of te verbeteren; nochtans zoo, dat men, om de ergernis met het oog op al te groote verandering, te vermijden, uit de oude overzetting alles behouden zoude hetwelk, onverminderd de waarheid, zuiverheid en eigenschap der Nederlandsche taal, zal kunnen behouden worden;” Er moest dus een compleet nieuwe vertaling worden gemaakt, maar deze moest wel zo nauw mogelijk bij de bestaande aansluiten, om te voorkomen dat mensen zich uit onvrede over het nieuwe en onbekende tegen invoering van de nieuwe vertaling zouden verzetten.

“Is wijders goed geacht, dat deze vertaling uit de fonteinen of oorspronkelijke talen der H. Schriftuur, de Hebreeuwsche en Grieksche, geschieden moet, nochtans zoo, dat men daartoe tot een behulp gebruike en vergelijke de beste vertalingen, uitleggingen en korte verklaringen, en ook het oordeel van geleerde mannen in de zwaarste plaatsten [= bij die tekstgedeelten die het moeilijkst te begrijpen zijn]. Eindelijk is goedgevonden, deze navolgende regelen, den overzetters, die daartoe zullen geordineerd [= aangesteld] worden, voor te schrijven.

I.        Dat zij altijd bij den oorspronkelijken tekst zorgvuldiglijk blijven, en de manier van spreken der oorspronkelijke talen zoo veel de duidelijkheid en eigenschap der Nederlandsche spraken [= taal, manier van zeggen] kan toelaten, behouden. Maar, indien ergens een Hebreeuwsche of Grieksche wijze van spreken voorviel, die harder [= moeilijker] ware, dan dat ze wel in den tekst gehouden zal kunnen worden, dat zij deze aan den kant naarstiglijk aanteekenen. [Dus: Griekse of Hebreeuwse zegswijzen die bij letterlijke vertaling in het Nederlands te veel problemen zouden opleveren, moesten wel letterlijk vertaald in de kanttekeningen worden opgenomen.]

II.       Dat zij, om den zin van den tekst, die niet ten volle uitgedrukt is, te vervullen, zoo weinig woorden daarbij doen als mogelijk is, en deze in den tekst met eene andere letter, en tusschen haakjes besluiten [= insluiten, dus: tussen haakjes zetten], opdat ze van de woorden van den tekst mogen [= kunnen] onderscheiden worden.

III.      Dat zij voor ieder boek en hoofdstuk een korten en duidelijken inhoud stellen, en alleszins [= steeds] aan den kant de gelijkluidende plaatsen der H. Schriftuur aanteekenen.

IV.      Dat zij eenige korte verklaringen er bij voegen, waarmede reden gegeven wordt van de overzetting in de duistere plaatsen; maar de waarnemingen der leerpunten daar bij voegen, is geoordeeld noch noodig, noch raadzaam te zijn.” De vertalers moesten dus aangeven waarom ze bij moeilijke teksten voor een bepaalde vertaling hadden gekozen. Het toevoegen van opmerkingen met betrekking tot de leer werd niet nodig en ook niet raadzaam geacht.

« 2: de Synode van Dordrecht

» 4: de apocriefe boeken



bron: zitting 6 t/m 8, Acta of Handelingen der Nationale Synode te Dordrecht 1618 - 1619, Naar de oorpronkelijke Nederduitsche uitgave onder toezicht van J.H. Donner en S.A. Van den Hoorn, Den Hertog B.V. / Houten 1987 (Alle opmerkingen tussen [...] zijn toevoegingen van mij)