[inhoud]

G.J. van der Vlis - De Statenvertaling

Een taalkundig probleem

Voordat de vertalers aan de slag konden gaan, moesten er eerst op taalkundig gebied een aantal knopen worden doorgehakt. Een aardig voorbeeld van een discussie die aan zo’n beslissing voorafging, is te vinden in het verslag van de twaalfde zitting. Om het begrijpen van het onderstaande citaat te vergemakkelijken, geef ik een kort historisch overzicht.

Zoals nu nog in het Duits gebeurt, werd in het Nederlands vroeger in de tweede persoon enkelvoud het woordje du gebruikt in plaats van jij of gij. Van oudsher werden deze beide woordjes echter in de tweede persoon meervoud gebruikt, waar wij tegenwoordig jullie zeggen. Langzaam maar zeker werd du verdrongen door de meervoudsvorm jij of gij. Om duidelijk aan te geven dat het meervoud werd bedoeld, voegde men vervolgens het woord lieden of lui toe. En uit jijlui ontstond op den duur het ons bekende jullie.

Over de twaalfde zitting lezen we, dat het de Synodale Gedeputeerden seer druk hadden met saeken van weinig belang, raekende de woordekens du en gij, en overleij [= overlegde], of men, Godt aensprekende, soude seggen du, of gij. Eenigen meinden, dat men gij seide in 't veelvoudig getal, en dat men 't ontrent Godt, die een is, niet moght gebruiken. Anderen beweerden in 't tegendeel, dat du in onse tael niet meer in gebruik was, en den Nederlanderen nu seer raeu, en hardt in d' ooren sou klinken. Ook seiden se, dat gij niet gebruikt wierdt in 't veelvoudig, maer in 't enkel getal, en dat men van veelen sprekende, daer bij voegde het woordeken lieden, gij lieden. De geenen die op 't woord du drongen, wilden ook, dat men seggen soude du bist. D' anderen seiden, dat bist soo wel in onbruik was geraekt, als du, en dat men seggen moest, gij sijt. Ook seiden eenigen, dat gij beide in 't enkel en in 't veelvoudig getal wierdt gebruikt. De Professor Polyander verstondt [= was van mening], dat men gij sou behouden. Sibrandus Lubbertus, die 's daeghs te vooren uit Vrieslandt was aengekomen, wilde, dat men du sou seggen. Gomarus drong op gij, en seide, dat men 't in 't enkel en in 't veelvoudig getal kon gebruiken. Thysius en Walaeus waeren voor 't woordeken gij; gelijk ook de Geldersche, Hollandsche, Zeeuwsche en Uitrechtsche Theologanten, doch een van de Hollanders wilde du. De Vriesen beweerden, dat men du moest seggen. Maer de Preses Bogerman hieldt het met gij. Veele toehoorders waeren verwondert over dese woordestrijdt, en lagten onder malkanderen, omdat men met sulk een deftigheit [= ernst] en eerbiedigheit redeneerde van 't du en gij. De Remonstranten schrijven, dat het op weinig stemmen aenquam, of men sou alle de Nederlandtsche Predikanten hebben bevolen hunne moedertaele, gelijk die toen in gebruik was, te veranderen en hun het du en 't bist opgedrongen. Doch het gij dreef noch met meerderheit van stemmen boven.

Het bovenstaande is slechts een voorbeeld en datgene wat erin beschreven staat, doet ons misschien glimlachen. Maar het geeft wel duidelijk aan, hoe zorgvuldig men te werk ging vanuit het bewustzijn, dat het om de vertaling van het woord van onze heilige God zelf ging. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen, dat de toehoorders constateerden dat met deftigheit en eerbiedigheit gediscussieerd werd.

« 4: de apocriefe boeken

» 6: Aan het werk!



bron: G. Brandt: Historie der Reformatie en andere kerkelijke geschiedenissen in en omtrent de Nederlanden. Met eenige aantekeningen en aenmerkingen, Amsterdam 1671 - 1704 deel 3